id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 29 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090629.19 Rolnummer: 2009AR1113 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2013-10-08 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-02 20:05 Fiche Wanneer het hoger beroep werd manifest laattijdig werd ingesteld en bijgevolg niet ontvankelijk is, kan de geïntimeerde vragen de appellant te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding plus de gerechtelijke intresten wegens het aanwenden van een rechtsmiddel met enkel de bedoeling de procedure in eerste aanleg te vertragen ( = toepassing van het nieuwe artikel 780bis Ger.W., in werking getreden op 22 juni 2007). Het instellen van een hoger beroep één maand na het verstrijken van de beroepstermijn heeft - in de omstandigheden van de zaak - een tergend en roekeloos karakter. Door het aanwenden van een rechtsmiddel in dergelijke omstandigheden werd de procedure in eerste aanleg hoe dan ook (voorlopig) stil gelegd wat minstens morele schade met zich meebrengt voor geïntimeerde. Deze schade wordt in casu in alle billijkheid ex aequo et bono geraamd op 500 euro . Op dit bedrag zijn gerechtelijke intresten verschuldigd aan de wettelijke intrestvoet vanaf het instellen van deze vordering, zijnde bij conclusie neergelegd ter griffie op - in casu - 19 mei
- UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Termijn hoger beroep GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Schadevergoeding en boete Vrije woorden: Art. 1051, eerste lid Ger. W.Termijn van hoger beroep. Hoger beroep buiten de wettelijke termijn van één maand. Sancties. Scahdevergoeding ten voordele van de geïntimeerde Artkel 780bis Ger. W. Tergend en roekeloos hoger beroep. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2009/AR/1113 INZAKE VAN : Mevrouw J. S., wonende appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 13 januari 2009, niemand verschijnende, noch iemand voor haar; 1ste kamer TEGEN : De heer P. D., wonende geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester KAT, advocaat te BRUSSEL, loco Meester Christian DE NEVE, advocaat te 9910 KNESSELARE, Urselsesteenweg 63, Wanneer het hoger beroep werd manifest laattijdig werd ingesteld en bijgevolg niet ontvankelijk is, kan de geïntimeerde vragen de appellant te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding plus de gerechtelijke intresten wegens het aanwenden van een rechtsmiddel met enkel de bedoeling de procedure in eerste aanleg te vertragen ( = toepassing van het nieuwe artikel 780bis Ger.W., in werking getreden op 22 juni 2007). Het instellen van een hoger beroep één maand na het verstrijken van de beroepstermijn heeft - in de omstandigheden van de zaak - een tergend en roekeloos karakter. Door het aanwenden van een rechtsmiddel in dergelijke omstandigheden werd de procedure in eerste aanleg hoe dan ook (voorlopig) stil gelegd wat minstens morele schade met zich meebrengt voor geïntimeerde. Deze schade wordt in casu in alle billijkheid ex aequo et bono geraamd op 500 euro . Op dit bedrag zijn gerechtelijke intresten verschuldigd aan de wettelijke intrestvoet vanaf het instellen van deze vordering, zijnde bij conclusie neergelegd ter griffie op - in casu - 19 mei
- Gelet op de procedurestukken: • het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 13 januari 2009, beslissing die betekend werd op 27 februari 2009; • het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 28 april 2009; • de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 19 mei
- Gehoord de advocaat van geïntimeerde ter openbare terechtzitting van 16 juni 2006 en gelet op de stukken die hij neerlegde. I. Wat de ontvankelijkheid betreft van het hoger beroep: 1.
- Het bestreden vonnis werd betekend op 27 februari 2009 en hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd op 28 april
- Overeenkomstig artikel 1051 Ger.W. is de termijn van hoger beroep één maand, te rekenen vanaf de betekening van het bestreden vonnis. 1.
- Het hoger beroep werd in deze zaak manifest laattijdig ingesteld en is bijgevolg niet ontvankelijk. II. Wat de incidentele vordering betreft tot het bekomen van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep: 2.
- Geïntimeerde vraagt appellante te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding t.b.v. 1.500 euro plus de gerechtelijke intresten wegens het aanwenden van een rechtsmiddel met enkel de bedoeling de procedure in eerste aanleg te vertragen ( = toepassing van het nieuwe artikel 780bis Ger.W., in werking getreden op 22 juni 2007). Het instellen van een hoger beroep één maand na het verstrijken van de beroepstermijn heeft in de omstandigheden van de zaak een tergend en roekeloos karakter. 2.
- Door het aanwenden van een rechtsmiddel in dergelijke omstandigheden werd de procedure in eerste aanleg hoe dan ook (voorlopig) stil gelegd wat minstens morele schade met zich meebrengt voor geïntimeerde. Deze schade wordt in alle billijkheid ex aequo et bono geraamd op 500 euro . 2.
- Op dit bedrag zijn gerechtelijke intresten verschuldigd aan de wettelijke intrestvoet vanaf het instellen van deze vordering, zijnde bij conclusie neergelegd ter griffie op 19 mei
- III. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft: 3.
- Appellante vraagt in haar verzoekschrift in hoger beroep te zeggen voor recht dat haar zwarigheden gegrond zijn en dienvolgens de zaak terug te sturen naar de notaris/penhouder met verplichting om rekening te houden met haar geformuleerde zwarigheden en haar akte te verlenen van haar voorbehoud betreffende het instellen van een vordering tot schadevergoeding t.a.v. de notaris/penhouder. Een dergelijke vordering is niet in geld waardeerbaar. 3.
- Appellante is in de beroepsprocedure nooit verschenen en werd er evenmin vertegenwoordigd. Bij toepassing van artikel 6 van het K.B. 26 oktober 2007 is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding wanneer de zaak wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek, en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen. Deze bepaling maakt een toepassing uit van de regel dat ook de complexiteit van de zaak mee in rekening kan worden gebracht voor de afwijking van het basisbedrag. Een zaak bij verstek gewezen, is doorgaans eenvoudiger dat indien er tegenspraak wordt gevoerd . 3.
- Het minimumbedrag bedraagt 75 euro en dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk wegens laattijdigheid. Verklaart de incidentele vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt appellante tot betaling aan geïntimeerde van een bedrag van VIJFHONDERD EURO (500 euro ) ten titel van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep, plus de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 19 mei
- Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot - in hoofde van haarzelf op euro 186 rolrecht, en - in hoofde van geïntimeerde op euro 75 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div