← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090730.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090730.2 Rolnummer: 1998AR816 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-09-02 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 20:09 Fiche Een parij heeft na mededeling van het voorverslag van de deskundige weliswaar geen opmerkingen over een bepaald punt gemaakt. Deze houding kan van kwade wil getuigen maar de omstandigheid dat een partij geen opmerkingen heeft gemaakt aan de deskundige ontneemt haar niet het recht om haar grieven i.v.m. het deskundigenverslag aan de beoordeling van de rechter te onderwerpen (art. 6.1 E.V.R.M.) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek - Verslag Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 1998/AR/816 INZAKE VAN : Mevrouw N. I., wonende appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 J.uari 1989, vertegenwoordigd door Meester Vera VERREET, advocaat te 1860 MEISE, Mankevosstraat 23, 1ste kamer TEGEN : De B.V.B.A. MEYBO, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1740 T., Bodegemstraat 188, ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder het nummer 310.228, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Geert DE CUYPER, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30, Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.: - het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (18de kamer) op tegenspraak uitgesproken op 8 J.uari 1998, op 18 februari 1998 aan appellante betekend; - het verzoekschrift tot hoger beroep, op 17 maart 1998 ter griffie van het hof neergelegd; - de conclusie van appellante, syntheseconclusie en tweede syntheseconclusie; - de conclusie, aanvullende conclusie, syntheseconclusie en laatste syntheseconclusie van geïntimeerde. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 8 juni 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. Voorwerp van de vordering

  1. De oorspronkelijke vordering van huidige geïntimeerde, ingesteld bij dagvaarding van 20 december 1994, strekte ertoe huidige appellante te veroordelen tot betaling van 877.777 BEF in hoofdsom uit hoofde van factuur nr. 94/008 en 131.666 BEF uit hoofde van het forfaitair schadebeding en 34.630 BEF uit hoofde van de conventionele interesten, hetzij een totaal bedrag van 1.044.073 BEF, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten. Eiseres vorderde minstens een provisioneel bedrag van 500.000 BEF en het consigneren van het saldo op een geblokkeerde rekening op naam van beide advocaten.
  2. Mevrouw I. besloot tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering wegens nietigheid van de dagvaarding of van de betekening ervan, minstens tot de ongegrondheid ervan of tot de verzending ervan naar de rol in afwachting van het verloop van het in kort geding bevolen deskundigenonderzoek.
  3. Bij een eerste uitvoerbaar verklaard vonnis van 27 februari 1995 heeft de eerste rechter de vordering ontvankelijk verklaard en reeds gegrond ten belope van 300.000 BEF provisioneel; voor het overige werd de zaak naar de algemene rol verzonden. Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep ingesteld.
  4. Na neerlegging van het verslag van deskundigenonderzoek d.d. 23 april 1996 vorderde de BVBA Meybo 618.293 BEF, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de gerechtskosten.
  5. Mevrouw I. besloot tot de ongegrondheid van de vordering en vroeg "haar akte te verlenen dat eiseres bij compensatie een bedrag van 98.585 BEF in hoofdorde verschuldigd is", minstens eiseres af te wijzen van haar vordering m.b.t. het schadebeding en de conventionele interesten. Bij haar laatste conclusie vroeg mevrouw I. "haar akte te verlenen dat eiseres bij wijze van compensatie met de tegenvordering ad 586.318 BEF (586.318 BEF - 471.177 BEF) van concluante, 115.141 BEF verschuldigd is, in subsidiaire orde met de tegenvordering ad 516.362 BEF, 45.185 BEF aan concluante verschuldigd is". Zij stelde een tegeneis in en vorderde 586.318 BEF, te vermeerderen met de "gerechtelijke interesten sedert 7 november 1994" en de gerechtskosten en, ondergeschikt, een bedrag van 516.177 BEF (of 516.362 BEF ?), te vermeerderen met de "gerechtelijke interesten sedert 7 november 1994" en de gerechtskosten.
  6. Het bestreden vonnis verklaarde de hoofdvordering en de tegenvordering (nogmaals) ontvankelijk, de hoofdvordering deels gegrond en de tegenvordering ongegrond. Huidige appellante werd veroordeeld tot betaling van 456.377 BEF in hoofdsom, plus een bedrag van 90.765 BEF ten titel van schadebeding, conventionele interesten aan 12 % per jaar op de som van 756.377 BEF vanaf 18 augustus 1994 tot 21 december 1994 en de gerechtelijke interesten op 456.377 BEF vanaf 21 december
  7. Mevrouw I. werd veroordeeld tot 4/5den en de BVBA Meybo tot 1/5de van de gerechtskosten, inclusief kosten van het deskundigenonderzoek. II. Procedure voor het hof
  8. Voor het hof vraagt appellante het bestreden vonnis te hervormen en, opnieuw rechtsprekende, de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren, minstens het schadebeding en de conventionele interesten te reduceren, en geïntimeerde te veroordelen tot alle gerechtskosten. Zij vordert verder geïntimeerde te veroordelen om, na compensatie, 4.007,10 euro aan haar te betalen, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten.
  9. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en stelt incidenteel beroep in waarbij zij vraagt haar oorspronkelijke vordering integraal in te willigen en appellante te veroordelen tot betaling van 15.327,08 euro , te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 21 december 1994 op 11.680,17 euro . III. Relevante feitelijke gegevens
  10. Partijen sloten op 12 J.uari 1993 een aannemingsovereenkomst af m.b.t. ruwbouw en dakwerken (incl. afvoerbuizen voor regenwater) van een woning te T., T.straat 35, met dokterspraktijk, volgens lastenboek en meetstaat opgesteld door architect J. L. te T.. De totale aanneming bedroeg 5.156.808 BEF, BTW exclusief. De contractuele termijn eindigde op 1 september
  11. De werken werden in afzonderlijke aannemingen uitgevoerd.
  12. Tijdens de werken heeft mevrouw I., hierna de opdrachtgever, klachten bij brief van 17 juli 1993 uitgedrukt. De aannemer protesteerde tegen de onterechte opmerkingen van de opdrachtgever en dreigde met een stopzetting van de werken (brief van 14 augustus 1993).
  13. Een p.v. van voorlopige oplevering werd op 10 februari 1994 opgesteld. De kopie ervan, door geïntimeerde voorgelegd, is praktisch onleesbaar. Het p.v. bevat een aantal opmerkingen, in het bestreden vonnis weergegeven als volgt: a. bemerkingen i.v.m. nog uit te voeren voegwerken, met inbegrip van het vervangen van beschadigde stenen, bijkomende grondaanvullingen, het herstellen van het voetpad (waarvoor contact zou opgenomen worden met het gemeentebestuur van T.), het afwerken van de schouw in de living, bepaalde zaken in de keuken / living ontbraken, het aanvullen van de riolering achteraan in de praktijk, verL.htingsroosters in douche logeerkamer en badkamer en een verL.htingrooster in het W.C. (door de elektrieker te plaatsen met een afzuigmotor); b. werken in min of in meer, te regelen bij de afrekening van de voegwerken; c. zichtbare gebreken, zijnde een niet opgevoegde berging (zou worden bepleisterd), niet volledig gevulde kolommen in de living, vochtproblemen in de wachtzaal en een zettingscheur boven de logeerkamer. Het p.v. houdt geen opmerking in m.b.t. de naleving van de uitvoeringstermijn of vertragingsboetes.
  14. Op 18 augustus 1994 stelde de aannemer, de eindfactuur op voor het saldo van 728.446 BEF + BTW = 877.777 BEF of 21.759,52 euro (na betaling van voorschotten voor het totaal van 4.800.000 BEF + BTW, volgens facturen tussen 3 mei en 22 september 1993).
  15. De raadsman van de opdrachtgever protesteerde de factuur bij brief van 10 oktober 1994 en somde de klachten van zijn cliënte op, inclusief nieuwe gebreken, zijnde

(1)een ernstig vochtprobleem in de living en consultatieruimte met weerslag op de elektriciteitsinstallatie en
(2)toename van vloeistof in de mazouttank. Hij besloot dat de werken niet konden opgeleverd worden. Hij stelde een vrijwillige verschijning van partijen voor met het oog op de aanstelling van een gerechtsdeskundige.
  1. De raadsman van de aannemer betwistte de grieven en verklaarde akkoord te kunnen gaan met de vrijwillige verschijning doch enkel mits betaling van een provisie van 500.000 BEF en consignatie van het saldo op een geblokkeerde rekening.
  2. De opdrachtgeefster liet op 7 november 1994 de aannemer en de architect in kort geding dagvaarden. Architect D. werd als deskundige aangesteld (beschikking van 17 november 1994). Hij sloot op 23 april 1996 zijn verslag af. De deskundige stelde vast dat de werken het voorwerp van een voorlopige oplevering hadden uitgemaakt en wees de klachten? voor zichtbare gebreken af. Hij legde finaal de verbeteringswerken aan de glasdallen (slabben), aan andere slabben en aan de stalen ligger ten laste van de aannemer (58.600 + 32.000 + 10.000 BEF). Hij berekende ook de vergoeding voor de opgelopen vertraging op 21 dagen x 3.000 BEF per dag = 63.000 BEF, waarover hij aan de rechtbank de beslissing overliet.
  3. Mevrouw I. verklaarde in het jaar 2001, dit is hangende huidig geding voor het hof, te hebben vastgesteld dat de waterdruk in het verwarmingsysteem plots wegviel. Zij raadpleegde deskundige B. die op 17 juli 2001 een verslag opmaakte m.b.t. vastgestelde corrosie van de stalen verwarmingsbuizen, te wijten aan waterinfiltraties in de chape. Deskundige B. wees op de niet-uitvoering van de afwateringsslabben in de spouw of verkeerde plaatsing ervan.
  4. Op 12 december 2001 dagvaardde appellante zowel geïntimeerde als de architect en de aannemer van de verwarming. Mevrouw I. vorderde schadevergoeding en de aanstelling van een deskundige. De rechtbank van eerste aanleg te Brussel stelde bij vonnis van 21 december 2001 Ingenieur-architect L. H. als deskundige aan. Dezelfde deskundige werd bij vonnis van 6 september 2002 door de rechtbank aangesteld na dagvaarding door mevrouw I. van de N.V. De Marie, aannemer van de terraswerken. Deskundige H. sloot op 6 J.uari 2004 zijn eindverslag af. Hij stelde vast dat waterdichtingsslabben ter plaatse van de dorpels overal ontbraken. Dit werd als de eerste oorzaak van de schade aangehouden (naast de kwaliteit van de CV-buizen en de slechte staat van de plastische dichtingen van de voeg tussen ruwbouw en ramen). De totale kostprijs voor de herstelling werd geraamd op 28.841,70 euro en de genotsderving op 4.932,82 euro . De zaak, ingeschreven op de algemene rol van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel onder nummer AR 01/15223/A is nog steeds voor deze rechtbank hangende. Volgens geïntimeerde is de zaak voor pleidooien vastgesteld "in het voorjaar 2010". IV. Bespreking
  5. Het geschil tussen partijen i.v.m. de (verergering van de) schade aan de gelijkvloerse verdieping dat het voorwerp uitmaakt van de tweede procedure voor de rechtbank van eerste aanleg, aldaar nog hangende, en van de expertise van deskundige H., wordt hierna niet onderzocht, evenmin als de inhoud van het deskundige verslag van 6 J.uari
  6. De vorderingen van partijen dienen in het kader van deze procedure en dus door de eerste rechter te worden behandeld.
  7. Appellante heeft na mededeling van het voorverslag van deskundige D. weliswaar geen opmerkingen hierover gemaakt. Deze houding kan van kwade wil getuigen maar de omstandigheid dat een partij geen opmerkingen heeft gemaakt aan de deskundige ontneemt haar niet het recht om haar grieven i.v.m. het deskundigenverslag aan de beoordeling van de rechter te onderwerpen (art. 6.1 E.V.R.M.) .
  8. Voor de eerste rechter maakte de aannemer aanspraak op de betaling van 471.177 BEF of 11.680,17 euro : Saldo factuur (zie randnummer 12): 877.777 BEF Af te trekken voorschot in uitvoering van het vonnis van 27 februari 1995: - 300.000 BEF Af te trekken: schadevergoeding toegekend door deskundige D. (zie nummer 15 ): - 106.600 BEF 471.177 BEF De eerste rechter heeft aan geïntimeerde het gevorderde bedrag toegekend onder aftrek van 18.000 BEF genotsderving (6 maanden x 3.000 BEF per maand i.p.v. 6 x 1.000 BEF zoals door de deskundige geschat) en van twee niet geleverde verL.htingsdallen (2.800 BEF). Appellante werd dus veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van 456.377 BEF (thans 11.313,29 euro ), te vermeerderen met de conventionele interesten en het conventionele schadebeding respectievelijk herleid tot 10 % per jaar en 12 %.
  9. Appellante houdt voor het hof voor dat bepaalde bedragen of posten nog in mindering dienen gebracht te worden. Het hof onderzoekt hierna deze posten.
  10. De vertragingsboete. Appellante maakt vooreerst aanspraak op een vergoeding van 4.536,44 euro (183.000 BEF) wegens "vertraging van oplevering", zijnde een dagelijkse vergoeding van 3.000 BEF x 61 werkdagen. Artikel 01.143 van het lastenboek ruwbouw (p. 8) bepaalt: "Afhoudingen en boeten voor vertraging: 3.000 BEF per werkdag vertraging". De uitvoeringstermijn werd contractueel bepaald op 1 september 1993 (artikel 00.400 van het lastenboek). Partijen zijn overeengekomen dat de tienjarige aansprakelijkheid vanaf de datum van de voorlopige oplevering begon te lopen (lastenboek, artikel 01.310). De eerste rechter stelde vast dat het proces-verbaal van voorlopige oplevering van 10 februari 1994 met geen woord rept over enige vertragingsboete, wat niet betwist wordt. Hij oordeelde verder: Overwegende dat, nu het proces-verbaal van voorlopige oplevering geen gewag maakte van enige vertraging in de werken, daar waar dergelijk bescheid melding moet maken van alle zichtbare gebreken en alsdan gekende contractuele tekortkomingen, geen vertragingsboete kan toegekend worden. Het lastenboek bepaalt niet dat de vertragingsboete van rechtswege door de aannemer verschuldigd is. Het kwam bijgevolg de opdrachtgever toe om de aannemer in gebreke te stellen zijn werken te beëindigen (artikel 1146 van het Burgerlijk Wetboek) . Te dezen werd de aannemer effectief door appellante aangemaand bij brief van 17 juli 1993 ("Wij staan erop dat (...) ook de nog uit te voeren werken binnen de vastgestelde termijn t.t.z. op 1 september 1993 klaar zullen zijn. Zo niet wensen wij aanspraak te maken op de afgesproken boeteclausule"). Het blijkt niet dat appellante nadien heeft afgezien van haar aanspraken op de betaling van een vertragingsboete. Geïntimeerde stelt ten onrechte dat de vertraging zou "gedekt zijn" door de voorlopige oplevering. Uit geen contractuele bepaling blijkt dat het recht van de opdrachtgever op de contractuele vertragingsboete afhankelijk is van een uitdrukkelijk voorbehoud in het p.v. van voorlopige oplevering, vooral indien, zoals te dezen, de aannemer in gebreke werd gesteld om de uitvoeringstermijn na te leven. De vertraging gedurende 61 werkdagen wordt door geïntimeerde niet betwist. Het hoger beroep is gegrond in zoverre het gericht is tegen de afwijzing van de vordering van appellante op dit punt.
  11. Appellante vordert bovendien betaling van "de door de deskundige aanbevolen werken". Zij stelt dat de werkelijk (aan Ternaco) tijdens het deskundigenonderzoek betaalde kosten dienen te worden vergoed "aangezien de deskundige zelf deze werken als nodig voorgehouden had en deze werken achteraf gezien ook waren". Dit is echter een verkeerde interpretatie van het verslag van deskundigenonderzoek. In zijn tussentijds verslag van 21 augustus 1995 had de deskundige immers de verwijdering van de glasdallen als destructief onderzoek vooropgesteld (verslag nr. 4.2.5) maar wel "onder voorbehoud van vaststelling van afbraak en later ten laste van wie het zal behoren". Naderhand (23 april 1996) heeft de deskundige "vastgesteld dat de volledige afbraak van de muur in glasdallen kon vermeden worden". De deskundige had kennis van de facturen van Ternaco en heeft desondanks slechts de kostprijs (58.600 + 32.000 BEF) aangehouden. Appellante bewijst geen fout van de aannemer om haar vordering te rechtvaardigen.
  12. Appellante haalt verder correcties op de saldofactuur van geïntimeerde aan. Zoals hierboven uiteengezet heeft de eerste rechter al rekening gehouden met een aftrek voor twee niet geleverde verL.htingsdallen (2.800 BEF of 69,41 euro )). De post "aansluiting straatriolering" werd niet "ten onrechte aangerekend" nu de aannemer deze werken heeft uitgevoerd. De eindfactuur werd op dit punt overigens niet tijdig betwist. De eerste rechter heeft terecht beslist "dat het breekwerk in de gevelstenen zijn oorzaak vond in de beslissing van (appellante) om de oorspronkelijk voorziene sectionale poort te vervangen door een kantelpoort, en dit nadat ( geïntimeerde de metselwerken met het oog op de plaatsing van laatstgeviseerde poort reeds had uitgevoerd (zie punt 2.7.4 van het deskundig verslag)". Appellante dient immers de financiële gevolgen van haar beslissing te dragen. De omstandigheid dat dit werk in het p.v. van voorlopige oplevering opgenomen wordt is irrelevant. De post "opening naar de zoldering" (29.044 BEF of 719,98 euro ) werd daarentegen ten onrechte aangerekend. Contractueel dienden alle openingen te worden berekend in de eenheidsprijs van staal en betonbekisting en metselwerk (lastenboek en meetstaat, artikel 14.090 ). Geïntimeerde toont niet aan dat hij meerwerken diende uit te voeren ingevolge een door appellante besliste wijziging.
  13. De herstelwerken aan de stoep werden tenslotte terecht door de eerste rechter afgewezen. Thans nog levert appellante geen enkel bewijs noch dat zij deze werken heeft moeten betalen, noch dat zij deze werken zelf (of via haar vader) heeft laten uitvoeren. Uit de stukken van de gemeente blijkt integendeel dat de gemeente zelf de herstelwerken op zich heeft genomen. Het wordt niet aangetoond dat appellante ooit de kosten ervan diende terug te betalen.
  14. De door de eerste rechter toegekende genotsderving (18.000 BEF) wordt niet langer betwist. De factuur voor reparatie van de verwarming (54.090 BEF), factuur voor herstel vloer (11.970 BEF), herstelling gelijkvloers (3.295,19 euro ) en genotsderving tweede infiltratie (892,40 euro ) zullen in het kader van de tweede procedure voor de eerste rechter behandeld worden (zie randnummer 18). Het bestreden vonnis wordt bijgevolg deels hervormd in zoverre de afrekening van de door appellante na compensatie verschuldigde som herleid wordt tot 456.377 BEF (of 11.313,29 euro ) min vertragingsboete (183.000 BEF of 4.536,44 euro ) en min onterecht gefactureerde kosten voor opening naar de zoldering (29.044 BEF of 719,98 euro ), te weten een saldo van 244.333 BEF of 6.056,86 euro .
  15. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre de eerste rechter het schadebeding en de conventionele interesten toekende en respectievelijk tot 12 % en 10 % herleidde. De eerste rechter heeft artikelen 1153 en 1231 § 1 van het Burgerlijk Wetboek oordeelkundig toegepast. Het incidenteel beroep is ongegrond. Het schadebeding moet echter, gelet op hetgeen hierboven werd beslist, herberekend worden als volgt: 244.333 BEF + 300.000 BEF = 544.333 BEF x 12 % = 65.320 BEF of 1.619,24 euro . De conventionele interesten aan 10 % (en niet 12 % zoals in het beschikkend gedeelte van het bestreden vonnis vermeld) worden toegekend op dezelfde som van 544.333 BEF (13.493,66 euro ) vanaf 18 augustus 1994 tot 21 december 1994 en de gerechtelijke interesten op 244.333 BEF (6.056,86 euro ) vanaf 21 december
  16. De gerechtskosten Beide partijen hebben ter zitting verklaard hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Hierbij zal het hof rekening houden met de in de laatste conclusie gevorderde bedragen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre het de vorderingen ontvankelijk verklaarde en de gerechtskosten begrootte. Opnieuw beslissende voor het overige, veroordeelt appellante tot betaling aan geïntimeerde, na compensatie, van 6.056,86 euro , plus 1.619,24 euro ten titel van schadebeding en conventionele interesten aan 10 % op 13.493,66 euro vanaf 18 augustus 1994 tot en met 20 december 1994 en de gerechtelijke interesten op 6.056,86 euro vanaf 21 december
  17. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst elke partij in de helft van de gerechtskosten van beide aanleggen. Begroot de kosten van het hoger beroep - in hoofde van appellante op euro 1.285,926 (185,92 rolrecht + 1.100 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.100 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare buitengewone terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard J.SSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. J.SSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.