id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090630.17 Rolnummer: 2004AR1225 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2013-10-08 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-07-02 20:06 Fiche De wet van 25 februari 1993 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken regelt naar luid van zijn artikel 16 inderdaad enkel de vergoeding van schade veroorzaakt door gebrekkige producten die in het verkeer zijn gebracht na haar inwerkingtreding, te weten 1 april
- Het UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop aansprakelijkheidsregimes - Contractueel-buitencontractueel - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Art. 1384, eerste lid BW. Gebrek in de zaak. Schietkraam. Fout: weerkaatsen avn een kogel. Diverse schadeposten. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2004/AR/1225 Onrechtmatige daad - gebrek in de zaak - schietkraam INZAKE VAN : 1) De heer G. D., en zijn echtgenote 2) Mevrouw M. V., beiden in eigen naam en qualitate qua hun minderjarig kind M. D., 3) De heer J. D., 4) De heer K. D., allen wonende te appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 februari 2004, vertegenwoordigd door Meester Johan NOLMANS, advocaat te 1500 HALLE, Bergensesteenweg 54, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer A. V., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Geert DUYCK, advocaat te 1050 BRUSSEL, F.D. Rooseveltlaan 51, 2) Mevrouw E. S., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Brigitte VERSTUYFT loco meester Luc BREWAEYS, advocaat te 1080 BRUSSEL, Leopold II-laan 11, 3) De naamloze vennootschap ALLIANZ BELGIUM, voorheen N.V. AGF BELGIUM INSURANCE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Lakensestraat 35, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 483.907, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0403.258.197, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester P. VANHAMEL loco Meester Marc VALVEKENS, advocaat te 1170 BRUSSEL, E. Van Becelaerelaan 28 B bus 8, _______________________________________________________ I. De wet van 25 februari 1993 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken regelt naar luid van zijn artikel 16 inderdaad enkel de vergoeding van schade veroorzaakt door gebrekkige producten die in het verkeer zijn gebracht na haar inwerkingtreding, te weten 1 april
- II. Artikel 1384, eerste lid BW. Er is een gebrek in de zaak wanneer bij een schietkraam de schieter met een luchtkarabijn naar ballonnetjes, een loden kogeltje in zijn oog krijgt wegens terugkaatsing. III. Op de feiten van deze casus zijn de principes van de buitencontractuele aansprakelijkheid van toepassing, en niet deze van de contractuele aansprakelijkheid.
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 februari
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten Op 11 september 1994 werd J. D., toen zes jaar oud, gewond bij een bezoek, samen met zijn vader G. D., aan een schietkraam op de kermis te X.. J. schoot met een luchtkarabijn naar ballonnetjes, en een loden kogeltje raakte zijn oog. De kraam was eigendom van E. S., en werd op het ogenblik van het incident bemand door A. V.. Het strafdossier werd geseponeerd. G. D. en M. V. (in eigen naam en als ouders van J.) dagvaardden S. en V.. V. dagvaardde AGF, de verzekeraar ba-uitbating van F. V., zijn vader. Bij vonnis van 26 mei 1999 werd dokter ROBYNS aangesteld als deskundige, die zijn verslag neerlegde op 11 februari
- Ondertussen waren de andere kinderen, K. en M., ook tussengekomen, het laatste ook vertegenwoordigd door de ouders.
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderden appellanten de veroordeling van geïntimeerden tot de betaling aan hen van respectievelijk verschillende bedragen tot schadevergoeding, telkens plus de vergoedende intresten en de gerechtelijke intresten. Ondergeschikt vroegen zij toegelaten te worden het bewijs te leveren van zekere feiten. Nog meer ondergeschikt vroegen zij de aanstelling van een deskundige met betrekking tot de omstandigheden van het ongeval. S. en V. concludeerden tot de ongegrondheid van de vordering van appellanten. Ondergeschikt vroegen zij AGF te veroordelen om hen te vrijwaren. AGF concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering van appellanten en de vorderingen tot vrijwaring; ondergeschikt concludeerde zij tot de beperking van de schadevergoedingen. 3.
- De eerste rechter verklaarde de vorderingen ongegrond. 3.
- In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijke vorderingen hoofdelijk of in solidum. Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. V. en S. hernemen ondergeschikt hun vordering tot vrijwaring tegen AGF.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
- De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. Appellanten bewijzen niet dat de schietkraam in het verkeer werd gebracht na 1 april 1991, zodat de wet productenaansprakelijkheid niet van toepassing is. Appellanten bewijzen ook niet een contractuele of buitencontractuele fout van geïntimeerden of een gebrek in de zaak. 4.
- De wet van 25 februari 1993 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken regelt naar luid van zijn artikel 16 inderdaad enkel de vergoeding van schade veroorzaakt door gebrekkige producten die in het verkeer zijn gebracht na haar inwerkingtreding, te weten 1 april
- Het blijkt niet dat de kraam na 1 april 1991 in het verkeer is gebracht in de zin van die wet, zodat appellanten hun vordering niet daarop kunnen steunen. De vraag of de wet een vordering verleent op de eigenaar en de persoon die de kraam bemant, komt dus niet aan de orde. 4.
- De vordering strekt tot vergoeding van schade uit verwonding; de feiten leiden dus tot toepassing van de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid, en niet de contractuele aansprakelijkheid. De middelen van partijen met betrekking tot overeenkomsten zijn dus zonder belang. 4.
- Het wordt niet betwist dat het ongeval is gebeurd toen een loden kogeltje weerkaatste tegen de achterwand van de kraam. Aan de politie verklaarde V. op 28 oktober 1994 dat het gebeurt dat scherven van krijt of lood in de kraam rondvliegen, maar dat het de eerste keer was dat er een ongeval was. In zijn verklaring aan de politie verklaarde G. D. dat hij en J. schoten op ballonnetjes die waren aangebracht "in de gaten van de isomoplaat". Hij beschrijft het stuk dat uit het oog van J. kwam als een "klein loden balletje". S. stelt in conclusie dat de achterwand van de kraam voorzien was van een "isomoplaat". De eerste rechter overweegt terecht dat er buiten de verklaringen van partijen aan de politie geen nuttige gegevens zijn, en dat een onderzoeksmaatregel of getuigenverhoor zo veel jaar later niet zinvol is. Anders dan de eerste rechter is het hof echter van oordeel dat de weinige vaststaande gegevens volstaan om te besluiten dat de schietkraam een gebrek vertoonde in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek. Het is de bedoeling bij een schietkraam dat met loodjes wordt geschoten op doelen op een paar meter afstand, door schutters van alle leeftijden, die zich bij het schieten niet verschuilen achter een vaste dekking, en die ook niet voorzien worden van beschermende kledij. De schutters mikken daarbij in beginsel op doelen recht voor hen, waarbij de kogelbaan ongeveer loodrecht staat op de wand met de doelen. De kinetische energie van de kogeltjes en van de losgeschoten krijtdeeltjes, met een lage massa maar hoge snelheid, moet dus geheel worden opgeslorpt door het doel en/of de achterwand, zodat de schutters, de kraamhouder en het publiek niet kunnen worden geraakt door weerkaatsing. Klaarblijkelijk was in huidig geval de achterwand van de kraam niet voorzien van een bedekking die de kinetische energie voldoende opslorpte. Dat is een gebrek, een abnormaal kenmerk dat de zaak, de kraam, niet geschikt maakte voor het normaal, dat wil zeggen veilig, gebruik. Het is daarbij niet relevant waaraan het gebrek op zich precies te wijten was (bijvoorbeeld een onvoldoende dikke "isomo" (geëxpandeerd polystyreen), of gaten in de bescherming, of het bevestigingssysteem van de doelen...). Dit gebrek heeft de verwonding van J. door een loodje veroorzaakt; het valt ook niet in te zien welke andere oorzaak de schade zou hebben kunnen veroorzaken. 4.
- Het blijkt niet dat G. D. of J. zelf een fout hebben begaan die verband houdt met de schade. Geïntimeerden suggereren dat een onhandigheid van D. of van J., of de plaats van J. voor zijn vader een rol kunnen hebben gespeeld, maar dat zijn bedenkingen zonder enige feitelijke basis. 4.
- S. is of was wel de eigenaar, maar had de kraam in bruikleen gegeven, zodat zij niet de werkelijke en feitelijke bewaring had over de zaak. Op het ogenblik van de feiten bemande V. de kraam, maar hij deed dit niet voor eigen rekening maar voor rekening van zijn vader F. V., zodat hij niet kan beschouwd worden als de bewaarder van de zaak in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek. Hij stelt dit al in zijn verklaring aan de politie op 28 oktober 1994, waarin hij de kraam zelfs eigendom noemt van zijn vader, F. V.. Dit vindt ook bevestiging in de verklaring van de politie van Beersel van 18 augustus 1995 en die van de gemeenteontvanger van Beersel van 10 augustus 2001 dat F. V. een schietkraam uitbaatte op de kermis te X. in 1991, en de verklaring van E. V., "gewezen verantwoordelijke voor de kermissen in X." van 28 december 1998, dat F. V. van 1975 tot 1995 elk jaar met een schietkraam deelnam aan de kermis in X.. V. legt ook de lijst voor van de standplaatshouders van september 1994 (afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen), waarop F. V. wel en A. V. niet vermeld staat. S. verklaart in conclusie dat zij haar kraam in bruikleen had gegeven aan F. V. omdat het zijne in herstelling was; V. legt inderdaad een factuur voor van 15 september 1994 voor de herstelling van een kermiswagen gericht aan F. V.. Een en ander wordt niet weerlegd door de verklaring van S. aan de politie dat zij de kraam had uitgeleend aan A. (en niet F.) V.. De vergissing van de politie met betrekking tot de voornaam van F. V. (en niet Hendrik) ten slotte is zonder belang. Uit al deze stukken samen besluit het hof dat het feitelijk element vaststaat dat A. V. bij de uitbating optrad voor rekening van F. V., die uitbaatte met gebruik van de kraam die eigendom was van S.. 4.
- Uit het bovenstaande volgt dat appellanten geen vordering tot schadevergoeding hebben tegen S. en tegen A. V., maar wel tegen de verzekeraar van F. V.. ALLIANZ BELGIUM is de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid uitbating van F. V.. Zij werpt op dat de schietkraam niet onder de dekking van de polis valt omdat hij eigendom was van S., maar de polis bepaalt niet dat de uitbating van de verzekerde moet gebeuren met een kraam die zijn eigendom is. Ten onrechte betwist ALLIANZ BELGIUM dat A. V. verzekerde is in de polis van F. V.. Zij laat gelden dat de bijzondere voorwaarden van de polis bepalen dat de verzekeringnemer aan de verzekeraar moet meedelen wie werkt in de uitbating, zonder evenwel de bepaling aan te duiden die dat oplegt. V. antwoordt terecht dat de bijzondere voorwaarden wel opleggen dat de verzekeringnemer de lijst van de "ingeschreven leden" meedeelt, maar dat met die "leden" duidelijk wordt bedoeld de leden van sport- of ontspanningsclubs, waarvoor deze polis ook wordt gebruikt. De polis bepaalt niet dat de organisator van attracties een lijst van zijn arbeiders of aangestelden moet meedelen. Dit is overigens ook zonder belang; ALLIANZ BELGIUM is immers gehouden als verzekeraar van F. V., die aansprakelijk wordt gesteld als bewaarder van de gebrekkige zaak (A. was bewaarder voor rekening van F.), en niet als aansteller van zijn zoon. 4.
- De schadevergoeding voor J.. Er is geen betwisting over de door de deskundige geadviseerde periodes en graden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Terecht voert ALLIANZ BELGIUM aan dat voor de drie dagen hospitalisatie 1.250 BEF/dag (in plaats van 1500 BEF) een correcte en voldoende vergoeding vormt. Het blijkt echter niet dat appellanten die drie dagen dubbel tellen, zoals ALLIANZ BELGIUM meent. De totale vergoeding morele schade tijdens tijdelijke arbeidsongeschiktheid bedraagt dus 164.240 BEF of 4.021,82 EUR. Voor meerinspanningen van het kind dat met een oogverwonding inderdaad belangrijke inspanningen heeft moeten leveren om op school te kunnen volgen kan 700 BEF/dag worden toegekend voor de periode vanaf hervatting, dus niet voor de periode van 100 % tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Appellanten berekenen dit correct op 61.075 BEF of 1.514,01 EUR. De vergoeding blijvende arbeidsongeschiktheid aan 80.000 BEF/punt, in totaal 1.600.000 BEF of 39.662,96 EUR, wordt niet betwist. Appellanten vragen een afzonderlijke vergoeding voor smart (quantum doloris) omdat de deskundige dat afzonderlijk raamt, maar ALLIANZ BELGIUM werpt terecht op dat de gevraagde en toegekende dagvergoedingen geraamd worden als forfaits met inbegrip van pijn en smart. Het hof raamt de schade niet op geactualiseerde bedragen. De vergoedende intresten worden dus toegekend aan de wettelijke rentevoet, omdat dit leidt tot volledige en juiste vergoeding van de schade. De vergoedende intresten op de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid worden toegekend vanaf de gemiddelde datum, 11 juni
- De gemiddelde datum voor de periode van meerinspanningen is 17 mei
- Op de vergoeding blijvende arbeidsongeschiktheid lopen de intresten vanaf consolidatie, 1 maart
- Anders dan ALLIANZ BELGIUM stelt, blijkt niet dat appellanten intresten vorderen op de gerechtskosten. Ten overvloede: intresten op de gerechtskosten kunnen lopen na de uitspraak, mits ingebrekestelling. De deskundige vermeldt een mogelijke verwikkeling, cataract, met mogelijke evolutie van blijvende arbeidsongeschiktheid naar 25 %. Appellanten maken wat dat betreft voorbehoud, en ALLIANZ BELGIUM gedraagt zich daarover naar de wijsheid van het hof. 4.
- De schadevergoeding voor de ouders. De ouders steunen hun vordering met betrekking tot de materiële kosten op stukken, zonder evenwel hun berekening in detail weer te geven; ALLIANZ BELGIUM komt tot een andere som, ook zonder detail. Het hof kan de sommen niet controleren, ook omdat appellanten verwijzen naar stukken die het hof niet in hun dossier vindt (met name de stukken 2/33 tot 2/37; het dossier bevat onder nummer 2 slechts 32 subnummers). Partijen zullen hun berekening moeten verduidelijken na heropening van de debatten. De ouders vragen een vergoeding voor genegenheidsschade van 250.000 BEF voor elk van hen. Het hof erkent dat het voor de ouders pijnlijk moet zijn geweest hun kind te zien lijden, maar de toestand van J. is niet zo zorgwekkend geweest dat de druk de normale bijstand van ouders aan hun kind te boven ging, zodat geen bijzondere vergoeding wordt toegekend. 4.
- De schadevergoeding voor de broer en zus. Het zelfde geldt voor de gevraagde vergoeding voor genegenheidsschade voor K. en M..
- De kosten Appellanten en S. en V. vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het minimumbedrag, gelet op hun beperkte financiële draagkracht. De realiteit daarvan is geen voorwerp van betwisting; het hof past dus het minimumbedrag toe. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 1.000,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk, en ongegrond voor zover gericht tegen V. en tegen S.; Verklaart het hoger beroep van G. D. en M. V. als vertegenwoordigers van M. D. en het hoger beroep van K. D. ongegrond; Verklaart het hoger beroep van J. D. voor zover gericht tegen ALLIANZ BELGIUM gegrond als volgt: Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vordering tegen ALLIANZ BELGIUM en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering van J. D. gedeeltelijk gegrond en veroordeelt ALLIANZ BELGIUM tot de betaling aan J. D. van: - VIERDUIZEND EENENTWINTIG EURO TWEEENTACHTIG CENT (4.021,82 EUR) plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 11 juni 1995 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan de zelfde rentevoet; - DUIZEND VIJFHONDERD VEERTIEN EURO EEN CENT(1.514,01 EUR) plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 17 mei 1995 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan de zelfde rentevoet; - NEGENENDERTIGDUIZEND ZESHONDERD TWEEENZESTIG EURO ZESENNEGENTIG CENT (39.662,96 EUR), plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 maart 1996 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan de zelfde rentevoet; En verleent akte aan J. D. van zijn voorbehoud met betrekking tot mogelijke toekomstige verwikkelingen met invloed op arbeidsongeschiktheid; Beveelt de heropening van de debatten om de partijen G. D. en M. V. en ALLIANZ BELGIUM toe te laten een duidelijke afrekening met verwijzing naar stukken voor te leggen met betrekking tot de gevorderde vergoeding met betrekking tot materiële schade, en stelt de zaak daartoe vast op 14 december 2009 om 10.00 (30'). Bepaalt dat partijen enkel daarover conclusie kunnen nemen en neerleggen ten laatste op: - voor G. D. en M. V. : 30 september 2009, - voor ALLIANZ BELGIUM : 30 oktober
- Het veroordeelt appellanten tot de betaling van de kosten van het hoger beroep van S. en V., begroot - in hoofde van S. op 1.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en - in hoofde van V. op 1.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.