← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090730.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090730.1 Rolnummer: 2004AR775 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-09-01 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-02 20:09 Fiche De eerste rechter heeft vooreerst terecht het beginsel aangehouden dat, nà het opmaken van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden door de boedelnotaris, de deelgenoten geen nieuwe beweringen of zwarigheden mogen voorleggen aan de rechtbank bij wie de beslechting van de beweringen en zwarigheden, opgenomen in voormeld proces-verbaal, aanhangig is . Uitzonderingen op dit principe zoals een minnelijk akkoord tussen partijen, de latere ontdekking door partijen van gegevens of feiten waarvan zij niet op de hoogte waren, of het geval waar de staat van vereffening van de notaris en de zwarigheden die daarop werden geformuleerd, tot stand zijn gekomen op grond van gebrekkige en onvolledige gegevens die door partijen bewust en gewild werden verzwegen voor de boedelnotaris, zijn te dezen niet van toepassing. De rechter maakte in het bestreden vonnis een juiste toepassing van artikel 1219 van het Gerechtelijk Wetboek. Meer nog, de kwestie van de intresten dient geacht te worden definitief beslecht te zijn geweest bij en ingevolge het voormelde homologatievonnis van 16 mei 1995 (blz. 8), dat gezag van gewijsde heeft. Nu er geen beroep tegen dit vonnis werd aangetekend, en er integendeel door de partijen berust werd in dit vonnis, wat appellante zelf toegeeft , kan er thans niet meer teruggekomen worden op de homologatie en op de gehomologeerde staat van vereffening. Het onderbrengen door de boedelnotaris, van de kwestieuze intresten in het actief van de ontbonden gemeenschap is immers een aangelegenheid die niet het voorwerp uitmaakt van, of niet valt binnen het zeer beperkte voorbehoud gemaakt door de boedelrechter in zijn homologatievonnis. Het is niet uitgesloten dat de notaris een vergissing maakte in de verdeling van de kwestieuze interesten ( en/of inzake de toepassing van de principes inzake de vererving van de nalatenschap van de testamentloos overleden vader en van de testamentaire vererving van de erfenis van de moeder), maar alle feitelijke gegevens i.v.m. de devolutie van deze beide nalatenschappen waren de partijen en de notaris volledig bekend vooraleer de oorspronkelijke staat van vereffening, het daaropvolgend proces-verbaal van beweringen en zwarigheden en het daarop volgend homologatievonnis vonnis volgden. Het was derhalve op deze oorspronkelijke staat van vereffening (die appellante thans nog betwist op het vlak van de interesten o.m. op de rubriekrekening van notaris J.), en meer bepaald in het (eerste) p.v. van beweringen en zwarigheden op de oorspronkelijke staat van vereffening, dat de belanghebbende partijen hun bezwaren (o.a. over het lot of het statuut van voormelde interesten op de rubriekrekening van notaris J.) hadden moeten uiten. Nu zij dat te gelegener tijd niet hebben gedaan, kunnen zij thans niet meer teruggekomen op het lot of het statuut van deze interesten op voormelde rubriekrekening zoals vervat in de oorspronkelijke staat van vereffening. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde - Gezag van gewijsde - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling Vrije woorden: Bijzondere rechtspleging van de vereffening-verdeling. Draagwijdte van de artikelen 1219, §2 en 1223 Ger. W. Draagwijdte van het cassatiearrest van 10 april

  1. Voorwaarden voor bezwaren gemaakt na een aanvullende staat in een tweede proces-verbaal van beweringen en zwarigheden. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2004/AR/775 INZAKE VAN : Mevrouw L. R., wonende te appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 24 oktober 2000, vertegenwoordigd door Meester Johan DURNEZ, advocaat te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134 A, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer D. S., wonende te 2) Mevrouw A. S., wonende te 3) Mevrouw H. R., wonende eerste tot en met derde geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Ann VERBANCK, advocaat te 3300 T., Leuvenselaan 21, 4) Mevrouw J. L., wonende te 5) De heer D. R., wonende 6) De heer J. R., wonende 7) Mevrouw V. R., wonende 8) Mevrouw J. R., vierde tot en met achtste geïntimeerden, niet verschijnende, noch iemand voor hen; 9) De heer L. R., negende geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester CONVENT loco Meester Jozef WYNANT, advocaat te 1770 LIEDEKERKE, Muilemstraat 10, Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (7de kamer) na tegenspraak uitgesproken op 24 oktober 2000, bij exploot van 23 februari 2004 aan appellante betekend; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 22 maart 2004 ter griffie van het hof neergelegd en de akte van hoger beroep bij deurwaardersexploot van 31 maart en 5 april 2006 - de conclusie van appellante (datum neerlegging 25 augustus 2006); - de conclusie (datum neerlegging 16 juni 2005) en syntheseconclusie (datum neerlegging 28 september 2006) van geïntimeerden. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 16 juni 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Voorwerp van het hoger beroep
  2. Appellante vordert de hervorming van het bestreden vonnis dat: · de zwarigheden, geformuleerd door J., L., haarzelf en V. niet ontvankelijk verklaart, · de (aanvullende) staat van vereffening van 30 april 1997 homologeert, · de kosten desbetreffende alsook betreffende het aansluitende p.v. van zwarigheden (door de instrumenterende notaris nog te begroten) en alle sedert het tussenvonnis van 16 mei 1993, boven de daarin reeds begrote en ten laste van de massa gelegde, bijkomende vervallen gerechtskosten, ten laste van de massa legt · en de zaak voor definitieve afhandeling naar de notarissen verzendt.
  3. Appellante vordert haar oorspronkelijke zwarigheid ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg volgende posten uit het actief "van de nalatenschap van de gemeenschap R.-N. te halen en onder te brengen onder het actief van de nalatenschap N.": · 6.a. interesten op de beurswaarden vervallen sinds 28 december 1989 tot 31 juli 1992: 304.916 BEF (of 7.558,67 euro ); · 6.b. interesten nà 31 juli 1992: 7.060 BEF (of 175,01 euro ); ·
  4. interesten vervallen op het depositoboekje 230-3085021-53 sinds 28 december 1995 tot 31 juli 1992; ·
  5. interesten op de rubriekrekening notaris J.s welke verdeeld zullen worden in verhouding tot de bedragen welke aan ieder toekomen in onderhavige vereffening: pro memorie. Voorts vordert appellante de veroordeling van geïntimeerden tot de kosten van beide aanleggen.
  6. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep en verklaren een "incidenteel beroep" in te stellen, eigenlijk een incidentele vordering in hoger beroep, waarbij zij 2.500 euro vorderen wegens tergend en roekeloos hoger beroep, met veroordeling van appellante tot de kosten van huidige procedure. II. Relevante feitelijke gegevens
  7. D. R., testamentloos overleden op 4 juni 1983 te K., was onder het wettelijk stelsel, bij gebreke aan huwelijkscontract, gehuwd met A. N., overleden te T. op 28 december
  8. Zij lieten acht kinderen na: T. (of R. ° 1921), H. (° 1929), J. (° 1936), L. (° 1938), J. (° 1942), L. (° 1944), V. (° 1948) en S. R. (echtgenote S.). Moeder A. N. stelde een testament op, gedateerd op 1 april 1987, waarbij zij het grootste beschikbaar deel van haar nalatenschap schonk aan vier van haar kinderen, te weten: V., L., L. en J.. Derhalve komt aan elk van deze vier legatarissen 5/32sten van de nalatenschap toe, en aan elk van de vier andere niet begiftigde kinderen 3/32sten. Dit alles maakt 32/32sten van de nalatenschap van de moeder.
  9. Onder het nalatenschap van beide ouders en onder de huwgemeenschap vielen roerende goederen, meubelen, kasbons en een spaarboek bij de ASLK. De moeder was eigenares van een hoevetje en gronden te K. die zij na het overlijden van haar echtgenoot verkocht.
  10. Bij exploot van 7-8-9-12 en 14 november 1990 stelden S. en H. een vordering in strekkende tot de vereffening en verdeling van de nalatenschappen van de ouders en van de huwgemeenschap onder hen.
  11. Bij vonnis van 3 januari 1991 beval de eerste rechter de vereffening en verdeling van de tussen hen bestaande onverdeeldheid en stelde hij notaris G. J. te T. aan als boedelnotaris en notaris M. H. om de verstekdoende of weigerende partijen te vertegenwoordigen. Hangende het geding overleed S. R. (echtgenote S.), op 18 juni
  12. Zij liet na haar echtgenoot G. S. en haar twee kinderen D. en A. S. die het geding van hun rechtsvoorgangster hervatten.
  13. Notaris J. legde zijn p.v. van zwarigheden van 24 mei 1993 neer. Op bladzijde 4 van deze staat vermeldt de notaris, in het actief van de gemeenschap R.-N.: "
  14. Interesten op de rubriekrekening notaris J., welke zullen verdeeld worden in verhouding tot de bedragen welke aan ieder toekomen in onderhavige vereffening". Het hof stelt vast dat er in dit proces-verbaal van beweringen en zwarigheden door geen enkele partij een opmerking werd geformuleerd omtrent het feit dat de boedelnotaris J. in zijn vereffeningstaat de interesten op zijn rubriekrekening bij het actief van de gemeenschap R.-N. vermeldde (en dus niet in het actief van de nalatenschap van mevrouw N.).
  15. Bij vonnis van 16 mei 1995, verwierp de eerste rechter de zwarigheden van de consorten S. en H. + J. R. tegen de staat van vereffening d.d. 24 mei 1993 van notaris J.. Hij verklaarde de zwarigheden door T. en J. R. bij conclusie aangevoerd niet ontvankelijk. Hij homologeerde de staat van vereffening met dien verstande

(1)dat de gerechtskosten bij de massa dienen gelegd te worden,
(2)dat (J., L., L. en V.) R. interesten verschuldigd zijn aan de wettelijke rentevoet op de door hen in te brengen sommen en dit vanaf het overlijden van (moeder A. N.) op 28 december 1989
(3)terwijl er interesten moeten aangerekend worden op de vergoedingen (van 64.695 BEF en 106.250 BEF) door de nalatenschap van (moeder N.) verschuldigd aan de (ontbonden) gemeenschap (van de ouders) en dit vanaf het overlijden op 4 juni 1983 van (de vader). Voor het overige werd de zaak voor verdere afhandeling naar de boedelnotaris verzonden en werden de kosten ten laste van de massa gelegd.
  1. Op 11 oktober 1995 stelde notaris J. zijn (tweede) staat van vereffening en p.v. van zwarigheden op. In zijn staat van vereffening stelt de notaris: Alle comparanten verklaren te berusten in het vonnis van 16 mei 1995 en hebben bovenstaande aangepaste staat van vereffening goedgekeurd. Zij verklaren hierbij dat de nalatenschap van hun respectievelijke ouders en grootouders, de echtgenoten R.-N., volledig zijn vereffend en verdeeld en dat zij van elkaar niets meer te eisen of te vorderen hebben. Enkel over de verdeling van de interesten op de rubriekrekening wordt voorbehoud gemaakt. De boedelnotaris meende dienaangaande dat de interesten toekomen aan partijen in verhouding met hetgeen zij ingevolge de staat van vereffening zullen ontvangen, wat de vier begunstigde kinderen betwistten. De notaris verwees naar het eerste p.v. van beweringen en zwarigheden van 25 mei 1993 en de hierboven (nummer 8) opgenomen passus omtrent de interesten die door geen partij aangevochten werd. Na het afsluiten van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden d.d. 25 mei 1993 was geen nieuwe zwarigheid ontvankelijk, zulks conform de principes vermeld in het vonnis van 16 mei
  2. In zijn notariële akte van 30 april 1997 houdende afsluiting van de staat van vereffening der interesten van de rubriekrekening en houdende proces-verbaal van beweringen en zwarigheden m.b.t. deze akte bevestigde notaris J. zijn standpunt (zie "bemerkingen van de notaris").
  3. Nadien overlijdt op 14 juli 1998 T. R. en leggen zijn weduwe, J. L., en zijn zoon D. R., een verzoekschrift tot hervatting van geding neer. Tevens overlijdt G. S. en leggen zijn kinderen D. en A. een verzoekschrift tot hervatting van geding neer. III. Bespreking
  4. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld. De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt overigens niet betwist.
  5. De eerste rechter heeft vooreerst terecht het beginsel aangehouden dat, nà het opmaken van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden door de boedelnotaris, de deelgenoten geen nieuwe beweringen of zwarigheden mogen voorleggen aan de rechtbank bij wie de beslechting van de beweringen en zwarigheden, opgenomen in voormeld proces-verbaal, aanhangig is . Uitzonderingen op dit principe zoals een minnelijk akkoord tussen partijen, de latere ontdekking door partijen van gegevens of feiten waarvan zij niet op de hoogte waren, of het geval waar de staat van vereffening van de notaris en de zwarigheden die daarop werden geformuleerd, tot stand zijn gekomen op grond van gebrekkige en onvolledige gegevens die door partijen bewust en gewild werden verzwegen voor de boedelnotaris, zijn te dezen niet van toepassing. De rechter maakte in het bestreden vonnis een juiste toepassing van artikel 1219 van het Gerechtelijk Wetboek.
  6. Meer nog, de kwestie van de intresten dient geacht te worden definitief beslecht te zijn geweest bij en ingevolge het voormelde homologatievonnis van 16 mei 1995 (blz. 8), dat gezag van gewijsde heeft. Nu er geen beroep tegen dit vonnis werd aangetekend, en er integendeel door de partijen berust werd in dit vonnis, wat appellante zelf toegeeft , kan er thans niet meer teruggekomen worden op de homologatie en op de gehomologeerde staat van vereffening. Het onderbrengen door de boedelnotaris, van de kwestieuze intresten in het actief van de ontbonden gemeenschap is immers een aangelegenheid die niet het voorwerp uitmaakt van, of niet valt binnen het zeer beperkte voorbehoud gemaakt door de boedelrechter in zijn homologatievonnis. Het is niet uitgesloten dat de notaris een vergissing maakte in de verdeling van de kwestieuze interesten ( en/of inzake de toepassing van de principes inzake de vererving van de nalatenschap van de testamentloos overleden vader en van de testamentaire vererving van de erfenis van de moeder), maar alle feitelijke gegevens i.v.m. de devolutie van deze beide nalatenschappen waren de partijen en de notaris volledig bekend vooraleer de oorspronkelijke staat van vereffening, het daaropvolgend proces-verbaal van beweringen en zwarigheden en het daarop volgend homologatievonnis vonnis volgden. Het was derhalve op deze oorspronkelijke staat van vereffening (die appellante thans nog betwist op het vlak van de interesten o.m. op de rubriekrekening van notaris J.), en meer bepaald in het (eerste) p.v. van beweringen en zwarigheden op de oorspronkelijke staat van vereffening, dat de belanghebbende partijen hun bezwaren (o.a. over het lot of het statuut van voormelde interesten op de rubriekrekening van notaris J.) hadden moeten uiten. Nu zij dat te gelegener tijd niet hebben gedaan, kunnen zij thans niet meer teruggekomen op het lot of het statuut van deze interesten op voormelde rubriekrekening zoals vervat in de oorspronkelijke staat van vereffening. De boedelrechter, en thans in beroep, het hof van beroep, kan geen bezwaren beoordelen die niet in het eerste p.v. van beweringen en zwarigheden waren opgenomen, en die evenmin het voorwerp uitmaken van het voorbehoud gemaakt in het voormelde homologatievonnis, waarvan het gezag van gewijsde in acht genomen dient te worden door alle betrokken partijen bij toepassing van de artikelen 23 à 25 van het Gerechtelijk Wetboek. Zelfs de beweerde fout of vergissing van de notaris m.b.t. het statuut der interesten in zijn (eerste) staat van vereffening is niet van aard om een grond te scheppen die zou toelaten thans terug te komen op deze definitief gehomologeerde staat van vereffening. Het hoger beroep is ongegrond.
  7. De incidentele vordering komt ongegrond voor. Het staat immers niet vast dat appellante hoger beroep heeft ingesteld in zulke omstandigheden dat iedere rechtsonderhorige, in dezelfde concrete omstandigheden als appellante geplaatst, zich zou onthouden hebben de zaak ter beoordeling van het hof van beroep voor te leggen of dat zij op foutieve wijze haar recht tot hoger beroep zou hebben uitgeoefend. De opeenvolging van vonnissen, aktes en verrichtingen van vereffening alsook de opgeworpen vergissing in de verdeling van de kwestieuze interesten hebben appellante kunnen misleiden en haar aanzetten tot het instellen van het rechtsmiddel dat, hoewel ongegrond verklaard, geen tergend en roekeloos karakter vertoont.
  8. Nopens de gerechtskosten: Partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Het basisbedrag bedraagt 1.200 euro . De gerechtskosten vallen ten laste van de massa. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de incidentele vordering ontvankelijk doch ongegrond. Legt de gerechtskosten van het hoger beroep ten laste van de massa. Begroot deze kosten in hoofde van - appellante op euro 1.877,52 (186 rolrecht + 247,48 + 244,04 dagvaardingen + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), - eerste tot en met derde geïntimeerden op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding, - vierde tot en met achtste geïntimeerden op NIHIL, en - negende geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding; Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare buitengewone terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard J.S DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, V. DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. J.S DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.