← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090630.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090630.1 Rolnummer: 2007AR2210 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-07-01 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 20:06 Fiche I. Geschillen kunnen in het raam van artikel 1209 eerste lid Ger. W. aan de rechtbank voorgelegd worden bij de inleiding van de vordering tot verdeling en dus voor de verwijzing van partijen naar de boedelnotaris. De rechtbank kan deze geschillen onmiddellijk behandelen of ze uitstellen tot de homologatie. Het geschil is in casu duidelijk omlijnd en van die aard dat zonder de door de rechtbank gegeven oplossing, de aangestelde notaris in de onmogelijkheid verkeerd om een juiste staat van vereffening en verdeling op te stellen. De beslechting van het geschil is derhalve nuttig om het werk van de notarissen te vergemakkelijken. II. Zaakwaarneming bestaat in het vrijwillig, doch niet uit vrijgevigheid en evenmin uit eigen belang, verrichten van een handeling ter behartiging van de belangen van een ander buiten elke specifieke wettelijke of contractuele verplichting om, met of buiten weten van die andere, en waarvan men redelijkerwijze mag aannemen dat zij door die ander ook zou zijn verricht geworden. De zaakwaarnemer moet de zaakwaarneming bewijzen, hetgeen inhoudt dat hij moet bewijzen dat aan alle voorwaarden van zaakwaarneming is voldaan. In casu bewijst eiser niet dat zijn tussenkomst noodzakelijk was, hetgeen een voorwaarde is voor zaakwaarneming. De eiserbewijst evenmin dat zijn tussenkomst belangeloos was. Als toekomstige erfgenaam had hij er immers alle belang bij zicht te hebben over het beheer van de gelden en effecten. Zaakwaarneming is een daad van welwillendheid, die in zijn essentie in strijd is met enige bezoldiging. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Oneigenlijke contracten - Zaakwaarneming Vrije woorden: I. Artikel 1209 Ger. W. Draagwijdte van artikel 1209, lid 1 Ger. W. Betwsisting inzake de draagwijdte van een grift van een ouder, in het kader van de vordering tot gerechtelijke vereffening-verdeling van de beide ouders - Voorwaarden opdat de boedelrechter onmiddelllijk het geschil kan beslechten vooraleer de partijen naar de notarissen te verwijzen. II. Zaakwaarneming. Toepassingsvoorwaarde,. Bewijs en bewijslast inzake zaakwaarneming. III. Roerende goederen. Bewijs van een eventuele schenking. Bezit: voorwaarden voor een deugedelijk bezit. Gebrek van heimelijkheid aan het bezet. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2007/AR/2210 INZAKE VAN : De heer E. T., appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 12 juni 2007, vertegenwoordigd door Meester Willem VAN BETSBRUGGE, advocaat te 3300 TIENEN, Ivde Lansierslaan 70, 1ste kamer TEGEN : Mevrouw P. T., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Ann VERBANCK, advocaat te 3300 TIENEN, Leuvenselaan 21, I. DE PROCEDURE In deze zaak oordeelt het hof over het hoger beroep dat ingesteld is tegen een vonnis, gewezen na tegenspraak door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, op 12 juni 2007 (A.R. 06/1983/A). Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken wordt voor de rechtspleging de Nederlandse taal gebruikt. De zaak wordt behandeld en berecht na tegenspraak. Het bestreden vonnis werd op verzoek van mevrouw P. T. op 10 juli 2007 betekend aan de heer E. T.. Het hoger beroep werd ingesteld door de heer E. T. op 10 augustus 2007. Het is ontvankelijk, want tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld. II. DE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN Partijen zijn de kinderen en tevens erfgenamen van wijlen M. D., overleden op 28 januari 2006 en wijlen J. T. overleden op 26 maart 2006. Wijlen M. D. en J. T. waren in mei 2001 eigenaar van kasbons ASLK BANK voor een totale waarde van 25.916,62 euro (1.045.474 Bef.), welke ze op 22 mei 2001 hebben omgezet naar 24 deelbewijzen BBL RENTA FD-GLOBAL HIGH. Op 17 juni 2003 heeft wijlen J. T. volgend voorgeschreven document ondertekend : "Afstandsverklaring. Ondergetekende T. J. verklaard(

  1. t)bij deze akkoord te gaan afstand te doen van de stukken REND A FUND GLOBAL HIGH H(Y)IELD. Deze zullen aan zijn zoon zijn overgemaakt met goedkeuren. Hoger genoemde stukken zijn nu omgezet naar PROTECT-OBLI-FIX CHF-K. Gelezen en goedgekeurd, voor akkoord," De 24 ING RENTA FD-GL HIGH YIELD werden diezelfde dag omgezet naar 85 ING PROTECTED OBLI-FIX CHF. Als opdrachtgever wordt de heer E. T. vermeld. (zie stuk 5 mevrouw P. T.) Bij verzoekschrift van 16 maart 2006 verzocht wijlen J. T. toelating tot het leggen van bezwarend beslag in handen van ING, stellende dat de heer E. T. weigert het geld terug te geven. De beslagrechter verleende toelating tot het leggen van bewarend beslag bij beschikking van 22 maart 2006. Mevrouw P. T. legde in haar hoedanigheid van erfgenaam van wijlen Jozeph T. eveneens een verzoekschrift neer tot het leggen van bewarend beslag, verzoek dat door de beslagrechter werd ingewilligd op 4 april 2006. Het verzet van de heer E. T. en zijn echtgenote tegen dit bewarend beslag werd door de beslagrechter ongegrond verklaard. Uit de verklaring van ING van 6 april 2006 blijkt dat de heer E. T. behoudens gelden op verschillende rekeningen, in het bezit is van een effectendossier waaronder zich 37 ING(
  2. l)protect-obli-Fix bevinden voor een totale raming van 10.046,98 euro. Mevrouw P. T. ging op 13 september 2006 over tot dagvaarding en vorderde enerzijds in zoverre de afstandsverklaring van 17 juli 2003 een schenking van J. T. aan E. T. zou uitmaken, deze nietig te verklaren en anderzijds de vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap van J. T. en M. D. en van de nalatenschappen van M. D., overleden op 28 januari 2006 en J. T., overleden op 26 maart 2006, te bevelen en notaris Janssen te Tienen aan te stellen met als opdracht tot de operaties van vereffening en verdeling over te gaan en een tweede notaris om de afwezige en/of weigerende partij te vertegenwoordigen. De heer E. T. besloot eveneens om over te gaan tot aanstelling van notarissen, maar stelde dat de overige vorderingen voorbarig waren en niet-ontvankelijk, minstens deze ongegrond te verklaren in nog meer ondergeschikte orde de afstandsverklaring te beschouwen als een schenking buiten erfdeel. De eerste rechter oordeelde dat de effecten moesten terugkeren in de nalatenschappen van de ouders T. en dus in de massa vielen en door de notaris moesten worden opgenomen in de vereffening en verdeling, verder stelde hij notaris Springer aan om over te gaan tot de werkzaamheden van vereffening en verdeling van de huwelijksgemeenschap van J. T. en M. D. en van de nalatenschappen van M. D., overleden op 28 januari 2006 en J. T., overleden op 26 maart 2006, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. De notaris zal daarbij rekening houden met de reeds in het vonnis beslechte geschillen. Notaris Valkeniers werd aangesteld met de opdracht en bevoegdheden bepaald in artikel 1209, derde lid Ger.W. De heer E. T. stelt beperkt hoger beroep in enkel en alleen inzoverre de eerste rechter uitspraak heeft gedaan over het geschilpunt betreffende de effecten en herneemt hieromtrent zijn oorspronkelijk standpunt. Mevrouw P. T. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en verzoekt het bestreden vonnis te bevestigen. III. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE MIDDELEN VAN DE PARTIJEN 1. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de vordering van mevrouw P. T. om reeds uitspraak te doen over het geschil tussen partijen betreffende de eigendom van de effecten ontvankelijk was. Geschillen kunnen in het raam van artikel 1209 eerste lid Ger. W. aan de rechtbank voorgelegd worden bij de inleiding van de vordering tot verdeling en dus voor de verwijzing van partijen naar de boedelnotaris. De rechtbank kan deze geschillen onmiddellijk behandelen of ze uitstellen tot de homologatie. De beslechting van het geschil omtrent de effecten en de afstandverklaring werd door mevrouw P. T. gevorderd in de gedinginleidende dagvaarding. Het geschil is in casu duidelijk omlijnd en van die aard dat zonder de door de rechtbank gegeven oplossing, de aangestelde notaris in de onmogelijkheid verkeerd om een juiste staat van vereffening en verdeling op te stellen. De beslechting van het geschil is derhalve nuttig om het werk van de notarissen te vergemakkelijken. 2. De heer E. T. stelt de deelbewijzen (effecten) in ontvangst te hebben gekregen ten titel van vergoeding voor zijn prestaties en geleverde diensten, bestaande uit het beheer van de gelden van zijn ouders, bijstand en verzorging op alle vlak en zijn loyaliteit. De heer E. T. stelt gehandeld te hebben binnen het kader van zaakwaarneming, waarbij hij vrijwillig de belangen van zijn ouders heeft behartigd met de bedoeling hen een dienst te bewijzen. Het valt op dat de heer E. T. zeer algemeen blijft nopens de prestaties die hij zou hebben verricht in het belang van zijn ouders T.. Voor het beheer van de gelden beschikte hij over een volmacht bij de bank tussen 21 september 2001 tot 13 februari 2004. Zaakwaarneming bestaat in het vrijwillig, doch niet uit vrijgevigheid en evenmin uit eigen belang, verrichten van een handeling ter behartiging van de belangen van een ander buiten elke specifieke wettelijke of contractuele verplichting om, met of buiten weten van die andere, en waarvan men redelijkerwijze mag aannemen dat zij door die ander ook zou zijn verricht geworden. De zaakwaarnemer moet de zaakwaarneming bewijzen, hetgeen inhoudt dat hij moet bewijzen dat aan alle voorwaarden van zaakwaarneming is voldaan. De heer E. T. bewijst vooreerst niet dat zijn tussenkomst noodzakelijk was, hetgeen een voorwaarde is voor zaakwaarneming. Hij bewijst niet dat de ouders T. in de onmogelijkheid verkeerden om hun gelden zelf te beheren, nog minder dat ze niet bij machte waren om zich hierbij te laten bijstaan door een derde (bijv. fiscalist of bankier). De heer E. T. bewijst evenmin dat er nood was aan onmiddellijk optreden. In tegendeel, beweert E. T., zelf dat het op "voorstel" van de ouders T. was, dat hij is tussengekomen. Ten onrechte tracht hij "een voorstel tot het beheren van gelden" en "een verzoek tot het beheren van gelden" te onderscheiden. Het is duidelijk dat de ouders minstens voorafgaandelijk hebben aanvaard dat hun zoon E. T. hun gelden en effecten zou beheren. Zij hebben hem trouwens dienaangaande tevens en volmacht gegeven. De heer E. T. bewijst evenmin dat zijn tussenkomst belangeloos was. Als toekomstige erfgenaam had hij er immers alle belang bij zicht te hebben over het beheer van de gelden en effecten. Vervolgens leidde de eerste rechter terecht af uit de houding die de heer E. T. aannam in de procedure voor de beslagrechter, waar hij volhield dat de effecten hem door zijn ouders waren geschonken, dat hij de zorgen voor zijn ouders uit vrijgevigheid had gedaan en het initieel niet de bedoeling was hiervoor een vergoeding te vragen. Gezien hetgeen voorafgaat is zaakwaarneming in casu niet bewezen, evenmin dat hiervoor enige vergoeding verschuldigd zou zijn geweest door de ouders T.. Zaakwaarneming is een daad van welwillendheid, die in zijn essentie in strijd is met enige bezoldiging, laat staan een bezoldiging van 25.916,62 euro. E. T. bewijst niet dat hij in het kader van de prestaties die hij verrichtte voor zijn ouders recht had op een vergoeding. Dit blijkt tevens niet uit de bewoordingen van de afstandsverklaring. 3. In uiterst ondergeschikte orde, beweert de heer E. T. dat het de bedoeling is geweest van beide ouders T. om mits de afstandsverklaring de effecten te schenken buiten erfdeel. Hij beweert dat de bedoeling van de afstandsverklaring erin bestond dat de eigendom van de effecten exclusief aan hem zou toebehoren. Het weze vooreerst opgemerkt dat deze afstandsverklaring enkel en alleen is ondertekend door wijlen Joseph T. en niet door wijlen M. D.. Uit de neergelegde stukken blijkt nochtans dat de effecten oorspronkelijk toebehoorden aan beiden. Uit de bewoordingen van de afstandsverklaring blijkt vervolgens geenszins dat de effecten aan de heer E. T. werden geschonken, enkel volgt daaruit dat de stukken RENT A FUND GLOBAL HIGH YIELD werden overgemaakt door wijlen Joseph T. aan zijn zoon de heer E. T.. Het overmaken van stukken kan niet gelijkgesteld worden met het schenken ervan. Uit de beslagprocedure blijkt verder dat wijlen Joseph T. tevens deze effecten terugvorderde en toelating bekwam van de beslagrechter tot het leggen van bewarend beslag. De houding van de heer E. T. is tenslotte op zijn minst dubbelzinnig, waar hij in de beslagprocedure vooreerst beweerde dat er sprake was van een schenking, om vervolgens in eerste aanleg ten gronde in hoofdorde te beweren dat er geen sprake is van enige animus donandi, maar van een vergoeding voor geleverde prestaties in het kader van zaakwaarneming en tenslotte in ondergeschikte orde toch teruggrijpt naar de schenking. Er is geen schenking bewezen en de afstandsverklaring houdt geen schenking van de litigieuze effecten in.. 4. Het bezit van de effecten is trouwens even onduidelijk, nu de heer E. T. enerzijds in zijn besluiten (p.13) schrijft "de deelbewijzen lagen ter inzage in de kluis van de ouders, waarop nooit reactie is geweest om deze terug te geven. Gedurende al die jaren", terwijl hij verder in dezelfde besluiten voorhoudt sedert de afstandsverklaring van juni 2003 in het bezit te zijn van deze deelbewijzen. De heer E. T. had bovendien een volmacht op de rekeningen van de ouders T., en beheerde hun gelden waaronder deze zelfde deelbewijzen. Het bezit van de heer E. T. is dus voor verschillende interpretaties vatbaar, zodat hij geen deugdelijke en ondubbelzinnig bezit van de deelbewijzen bewijst. Het bezit van de effecten is bovendien niet publiek, vermits dit voor mevrouw P. T. verborgen werd gehouden De eerste rechter oordeelde terecht dat de heer E. T. zijn bezit niet als titel kan inroepen en gehouden is tot teruggave van de effecten in de nalatenschappen van de ouders T.. 5. Het hoger beroep is ongegrond. 6. Mevrouw P. T. vordert een schadevergoeding voor tergend en roekeloos hoger beroep ten bedrage van 2.500 euro en stelt dat de heer E. T. de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende en onrechtmatige doeleinden. Zij toont niet aan dat de heer E. T. hoger beroep heeft ingesteld met kwaadwillige bedoelingen of uit boosaardigheid of dat hij het oogmerk heeft om te schaden. Evenmin toont zij aan dat de heer E. T. zijn recht om in hoger beroep te gaan heeft uitgeoefend op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtige en zorgvuldige persoon kennelijk te buiten gaat. Bovendien verklaart mevrouw P. T. niet nader welke schade zij vergoed wenst te zien. Artikel 1022 Ger.W. voorziet dat geen partij boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij. De incidentele vordering van mevrouw P. T. is ongegrond. 7. De eerste rechter besliste terecht om de kosten in eerste aanleg ten laste te leggen van de massa. De kosten in hoger beroep worden vereffend zoals hierna bepaald. Beide partijen vorderen in casu de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op het basisbedrag. In casu betreft het een niet in geldwaardeerbare vordering waarvoor het basistarief is vastgesteld op 1.200 euro. Enkel de in het gelijkgestelde partij heeft een recht op een rechtsplegingsvergoeding. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en de incidentele vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk, maar ongegrond; Veroordeelt de heer E. T. tot de gerechtskosten in hoger beroep. Vereffent de gerechtskosten in hoger beroep als volgt: - in hoofde van de heer E. T. op euro 186 rolrecht, en - in hoofde van mevrouw P. T. op 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding ; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Nathalie DE RIJCK, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS N. DE RIJCK Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.