← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090630.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090630.3 Rolnummer: 2005AR2403 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-07-02 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-02 20:06 Fiche I. Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, dat met toepassing van artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ook geldt in hoger beroep, laat toe een vordering uit te breiden enkel indien ze berust op de feiten of akten aangevoerd in de gedinginleidende akte. A contrario is een geheel nieuwe vordering niet mogelijk tegen de partij tegen wie de eerdere vordering was ingesteld. A fortiori is het niet mogelijk een vordering voor het eerst in hoger beroep in te stellen tegen een partij van wie in eerste aanleg niets gevorderd was . II. De vordering strekt dus tot het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde: afwezigheid van rechtmatig belang. III. Een uitgraving van een vijver wijzigt uiteraard de functie van het terrein. Ook de rest van de waterzuiveringsinstallatie, met onder meer opeenvolgende overlopende bassins, bestaat uit ophogingen of uitgravingen, of uit vaste inrichtingen. Die laatste zijn vergunningplichtig met toepassing van artikel 99 §1, 1° van het decreet. Indien de vijver dateert van voor mei 2000, moet toepassing gemaakt worden van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (en niet, zoals de eerste rechter overweegt, het decreet houdende de ruimtelijke planning van 24 juli 1996). Dit bepaalde onder artikel 42, §1 dat een bouwvergunning vereist was voor onder meer het plaatsen van een of meer vaste inrichtingen (1°) of voor het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem (2°). De vermelde bassins zijn duidelijk vaste inrichtingen, en de vijver met de vermelde afmetingen is een aanmerkelijke wijziging van het reliëf. IV. V. beroept zich verder op de wijziging van artikel 146 (met betrekking tot de strafbaarstelling van werken zonder vergunning) van het decreet van 18 mei 1999 door het decreet van 4 juni 2003 (houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft). Die wijziging is echter zonder belang. Het belang in de zin van artikel 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de vordering wordt ingesteld . Art. 12 van het decreet van 4 juni 2003 bepaalt dat het in werking treedt op de datum van de publicatie in het Belgisch Staatsblad, en dat was 22 augustus

  1. De vordering is ingesteld bij dagvaarding van 24 juli 2003, dus voor de inwerkingtreding van de wijziging. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vordering (eis) - Eis GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis - Nieuwe eis GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis - Wijziging eis GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Voorwaarden hoger beroep - Algemeen Vrije woorden: I. Artikelen 807 en 1042 Ger. W. Ontvankelijkheid van een vordering bij uitbreiding in hoger beroep. II. Ruimtemijke ordening en stedenbouw. Aanleg van een vijver en van een waterzuiveringsinstallatie. Wijziging van het relief. III. Artikelen 17 en 18 Ger. W. Rechtmatig belang. Tijdstip van vervulling van deze voorwaarde. Concrete toepassing: Art. 146 van het decreet op de ruimtelijke ordening, gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003, in werking op 22 augustus 2003: niet toepasselijk op een vordering ingemeid bij dagvaarding op 24 juli
  2. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Artikels 807 en 1042 Gerechtelijk Wetboek - Artikels 17 en 18 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/2403 Ontvankelijkheid - rechtmatig belang - stedenbouwkundige vergunning INZAKE VAN : Mevrouw M. V., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven 10 mei 2005, vertegenwoordigd door Meester M. DELAHAYE loco Meester Jan STIJNS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Ubicenter, Philipssite 5, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw I. D., De heer P. G., 2) De naamloze vennootschap KBC VERZEKERINGEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3000 LEUVEN, Waaistraat 6, ingeschreven in het handelsregister van Leuven onder het nummer 121, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0403.552.563, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Dirk BOSMANS, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 39-41,
  3. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 10 mei
  4. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder art. 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  5. De feiten Mevrouw V. is eigenaar van een woning met tuin in X., ...weg
  6. In de tuin heeft zij een vijver en waterzuiveringsinstallatie aangelegd. De heer G. is eigenaar van het naburig goed, ...weg 35, en woont er samen met mevrouw D.. KBC is de verzekeraar van D.. Bij een storm in de nacht van 26 op 27 oktober 2002 zijn bomen op het terrein van D. en G. afgeknapt en gevallen op het terrein van V., waardoor schade is aangericht aan de vijver en zuiveringsinstallatie van V.. Op 5 maart 2003 hebben V. en KBC een overeenkomst gesloten met betrekking tot het bedrag van de schade, 9.254,75 EUR. V. dagvaardde D., en G. en KBC kwamen vrijwillig tussen.
  7. Het onderwerp van de vordering 3.
  8. Voor de eerste rechter vorderde V. de veroordeling van "verwerende partij" tot de betaling aan haar van 11.614,43 EUR. Geïntimeerden concludeerden tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vroegen zij V. te bevelen een stedenbouwkundig attest nr. 2 te vragen en voor te leggen, of een bezoek ter plaatse of getuigenbewijs te bevelen met betrekking tot reliëfwijzigingen en het vallen van bomen bij de overburen. 3.
  9. De eerste rechter verklaarde de vordering van V. ontoelaatbaar. 3.
  10. In hoger beroep verklaart V. dat zij haar vordering uitbreidt en vraagt zij de veroordeling van geïntimeerden, in solidum of hoofdelijk, tot betaling aan haar van 11.614,43 EUR. Geïntimeerde hernemen hun oorspronkelijke verweer.
  11. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  12. De ontvankelijkheid van de vordering bij uitbreiding in hoger beroep In conclusie in hoger beroep breidt V. haar vordering uit, en stelt zij haar vordering niet alleen tegen D., maar ook tegen G. en KBC. G. en KBC werpen op dat deze vordering bij uitbreiding tegen hen niet ontvankelijk is, omdat ze pas in hoger beroep is ingesteld. V. antwoordt daar niet op. Het staat vast dat V. haar vordering in eerste aanleg niet heeft gesteld tegen G. en KBC. Zij vroeg alleen veroordeling van de "verwerende partij", en zij had alleen D. gedagvaard. De eerste rechter heeft dit in dezelfde zin begrepen, en duidt ook alleen D. aan als verweerster. Ten slotte wordt dit ook bevestigd door de uitbreiding van de vordering van V. in conclusie in hoger beroep "overeenkomstig art. 807 Ger.W."; het blijkt niet dat die uitbreiding op iets anders slaat dan op het aanspreken van G. en KBC. Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, dat met toepassing van artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ook geldt in hoger beroep, laat toe een vordering uit te breiden enkel indien ze berust op de feiten of akten aangevoerd in de gedinginleidende akte. A contrario is een geheel nieuwe vordering niet mogelijk tegen de partij tegen wie de eerdere vordering was ingesteld. A fortiori is het niet mogelijk een vordering voor het eerst in hoger beroep in te stellen tegen een partij van wie in eerste aanleg niets gevorderd was . De vordering van V. tegen G. en KBC is dus niet ontvankelijk. 4.
  13. De grond van het hoger beroep De eerste rechter besliste op grond van volgende overwegingen. V. heeft voor de aanleg van haar vijver en installatie geen bouwvergunning, terwijl de aanleg vergunningplichtig was. De installatie van waterbakken op minder dan 3 meter van de perceelgrens is ook in strijd met "de gebruikelijke verkavelingsvoorwaarden dan wel de bijzondere plannen van aanleg". De vordering strekt dus tot het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde, en V. heeft dus geen rechtmatig belang. V. werpt op dat ten tijde van de aanleg van de vijver geen stedenbouwkundige verplichtingen bestonden. Dat suggereert dat de vijver dateert van voor de stedenbouwwet van 29 maart
  14. V. vermeldt echter niet wanneer de vijver dan wel is aangelegd. Een inspecteur van KBC vermeldt in zijn verslag van een plaatsbezoek bij V. op 5 maart 2003 onder meer: "aanleg waterzuiveringsstation dateert van 1999-
  15. Werken toen uitgevoerd door verzekerde zelf, met hulp van vrienden en familie. Dhr. Van Herck zal nu alle werken laten uitvoeren, gezien hij het zuiveringsstation zo vlug mogelijk hersteld wil hebben". Geïntimeerde begrijpen uit dit verslag dat de deskundige hier informatie weergeeft die hij van V. zelf (of haar echtgenoot M. Van Herck) heeft, en dat de vijver als onderdeel van de waterzuiveringsinstallatie werd aangelegd in 1999-
  16. V. betwist dit niet. Zij vermeldt overigens uitdrukkelijk dat zij het natuurlijk waterzuiveringsgebied heeft aangelegd met inbegrip van de vijver. Een foto (M) van de inspecteur van KBC toont overigens een (deels lege) vijver met trapsgewijze dalende wanden bekleed met soepele kunststof folie. De vijver is dus geen bestaande natuurlijke vijver maar een recente aanleg, en gelet op bovenstaande elementen neemt het hof aan dat hij dateert van 1999-
  17. Artikel 204 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat het in werking treedt op 1 mei
  18. De eerste rechter overweegt dus terecht dat mogelijk dit decreet van toepassing is. Dit bepaalt onder artikel 99 §1, 4) dat een stedenbouwkundige vergunning verplicht is voor iedere aanmerkelijke reliëfwijziging. Artikel 99 §1 in fine bepaalt dat "Als aanmerkelijke reliëfwijziging zoals bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt onder meer beschouwd elke aanvulling, ophoging, uitgraving of uitdieping die de aard of functie van het terrein wijzigt". Een uitgraving van een vijver wijzigt uiteraard de functie van het terrein. Overigens is de vijver ook niet klein; op de voorgelegde foto lijkt hij meer dan 10 meter lang en zeker meer dan een halve meter diep; V. noemt hem ook een zwemvijver, wat een zekere diepte suggereert. Ook de rest van de waterzuiveringsinstallatie, met onder meer opeenvolgende overlopende bassins, bestaat uit ophogingen of uitgravingen, of uit vaste inrichtingen. Die laatste zijn vergunningplichtig met toepassing van artikel 99 §1, 1° van het decreet. De uitprint die V. voorlegt van een website van het VLAAMSE GEWEST met betrekking tot siervijvers (het hof onderlijnt) doet niets af van het bovenstaande. Indien de vijver dateert van voor mei 2000, moet toepassing gemaakt worden van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (en niet, zoals de eerste rechter overweegt, het decreet houdende de ruimtelijke planning van 24 juli 1996). Dit bepaalde onder artikel 42, §1 dat een bouwvergunning vereist was voor onder meer het plaatsen van een of meer vaste inrichtingen (1°) of voor het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem (2°). De vermelde bassins zijn duidelijk vaste inrichtingen, en de vijver met de vermelde afmetingen is een aanmerkelijke wijziging van het reliëf. De eerste rechter heeft zoals vermeld de bassins ook beschouwd als in strijd met "de gebruikelijke verkavelingsvoorwaarden dan wel de bijzondere plannen van aanleg". Bij gebrek aan gegevens met betrekking tot de stedenbouwkundige bestemming van het perceel of de verkavelingsvoorwaarden is dit echter een toepassing van regels waarvan het bestaan slechts vermoed wordt, en dat kan niet. De laatste overweging is zonder invloed op de vaststelling dat V. de installatie met inbegrip van de vijver heeft gebouwd zonder bouwvergunning of stedenbouwkundige vergunning, terwijl die vereist was. Anders dan V. meent, vormt dit een inbreuk op regels van openbare orde. Haar vordering strekt tot het herstel van een toestand die strijdig is met de openbare orde. Zij heeft dus geen rechtmatig belang, zodat de vordering niet ontvankelijk is . V. beroept zich verder op de wijziging van artikel 146 (met betrekking tot de strafbaarstelling van werken zonder vergunning) van het decreet van 18 mei 1999 door het decreet van 4 juni 2003 (houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft). Die wijziging is echter zonder belang. Het belang in de zin van artikel 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de vordering wordt ingesteld . Art. 12 van het decreet van 4 juni 2003 bepaalt dat het in werking treedt op de datum van de publicatie in het Belgisch Staatsblad, en dat was 22 augustus
  19. De vordering is ingesteld bij dagvaarding van 24 juli 2003, dus voor de inwerkingtreding van de wijziging.
  20. De kosten De partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 1.100,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de vordering van V. tegen G. en KBC niet ontvankelijk Verklaart het hoger beroep van V. ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt V. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, - in hoofde van haarzelf op euro 1.286 ( 186 rolrecht + 1.100 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van alle geïntimeerden samen op euro 1.100 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.