← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090730.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090730.3 Rolnummer: 2005AR2018 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-02 Raadplegingen: 144 - laatst gezien 2026-07-02 20:08 Fiche

  1. Naar luid van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilie, stelt de voorzitter 'het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu.' Een goede ordening van de ruimte maakt deel uit van het te beschermen leefmilieu in de zin van de wet van 12 januari 1993 . Een inbreuk op de wetgeving inzake ruimtelijke ordening kan dus een inbreuk vormen bedoeld in artikel
  2. Om het bestaan vast te stellen van een 'kennelijke' inbreuk moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen .
  3. De GOLF PRACTICE CLUB erkent dat het golfterrein te Overijse zonevreemd is, maar stelt dat dit geen misdrijf is. Dat laatste is echter geen vereiste voor de toepassing van artikel 1 van de wet van 12 januari
  4. Artikel 64 Stedenbouwwet en artikel 66 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (verder aangeduid als stedenbouwdecreet 1996) noemden strafbaar wie 'door het uitvoeren van werken, het in stand houden ervan, door het verkavelen van grondeigendom of hoe dan ook inbreuk maken op de voorschriften van de bijzondere plannen van aanleg...'. Het hof onderlijnt het 'hoe dan ook': het gebruik als golfterrein was dus wel een misdrijf. Anders dan de GOLF PRACTICE CLUB verdedigt, is het zonder belang dat het gebruik van het terrein als golfterrein was aangevangen voor het bpa (goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 14 april 1989). Het verder gebruiken na de inwerkingtreding van het bpa was immers een misdrijf.
  5. Het golfterrein ligt in casu deels in bosgebied, en dus in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Zoals vermeld is het niet vereist dat een inbreuk strafbaar is om beschouwd te worden als een kennelijke inbreuk in de zin van artikel 1 van de wet van 12 januari
  6. Omgekeerd is het evident dat de inbreuk die een misdrijf is volgens wetsbepalingen betreffende de ruimtelijke ordening en (dus) de bescherming van het milieu een inbreuk vormt in de zin van artikel
  7. Dat geldt dus voor het gedeelte bosgebied.
  8. Voor wat de inbreuk op de bestemming in agrarisch gebied betreft, is de opheffing van het strafbare karakter zonder belang voor de beoordeling onder artikel 1 van de wet van 12 januari
  9. De opheffing van het strafbare karakter van feiten die voorheen een misdrijf uitmaakten heeft immers alleen het verval van de strafvordering tot gevolg; die wijziging heeft niet tot gevolg dat deze feiten niet langer een fout zouden zijn . De inbreuken kunnen niet meer gestraft worden, maar blijven wel inbreuken. Ook los van de strafbaarstelling staat vast dat in casu het gebruik van het terrein met miskenning van de bestemming in het gewestplan en het bpa, normen die van openbare orde zijn, een manifeste inbreuk is.
  10. Het is even evident dat de inbreuk het milieu aantast. Het gebruik van als agrarisch en bos bestemd gebied als golfterrein verstoort de normale ontwikkeling van fauna en flora die voorkomen in voor landbouw en als bos gebruikt terrein, alleen al door de continue aanwezigheid van gebruikers en bezoekers en hun voertuigen, de monocultuur van gewassen, de intensieve maaibeurten en het gebruik van bijzondere meststoffen en bestrijdingsmiddelen voor het golfgazon, en het geluid van gebruikers en van het onderhoud.
  11. Het bovenstaande volstaat om de stopzetting te bevelen van het gebruik van het terrein door de GOLF PRACTICE CLUB als golfterrein... Ten slotte kan de vordering niet worden afgewezen op grond van een afweging van belangen. In de omstandigheden van de zaak kan niet worden aangenomen dat een ondernemingsbelang dat berust op een wetens en willens geschapen onwettige toestand, of het belang van de individuele gebruikers van het golfterrein zwaarder weegt dan op het algemeen belang dat wordt beschermd door de overtreden regels. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Inbreuken en sancties PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieubeleid - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvorderingen Vrije woorden: Vlaams Gewest. Aanlegging van een golfterrein te Overijse. Inbreuken op art. 44, wet van 29 maart 1962 op de ruimtelijke ordening? Quid toepassing van de artikelen 146 en 192 van het cedreet van 18 mei
  12. Draagwijdte van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. Gofterrein dat wordt aangelegd gedeeltelijk in bosgebied, en gedeeltelijk in agrarisch gebied. Vordering tot staking en hetstel. Dwangsom. Onderzoeksmaatregel. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/2018- 2006/AR/1736-2006/AR/1833 Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu I. A.R. nr. 2005/AR/2018 INZAKE VAN : 1) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, 1ste kamer 2) De GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE VLAAMS BRABANT, in naam van het VLAAMSE GEWEST, de heer J. MELLAERTS, waarvan het kantoor gevestigd is te 3000 LEUVEN, Blijde Inkomststraat 103-105, 3) De heer J. MELLAERTS, GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, waarvan het kantoor gevestigd is te 3000 LEUVEN, Blijde Inkomststraat 103-105, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 10 juni 2005, vertegenwoordigd door Meester Philippe DECLERCQ , advocaat te 3010 LEUVEN sectie KESSEL-LO, Tiensesteenweg 271, TEGEN : 1) De B.V.B.A. GOLF PRACTICE CLUB, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3090 OVERIJSE, Gemslaan 55, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 500.300 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0428.845.611, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jan GHYSELS, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187, II. A.R. nr. 2006/AR/1736 INZAKE VAN : 1) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, 2) De GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE VLAAMS BRABANT, in naam van het VLAAMSE GEWEST, de heer J. MELLAERTS, waarvan het kantoor gevestigd is te 3000 LEUVEN, Blijde Inkomststraat 103-105, 3) De heer J. MELLAERTS, GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, waarvan het kantoor gevestigd is te 3000 LEUVEN, Blijde Inkomststraat 103-105, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 april 2006, vertegenwoordigd door Meester Philippe DECLERCQ , advocaat te 3010 LEUVEN sectie KESSEL-LO, Tiensesteenweg 271, TEGEN : 2) De B.V.B.A. GOLF PRACTICE CLUB, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3090 OVERIJSE, Gemslaan 55, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 500.300 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0428.845.611, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jan GHYSELS, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187, IN AANWEZIGHEID VAN : 1) Het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3090 OVERIJSE, in het gemeentehuis, Justus Lipsiusplein 9, 2) De GEMEENTE OVERIJSE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3090 OVERIJSE, in het gemeentehuis, Justus Lipsiusplein 9, 3) De heer Dirk BRANKAER, in zijn hoedanigheid van burgemeester van de gemeente OVERIJSE, wonende te 3090 OVERIJSE, Eeuwfeestplein 9 opgeroepen partijen, vertegenwoordigd door Meester Igor ROGIERS, advocaat te 9270 KALKEN, Kalkendorp 17A, EN III. A.R. nr. 2006/AR/1833 INZAKE VAN : 1) Het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3090 OVERIJSE, in het gemeentehuis, Justus Lipsiusplein 9, 2) De GEMEENTE OVERIJSE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3090 OVERIJSE, in het gemeentehuis, Justus Lipsiusplein 9, 3) De heer Dirk BRANKAER, in zijn hoedanigheid van burgemeester van de gemeente OVERIJSE, wonende te 3090 OVERIJSE, Eeuwfeestplein 9 appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 april 2006, vertegenwoordigd door Meester Igor ROGIERS, advocaat te 9270 KALKEN, Kalkendorp 17A, 4) De V.Z.W. VLAAMSE JONGEREN, vereniging zonder winstgevend doel, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3090 OVERIJSE, Heuvelstraat 46, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 415.248.090, vertegenwoordigd door haar Raad van Bestuur, hiertoe gemandateerd door de Algemene Vergadering krachtens de artikelen 12 en 14 van de statuten bij beslissing van 17 juni 2006, vrijwillig tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Meester Hedrik SCHOUKENS loco Meester Peter DE SMEDT, advocaat te 9000 GENT, Kasteellaan 141, TEGEN : 1) De B.V.B.A. GOLF PRACTICE CLUB, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3090 OVERIJSE, Gemslaan 55, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 500.300 en ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0428.845.611, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jan GHYSELS, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187, 2) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, 3) De GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE VLAAMS BRABANT, in naam van het VLAAMSE GEWEST, de heer J. MELLAERTS, waarvan het kantoor gevestigd is te 3000 LEUVEN, Blijde Inkomststraat 103-105, 4) De heer J. MELLAERTS, GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, waarvan het kantoor gevestigd is te 3000 LEUVEN, Blijde Inkomststraat 103-105, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Philippe DECLERCQ , advocaat te 3010 LEUVEN sectie KESSEL-LO, Tiensesteenweg 271,
  13. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over hogere beroepen tegen vonnissen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 10 juni 2005 en 25 april
  14. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis van 10 juni 2005 werd betekend aan het VLAAMSE GEWEST op 29 juni 2005 en aan OVERIJSE op onbepaalde datum. Het VLAAMSE GEWEST en de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR en MELLAERTS hebben hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 26 juli
  15. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld. Het blijkt niet dat het hoger beroep van OVERIJSE tegen het vonnis van 25 april 2006 niet tijdig is ingesteld; het is regelmatig naar vorm. De hogere beroepen zijn samenhangend, en het hof voegt ze.
  16. De feiten De eerste rechter heeft in het vonnis van 10 juni 2005 de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " De BVBA Golf Practice Club heeft in 1986 een golfterrein aangelegd te Overijse, aan de Gemslaan, op de percelen kadastraal gekend onder sectie N, nr. 42m8, 42n8, 42p8 en 42t
  17. Volgens het Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (vastgesteld bij KB van 7 maart 1977) en het BPA Hoog Jezus Eik (goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 14 april 1989) bevindt dit terrein zich deels in agrarisch gebied en deels in bosgebied. De toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften bevatten zowel wat betreft het agrarisch gebied als het bosgebied, verbodsbepalingen voor het inrichten of het gebruiken van het betreffende terrein "als sport-, wedstrijd- of speelterrein" (artikel 7.2 en 4.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA). Eisende partijen [het VLAAMSE GEWEST en de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR] verwijten aan de BVBA Golf Practice Club enerzijds dit zonevreemd gebruik als golfterrein, maar ook anderzijds een heel aantal daden van ongeoorloofde reliëfwijziging, van ongeoorloofde wijziging in gebruik van bouwwerken, van ongeoorloofde geschiktmakingswerken van de grond voor de golfsport. In november 1988 werden inderdaad door de BVBA Golf Practice Club een aantal aanlegwerken verricht, die voordien aanleiding waren geweest voor een vergunningsaanvraag en een weigeringsbeslissing (op 19 augustus 1987), en nadien het voorwerp werden van een reeks processen-verbaal opgesteld tot vaststelling van deze beweerde inbreuken, van bevelen van stopzetting van werken, van burgerlijke (in 1988) en correctionele gerechtelijke procedures (in 1990-92), alle op initiatief van de gemeente Overijse. In 1995 werd een herstelvordering ingesteld tegen de BVBA Golf Practice Club wegens beweerde ongeoorloofde plaatsing van reclameborden. In 1999 werd tevens een herstelvordering ingesteld tegen de BVBA Golf Practice Club wegens beweerde ongeoorloofde plaatsing van een tentconstructie. Ook verwijten eisende partijen aan de BVBA Golf Practice Club het beweerde ongeoorloofde aanbrengen van afdaken, parking, tuinhuizen, vijvers en verhardingen die het voorwerp uitmaken van het PV van 6 maart
  18. De uitbating van het golfterrein is echter tot op heden steeds verder gezet, zonder dat tot op heden door enige rechtbank stopzettingsmaatregelen of herstelmaatregelen werden bevolen of bekrachtigd. Menende dat al deze werken van recreatieve aard en het in stand houden ervan strijdig zijn: - met de artikelen 11 en 12 inzake agrarische en bosgebieden van het KB van 29 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, - met de artikelen 4 en 7 van het BPA - met het behoud van de potentiële aanwezige natuurwaarden, - met de grootschalige residentiële bebouwing die de goede ruimtelijke ordening kenmerkt, - met artikel 36ter §3 en §6 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, met verwijzing naar de Habitatrichtlijn 92/43 EEG en het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de habitatrichtlijngebieden, - in ondergeschikte orde, ook met artikel 14 van het natuurbehoudsdecreet, en met het oog op het stopzetten van de verdere schending van het milieu, veroorzaakt door deze beweerde voortdurende inbreuken en de instandhouding van de bouwwerken, hebben eisende partijen op grond van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu (BS 19 februari 1993) bij dagvaarding van 19 oktober 2004 de BVBA Golf Practice Club gedagvaard voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg zetelend zoals in kort geding. "
  19. Het onderwerp van de vordering 3.
  20. Voor de eerste rechter vorderden het VLAAMSE GEWEST en de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR aan de GOLF PRACTICE CLUB de staking te bevelen van het strijdig gebruik van de terreinen, gelegen te Overijse, Gemslaan sectie N, nr. 42m8, 42n8, 42p8 en 42t8, voor de uitoefening van de golfsport, evenals tot het herstel in de vorige staat, wat betreft de reliëfwijzigingen en alle werken en constructies opgesomd in de inleidende dagvaarding, met daarin ook een gedetailleerde beschrijving van wat er in het herstel dient begrepen te worden. J. MELLAERTS (de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR) kwam vrijwillig tussen in eigen naam. De GOLF PRACTICE CLUB concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. Zij vroeg de rechtbank alvorens recht te doen prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. In deze zaak, met rolnummer 2004/13037, deed de voorzitter uitspraak bij vonnis van 10 juni
  21. Hij verklaarde de vrijwillige tussenkomst van J. MELLAERTS niet ontvankelijk, en verklaarde de vordering van het VLAAMSE GEWEST en de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR ontvankelijk. Hij stelde volgende kennelijke inbreuken vast op de milieuwetgeving: - Schending van artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 betreffende de ruimtelijke ordening voor het uitvoeren van reliëfwijzigingen en het bouwen van afdaken, verhardingen, reclameborden, zonder voorafgaande vergunning; - Schending van artikel 192bis van het decreet van 18 mei 1999 door bestemmingswijziging van het gebouw, zonder voorafgaande vergunning. Hij stelde echter de verjaring vast van deze aflopende misdrijven, en verklaarde de vordering tot staking en herstel ongegrond. Tegen dit vonnis is huidig beroep gericht van het VLAAMSE GEWEST en de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR, met rolnummer 2005/AR/
  22. Tegen dit vonnis werd ook derdenverzet ingesteld door het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, de GEMEENTE OVERIJSE, en door D. BRANKAER, BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE OVERIJSE; deze zaak kreeg het rolnummer 2005/
  23. Bovendien stelden het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, de GEMEENTE OVERIJSE, en burgemeester BRANKAER ook een afzonderlijke vordering tot staken in tegen de GOLF PRACTICE CLUB; deze zaak kreeg het rolnummer 2005/
  24. Daarin kwamen het VLAAMSE GEWEST, de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR en J. MELLAERTS vrijwillig tussen, en hernamen zij hun oorspronkelijke vordering tot staking en herstel. 3.
  25. Bij vonnis van 25 april 2006 deed de voorzitter uitspraak in de zaken met rolnummer 2005/11205 en 2005/11352, die hij samenvoegde. Hij deed het vonnis van 10 juni 2005 teniet, en verklaarde de vordering van J. MELLAERTS niet ontvankelijk en die van de overige eisende en tussenkomende partijen ontvankelijk. Hij stelde volgende kennelijke inbreuken vast op de milieuwetgeving: - Schending van artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 betreffende de ruimtelijke ordening voor het uitvoeren van reliëfwijzigingen en het bouwen van afdaken, verhardingen, reclameborden, zonder voorafgaande vergunning; - Schending van artikel 192bis van het decreet van 18 mei 1999 door bestemmingswijziging van het gebouw, zonder voorafgaande vergunning; - Schending van artikel 146 van het decreet van 18 mei 1999 door het in stand houden van de niet vergunde bestemmingswijziging, reliëfwijzigingen en constructies. Hij verklaarde de vordering tot staking en herstel ongegrond op grond van een opportuniteitsbeoordeling. Tegen dit laatste vonnis zijn huidige beroepen gericht van het VLAAMSE GEWEST, de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR en J. MELLAERTS (met rolnummer 2006/AR/1736) en dat van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, OVERIJSE zelf en haar burgemeester BRANKAER (met rolnummer 2006/AR/1833). 3.
  26. In hoger beroep hernemen het VLAAMSE GEWEST, de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR en J. MELLAERTS ( in de zaken met rolnummer 2005/AR/2018, 2006/AR/1736 en 2006/AR/1833) hun oorspronkelijke vordering, die ze formuleren als volgt: "geïntimeerde te veroordelen tot een staking van het strijdig gebruik van de terreinen voor de uitoefening van de golfsport, evenals tot het herstel in de vorige staat wat betreft de reliëfwijziging en alle voornoemde werken en constructies; Verder dient er langsheen de volledige begrenzing met het bos van Marnix aan de noord- en oostkant van het terrein een bufferzone ingesteld te worden met een minimale breedte van 30 m duidelijk zichtbaar afgebakend t.o.v. de rest van het in de oorspronkelijke staat en functie te herstellen terrein; De poel gelegen in de noordoostelijke hoek van het terrein dient mee opgenomen te worden in deze buffer; Voor het beboste gedeelte op het perceel 42t8 en deze bufferzone moet voorafgaandelijk een voorstel van inrichtings- en beheersplan ter goedkeuring worden voorgelegd aan de afdeling Bos en Groen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Waaistraat 1, 3000 Leuven; Dit plan dient minstens een voorstel van beplantingsplan te bevatten voor een boszoom met een minimale breedte van 10 m over de volledige lengte aan te leggen met inheemse en streekeigen boom- en struiksoorten; Het resterende deel van de bufferstrook, incl. een zone rond voormelde poel, dient ingericht en beheerd te worden als extensief hooiland waar slechts een maaibeurt na 15 juli kan worden toegestaan; Voor de poel dient tevens een voorstel tot natuurtechnische inrichting voorgelegd te worden; De beheersmaatregelen in een reeds beboste gedeelte en de boszoom dienen vervat te worden in een voorstel van beperkt bosbeheerplan dat ter goedkeuring aan voormelde afdeling Bos en Groen dient te worden voorgelegd; Ondergeschikt, alvorens recht te doen, een deskundige aan te stellen met als opdracht: "Het perceel gelegen te Overijse, aan de Gemslaan, gekend onder sectie N nrs. 42m8, 42n8, 42p8 en 42t8, te beschrijven, de precieze ligging van het perceel te bepalen in het licht van het gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse, en het BPA Hoog Jezus-Eik, het habitatrichtlijngebied BE2400008-zoniënwoud, de omliggende bossen omschreven in de biologische waarderingskaart, het landschappelijk waardevol karakter van de ankerplaats `Zoniënwoud NO, Kapucijnenbos, Bos van Marnix en Arboretum van Tervuren, de uitgevoerde werken zoals het wijzigen van het reliëf, het aanleggen van de holes, het aanbrengen van vijvers, het aanleggen van een parking en van een afslagplaats, het ontbossen, te beschrijven, de bestaande constructies en het gebruik van de terreinen en constructies te beschrijven, evenals de invloed ervan, inclusief van het zaaien, maaien, sproeien, kappen, lozen, enz ..., op het milieu, inclusief de ruimtelijke ordening, daarbij ook rekening houdende met de door geïntimeerde destijds voor het bekomen van de bouwvergunning (nu stedenbouwkundig vergunning) voor het aanleggen van een golfterrein, ingediende plannen; Het bepalen van richtlijnen nodig om het gebied te herstellen in zijn oorspronkelijke toestand; Te zeggen voor recht dat het college van deskundige (ondergeschikt de deskundige) gerechtigd is zich voor de uitvoering van hun (zijn) opdracht te laten bijstaan door deskundigen van hun keuze, daarin begrepen wetenschappelijke instellingen zoals het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.". Geïntimeerde tevens te veroordelen tot het betalen van een dwangsom ten belope van euro 2.500,00 per dag vertraging in de uitvoering van de opgelegde maatregelen na het verstrijken van de toegestane termijn; Concluanten te machtigen ambtshalve over te gaan tot de afbraak van al de hoger vermelde werken zo geïntimeerde in gebreke blijft deze maatregelen zelf uit te voeren en dit op kosten van geïntimeerde, die gehouden is tot betaling van al deze kosten binnen de 8 dagen na het eenvoudig vertoon van deze stukken; Conform art. 4 van de wet van 12 januari 1993 het vonnis uitdrukkelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder vermogen tot borgstelling, noch kantonnement; " Het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, OVERIJSE en burgemeester BRANKAER hernemen ( in de zaak met rolnummer 2006/AR/1833; in de zaak 2006/AR/1736 zijn zij slechts opgeroepen partij) hun vordering als volgt: "geïntimeerde te veroordelen onder verbeurte van een dwangsom van 10.000,00 EUR per dag vertraging en per overtreding, vanaf de betekening van het tussen te komen arrest, tot de staking van volgende handelingen en werken, daarin begrepen de afbraak en herstel in de vroegere toestand;
  27. onmiddellijke stopzetting van het strijdige gebruik van de terreinen en gebouwen voor de golfsport;
  28. herstel in de vroegere toestand van de wederrechtelijk uitgevoerde reliëfwijzigingen;
  29. verwijdering van alle voornoemde wederrechtelijk uitgevoerde werken en constructies, met name: - alle tentenconstructies; - de parking; - het afdak dat tegen het clubhuis werd geplaatst; - het metalen afhellend afdak dat geplaatst is tegen het bijgebouw naast de woning; - de houten schutting die is geplaatst rondom het onder het vorige streepje vermelde afdak; - het houten tuinhuis met zadeldak dat zich op het einde van de parking bevindt; - het houten tuinhuisje dat zich op ongeveer 117m van de parking bevindt; - de verharding op ongeveer 32 meter van de parking die voor het grootste deel bestaat uit klinkers en voor een deel uit kiezelsteentjes; - de reclameborden die zijn geplaatst naast de toegangsweg.
  30. onmiddellijke stopzetting en herstel in de vroegere toestand van wederrechtelijke vegetatiewijzigingen;
  31. onmiddellijke stopzetting en herstel in de vroegere toestand van wederrechtelijke kappingen en ontbossingen;
  32. onmiddellijke stopzetting van het wederrechtelijk onttrekken van grondwater;
  33. onmiddellijke stopzetting van het wederrechtelijk lozen van afvalwater. Te zeggen voor recht dat het verbeurd zijn van de dwangsom zal kunnen worden bewezen door alle middelen van recht en dat zij in ieder geval zal blijken uit de vaststellingen van de eerst daartoe aangezochte gerechtsdeurwaarder; De gerechtsdeurwaarder bovendien te machtigen om deze vaststellingen te doen buiten de uren en dagen bedoeld in artikel 47 van het Gerechtelijk Wetboek. Appellanten te machtigen over te gaan tot deze afbraak zo geïntimeerde in gebreke blijft deze maatregelen zelf uit te voeren en dit op kosten van geïntimeerde, die gehouden is tot betaling van deze kosten binnen de 8 dagen na het eenvoudig vertoon van deze stukken; tevens geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide procedures, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding; het te wijzen arrest uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement. " De VZW VLAAMSE JONGEREN komt vrijwillig tussen in de zaak met rolnummer 2006/AR/1833 en vordert woordelijk hetzelfde als het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, OVERIJSE en burgemeester BRANKAER, met toevoeging van, in ondergeschikte orde: "alvorens recht te doen, een MER-deskundige (discipline fauna en flora) aan te stellen met als opdracht: het perceel gelegen te Overijse, aan de Gemslaan, gekend onder sectie N nrs. 42m8, 42n8, 42p8 en 42t8 te beschrijven, de precieze ligging van het perceel te bepalen in het licht van het gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse, en het BPA Hoog Jezus-Eik, het habitatrichtlijngebied BE2400008-Zoniënwoud, de omliggende bossen beschreven in de biologische waarderingskaart, het landschappelijk waardevol karakter van de ankerplaats `Zoniënwoud NO, Kapucijnenbos, Bos van Marnix en Arboretum van Tervuren, de uitgevoerde werken zoals het wijzigen van het reliëf, het aanleggen van de holes, het aanleggen van vijvers, het aanleggen van een parking en van een afslagplaats, het ontbossen, te beschrijven, de bestaande constructies en het gebruik van de terreinen en de constructies te beschrijven, evenals de invloed ervan, inclusief het zaaien, maaien, sproeien, kappen, lozen, enz..., op het milieu, inclusief de ruimtelijke ordening, daarbij ook rekening houdende met de door geïntimeerde destijds ingediende plannen. " De GOLF PRACTICE CLUB vraagt in de zaken met rolnummer 2005/AR/2018, 2006/AR/1736 en 2006/AR/1833 de vordering niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering stelt zij derhalve incidenteel hoger beroep in. Zij herneemt ook voor zoveel als nodig haar voorstel tot prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden de artikelen 44, § 1, 1 ° en 64 en 65 van de Stedenbouwwet en de artikelen 42 § 1, 3° eerste, tweede en vijfde lid en artikel 68 DROG en de artikelen 2, 99 § 1, 4° en vijfde alinea en 146, alinea 1, 1 °, 147, 149 en 204 DRO samengelezen met de wet van 12 januari 1993 betreffende de Milieustakingsvordering de artikelen 12 en 14 van de Grondwet door het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem zonder voorafgaande vergunning strafbaar te stellen of op grond daarvan handelingen te verbieden of een herstel te bevelen, omdat om uit te maken wat een aanmerkelijke wijziging is steeds een interpretatie nodig is die maar post factum door de rechter in het kader van een concreet geschil kan gegeven worden, zodat maar eerst post factum komt vast te staan dat er een misdrijf of een inbreuk op de milieuwetgeving gepleegd is? Schenden de artikelen 192bis Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en 146 Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, 7 EVRM en 15 IVBPR door de functiewijziging retroactief met ingang van 9 september 1984 vergunningsplichtig te stellen op straffe van strafrechtelijke veroordeling? "
  34. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen Het vonnis van 25 april 2006 heeft op derdenverzet het vonnis van 10 juni 2005 teniet gedaan. Daarom moeten logischerwijze eerst de hogere beroepen tegen het vonnis van 25 april 2006 beoordeeld worden. 4.
  35. De ontvankelijkheid van de vrijwillige tussenkomst van de VLAAMSE JONGEREN De GOLF PRACTICE CLUB concludeert terecht tot de niet-ontvankelijkheid van de vrijwillige tussenkomst van de VLAAMSE JONGEREN. Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan immers niet voor het eerst in hoger beroep (artikel 813, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek). In burgerlijke zaken kan een partij weliswaar voor de eerste maal in hoger beroep tussenkomen als haar tussenkomst niet strekt tot het verkrijgen van een veroordeling en zij zich daarbij alleen aansluit bij de stellingen van andere partijen . Anders dan de VZW VLAAMSE JONGEREN voorhoudt, sluit zij zich niet zonder meer aan bij de stelling van de andere partijen. Zij vraagt onbetwistbaar een veroordeling van de GOLF PRACTICE CLUB. Zij vraagt haar te veroordelen tot staking en herstel, en vraagt, ingeval de GOLF PRACTICE CLUB zich niet houdt aan een bevel in die zin, zelfs de betaling aan haar van een dwangsom. Overigens hebben het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, OVERIJSE en burgemeester BRANKAER in hun conclusie van 8 maart 2007 hun vordering uitdrukkelijk aangepast (paragraaf 58 p. 65) en de vordering overgenomen van de VZW VLAAMSE JONGEREN in haar conclusie van 6 oktober 2006, en niet andersom. In haar conclusie van 8 maart 2007 heeft de VZW VLAAMSE JONGEREN daar nog een vraag tot aanstelling van een deskundige aan toegevoegd. 4.
  36. De grond van het hoger beroep Over het belang van het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, OVERIJSE en burgemeester BRANKAER bij het derdenverzet tegen het vonnis van 10 juni 2005 wordt geen betwisting gevoerd. Er bestaat ook geen betwisting over de mogelijkheid tot tussenkomst van het VLAAMSE GEWEST, de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR en J. MELLAERTS bij de nieuwe vordering tot staking ingesteld door het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, OVERIJSE en burgemeester BRANKAER. 4.2.
  37. De ontvankelijkheid van de vorderingen tot staking De GOLF PRACTICE CLUB werpt op dat de vordering van OVERIJSE niet ontvankelijk is omdat er geen machtiging is gegeven door de gemeenteraad met toepassing van artikel 270, 2de lid van de Nieuwe Gemeentewet. OVERIJSE beroept zich echter terecht op artikel 193 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 dat bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen beslist tot het in rechte optreden van de gemeente. Het optreden van OVERIJSE is dus gedekt door het optreden en dus de beslissing van het college. De GOLF PRACTICE CLUB werpt op dat "appellanten", dus zowel het VLAAMSE GEWEST, de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR en J. MELLAERTS als het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN OVERIJSE, OVERIJSE en BRANKAER niet beschikken over het vereiste belang om een milieustakingsvordering in te stellen tegen haar, omdat haar golfterrein geselecteerd is in het Vlaams Golfmemorandum van de Vlaamse Regering, en vermeld staat in het ruimtelijk structuurplan Vlaams Brabant. Het golfmemorandum neemt de club van de GOLF PRACTICE CLUB op onder een titel " 5.2.
  38. Verdere afweging door het provinciaal bestuursniveau", en stelt: "Gezien hun middenschalige invloedsfeer wordt voor volgende, bestaande golfterreinen bij voorkeur op initiatief van de provincie, onder meer op basis van de criteria in deze nota, een ruimtelijke afweging gemaakt en indien ruimtelijk verantwoord een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan opgesteld.(...) Omwille van de ligging van deze vier betrokken terreinen nabij het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel en het grootstedelijk gebied Antwerpen, en om geen opties van Vlaams niveau te hypothekeren, dient de ruimtelijke afweging en de eventuele opstelling van het RUP door de provincie te gebeuren. Waar noodzakelijk is overleg met het Vlaamse gewest aangewezen. Het subsidiariteitsbeginsel dient echter gerespecteerd te worden". Volgens deze nota zou de Vlaamse Regering dus bij voorkeur de provincie enig initiatief zien ontwikkelen. Die vermelding in het golfmemorandum is op zich niet van aard aan appellanten hun belang te ontnemen. Anders dan de GOLF PRACTICE CLUB vermeldt, is haar terrein niet opgenomen in het ruimtelijk structuurplan Vlaams Brabant (p. 295, punt 4.1). Daar staan een aantal "bestaande golfterreinen" vermeld, waartoe de provincie zich bij de uitwerking van een beleid in eerste instantie wil beperken. Daarbij wordt gepreciseerd: "rekening houdend met de bepalingen van het Vlaamse Golfmemorandum zal de provincie een ruimtelijke afweging maken en indien ruimtelijk verantwoord een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan opstellen voor "Duisburg Militaire Golfclub" (...)". In het voorontwerp van het ruimtelijk structuurplan Vlaams Brabant was het terrein opgenomen onder het vermelde punt 4.1.; als uit de weglating al iets kan worden afgeleid, dan is het wel dat de provincie na afweging het terrein van de GOLF PRACTICE CLUB niet opneemt in een eigen beleid. De vermeldingen in het Golfmemorandum en in het voorontwerp van in het ruimtelijk structuurplan Vlaams Brabant doen dus niets af aan de bevoegdheid van appellanten of aan hun belang. Dat het Golfmemorandum de golf van de GOLF PRACTICE CLUB vermeldt als een "bestaand" terrein is uiteraard zonder enig gevolg voor de beoordeling van de wettelijkheid van de aanleg en het gebruik. Anders dan de GOLF PRACTICE CLUB verdedigt, put het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN OVERIJSE uit zijn bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening een voldoende basis om zich als administratieve overheid tot de rechter te wenden met toepassing van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu. De GOLF PRACTICE CLUB voert aan dat de vordering van de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR niet ontvankelijk is, omdat hij niet rechtsgeldig is benoemd. Artikel 11 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat de Vlaamse Regering de stedenbouwkundige inspecteurs aanstelt; dat is dus collegiaal. Artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei 2000 "tot vaststelling van de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als ambtenaar van ruimtelijke ordening te kunnen worden aangesteld" belast evenwel de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening met de uitvoering van dit besluit. Een benoeming is vervolgens gebeurd bij ministerieel besluit van 12 januari 2004 op grond van artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 mei
  39. De GOLF PRACTICE CLUB meent dat het benoemingsbesluit wegens de onwettige delegatie niet kan worden toegepast op grond van artikel 159 van de Grondwet. Zij voert ook aan dat voor het besluit van 19 mei 2000 ten onrechte een advies met termijn is gevraagd aan de Raad van State. Artikel 69 van de Bijzondere Wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980 bepaalt dat elke regering collegiaal beslist, "onverminderd de door haar toegestane delegaties"; het hof onderstreept. Anders dan de GOLF PRACTICE CLUB voorhoudt, kan in artikel 11 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening niet gelezen worden dat een delegatie uitgesloten is. Evenmin kan de delegatie beschouwd worden als een afstand van de essentie van de bevoegdheid van de regering . De vraag aan de Raad van State om een advies af te leveren binnen een termijn van een maand (met toepassing van artikel 84, 1° van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State) is weliswaar in beginsel een uitzondering op de principiële vrijheid van de Raad van State, maar zij maakt wel kans de meest gebruikte vorm te worden ; zij is geheel regelmatig indien zij gevraagd wordt door de regering, en het is niet betwist dat dit in deze het geval was. Anders dan de GOLF PRACTICE CLUB suggereert, blijkt niet dat de vraag om een advies binnen de maand niet in verhouding stond tot de tijd binnen dewelke het besluit verscheen (Belgisch Staatsblad 28 juli 2000). Het hof ziet geen schending van de adviesverplichting uit artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De GOLF PRACTICE CLUB werpt op dat de stedenbouwkundige inspecteur geen administratieve overheid is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Anders dan VLAAMSE GEWEST, de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR en J. MELLAERTS suggereren, stemt het begrip administratieve overheid in artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu overeen met dat van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State . Het staat vast dat de beslissingen van de stedenbouwkundige inspecteur niet kunnen worden aangevochten voor de Raad van State, zodat hij niet kan beschouwd worden als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat artikel 149 tot 151 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening aan de stedenbouwkundige inspecteur een herstelvordering toekennen, en dat de stedenbouwkundige inspecteur daarbij in het algemeen belang een openbare dienst uitoefent, doet daaraan niets af. Naar luid van artikel 149 §2 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening treedt de stedenbouwkundige inspecteur bij de herstelvordering wel op in naam van het VLAAMSE GEWEST, maar dat impliceert niet dat hij ook bij de milieustakingsvordering kan optreden in naam van het VLAAMSE GEWEST. De oorspronkelijke vordering van de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR is dus niet ontvankelijk; het zelfde geldt uiteraard voor die van de heer MELLAERTS. 4.2.
  40. De grond van de vorderingen tot staking Naar luid van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 stelt de voorzitter "het bestaan vast van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu." Een goede ordening van de ruimte maakt deel uit van het te beschermen leefmilieu in de zin van de wet van 12 januari 1993 . Een inbreuk op de wetgeving inzake ruimtelijke ordening kan dus een inbreuk vormen bedoeld in artikel
  41. Om het bestaan vast te stellen van een "kennelijke" inbreuk moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen . 4.2.2.
  42. Het gewestplan en het bijzonder plan van aanleg Appellanten voeren aan dat de uitgevoerde werken en het gebruik van het terrein als golfterrein strijdig zijn met de artikelen 11 en 12 van het Koninklijk Besluit van 29 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen. Het terrein is inderdaad gelegen in deels agrarisch gebied, deels bosgebied (gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, Koninklijk Besluit van 7 maart 1977). Het BPA Hoog Jezus Eik (goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 14 april 1989) verbiedt voor het agrarisch gebied en het bosgebied het inrichten of het gebruiken van het terrein "als sport-, wedstrijd- of speelterrein" (artikel 7.2 en 4.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA). Het gebruik van het terrein als golfterrein is inderdaad onbetwistbaar strijdig met de bestemming in het gewestplan en het BPA. De GOLF PRACTICE CLUB erkent dat het golfterrein zonevreemd is, maar stelt dat dit geen misdrijf is. Dat laatste is echter geen vereiste voor de toepassing van artikel 1 van de wet van 12 januari
  43. De GOLF PRACTICE CLUB houdt voor dat bij de inrichting in 1987 geen stedenbouwkundige vergunning vereist was. Zij beroept zich daarbij onder meer op een brief van de minister van ruimtelijke ordening van 3 november 1987, maar die bevat in wezen slechts de weergave van de geldende regels: "dat uw project strikt genomen niet vergunningsplichtig is, indien geen ontbossingen, geen bouwwerken of verbouwingen worden uitgevoerd, geen bestemmingswijzigingen van bestaande gebouwen worden doorgevoerd, en tevens geen aanmerkelijke reliëfwijzigingen..." (het hof onderlijnt). Artikel 64 Stedenbouwwet en artikel 66 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (verder aangeduid als stedenbouwdecreet 1996) noemden strafbaar wie "door het uitvoeren van werken, het in stand houden ervan, door het verkavelen van grondeigendom of hoe dan ook inbreuk maken op de voorschriften van de bijzondere plannen van aanleg...". Het hof onderlijnt het "hoe dan ook": het gebruik als golfterrein was dus wel een misdrijf. Anders dan de GOLF PRACTICE CLUB verdedigt, is het zonder belang dat het gebruik van het terrein als golfterrein was aangevangen voor het bpa (goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 14 april 1989). Het verder gebruiken na de inwerkingtreding van het bpa was immers een misdrijf. Onder artikel 146, 6° van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van 1999 werd vervolgens strafbaar wie "een inbreuk op de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften uitgevaardigd krachtens onderhavig decreet, pleegt na de datum van inwerkingtreding van dit decreet, of dit voortzet of in stand houdt, op welke wijze ook (tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn)". Ook onder het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening was het verdere gebruik in strijd met het bpa dus strafbaar; overigens was voortaan ook het gebruik in strijd met het gewestplan strafbaar. De opwerping van GOLF PRACTICE CLUB aan dat de Vlaamse regering in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen het agrarisch gebied zal moeten afbakenen en verminderen doet niets af van de boven vermelde bepalingen naar geldend recht. Zoals bekend voegde het decreet van 4 juni 2003 aan artikel 146 een derde en vierde lid toe, als volgt: " De strafsanctie voor het in stand houden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, geldt niet voorzover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden, voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg. Onder de ruimtelijk kwetsbare gebieden worden verstaan de groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, parkgebieden, bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologische waarde of belang, agrarische gebieden met bijzondere waarde, grote eenheden natuur, grote eenheden natuur in ontwikkeling en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op plannen van aanleg, alsook de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen." Bij arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 heeft het Arbitragehof in artikel 146, 3de lid, de woorden "voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg " vernietigd. In dat derde lid blijft dus nog over "voorzover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden". Bijgevolg gelden de strafsancties voor in stand houding nog wel voorzover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden. Zoals vermeld ligt het golfterrein deels in bosgebied, en dus in ruimtelijk kwetsbaar gebied. Zoals vermeld is het niet vereist dat een inbreuk strafbaar is om beschouwd te worden als een kennelijke inbreuk in de zin van artikel 1 van de wet van 12 januari
  44. Omgekeerd is het evident dat de inbreuk die een misdrijf is volgens wetsbepalingen betreffende de ruimtelijke ordening en (dus) de bescherming van het milieu een inbreuk vormt in de zin van artikel
  45. Dat geldt dus voor het gedeelte bosgebied. Voor wat de inbreuk op de bestemming in agrarisch gebied betreft, is de opheffing van het strafbare karakter zonder belang voor de beoordeling onder artikel 1 van de wet van 12 januari
  46. De opheffing van het strafbare karakter van feiten die voorheen een misdrijf uitmaakten heeft immers alleen het verval van de strafvordering tot gevolg; die wijziging heeft niet tot gevolg dat deze feiten niet langer een fout zouden zijn . De inbreuken kunnen niet meer gestraft worden, maar blijven wel inbreuken. Ook los van de strafbaarstelling staat vast dat het gebruik van het terrein met miskenning van de bestemming in het gewestplan en het bpa, normen die van openbare orde zijn, een manifeste inbreuk is. Het is even evident dat de inbreuk het milieu aantast. Het gebruik van als agrarisch en bos bestemd gebied als golfterrein verstoort de normale ontwikkeling van fauna en flora die voorkomen in voor landbouw en als bos gebruikt terrein, alleen al door de continue aanwezigheid van gebruikers en bezoekers en hun voertuigen, de monocultuur van gewassen, de intensieve maaibeurten en het gebruik van bijzondere meststoffen en bestrijdingsmiddelen voor het golfgazon, en het geluid van gebruikers en van het onderhoud. De invloed van de aanleg en het gebruik van een golfterrein op het milieu werd beschreven door een milieueffectenrapportdeskundige in opdracht van de Vlaamse Vereniging voor Golf . Het bovenstaande volstaat om de stopzetting te bevelen van het gebruik van het terrein door de GOLF PRACTICE CLUB als golfterrein. Ten onrechte heeft de eerste rechter een stakingsbevel niet opportuun geacht op grond van overwegingen over de snelheid van een procedure zoals in kort geding en het verloop van tijd tussen de inbreuken, de wet van 12 januari 1993 en de vorderingen van appellanten. De vordering van de wet van 12 januari 1993 vereist geen spoed of dringende reden . Uit niets blijkt verder dat het gebruik als golfterrein en de invloed ervan op het milieu niet ongedaan kunnen gemaakt worden, in welk geval anders een staking mogelijk niet nuttig zou zijn. Ten slotte kan de vordering niet worden afgewezen op grond van een afweging van belangen. In de omstandigheden van de zaak kan niet worden aangenomen dat een ondernemingsbelang dat berust op een wetens en willens geschapen onwettige toestand, of het belang van de individuele gebruikers van het golfterrein zwaarder weegt dan op het algemeen belang dat wordt beschermd door de overtreden regels. Gelet op het bovenstaande moet de wettelijkheid van de bestemmingswijziging van het gebouw dat nu dient tot clubhuis niet verder onderzocht worden; de staking van het aanwending van het terrein als golfterrein sluit het gebruik uit van dat gebouw met het oog op die aanwending. De prejudiciële vraag voor het Grondwettelijk Hof die de GOLF PRACTICE CLUB in dat verband voorstelt, is dus zonder belang . 4.2.2.
  47. De reliëfwijzigingen Ten onrechte beroept de GOLF PRACTICE CLUB zich op dit punt op het gezag van gewijsde van het arrest van dit hof van 8 november
  48. Vooreerst kan het gezag van gewijsde alleen gelden ten aanzien van OVERIJSE dat partij was bij die procedure. Verder strekt het gezag van gewijsde zich alleen uit tot wat voorwerp was van betwisting: het verzet tegen een concreet bevel tot stopzetting van werken van april
  49. In dat arrest overwoog het hof trouwens uitdrukkelijk dat het slechts incidenteel kon nagaan of "de geschorste werken" vergunningplichtig waren en dat het geen declaratoir van rechten kon doen met betrekking tot de vergunningplicht. Het hof heeft geoordeeld dat op dat ogenblik, in die stand van de werken, geen aanmerkelijke reliëfwijziging leek te bestaan. Het ging toen enkel om de uitgravingen die volgens het proces-verbaal van 18 april 1988 ongeveer 10 tot 20 cm diep waren; het arrest brengt die in verband met de aanleg van drainage. Het arrest is dus zonder invloed op de ontvankelijkheid van huidige vordering en laat de beoordelingsruimte van het hof in huidige zaak onaangetast. Met betrekking tot de reliëfwijzigingen werpt de GOLF PRACTICE CLUB op dat de a posteriori kwalificatie als aanmerkelijke wijzigingen in de zin van artikel 99 en 146 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening in strijd is met het legaliteitsbeginsel, omdat slechts post factum vaststaat dat er een misdrijf of een inbreuk op de milieuwetgeving gepleegd is. Zij suggereert de reeds vermelde vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof . In zijn arrest 82/2008 heeft het Grondwettelijk Hof echter reeds antwoord gegeven op dezelfde vraag. Het Hof meent dat de aan de rechter verleende beoordelingsbevoegdheid niet dermate ruim is dat "degenen tot wie die bepalingen zijn gericht, hun gedrag niet zouden kunnen aanpassen, noch de gevolgen ervan zouden kunnen beoordelen. Bijgevolg doen die bepalingen geen afbreuk aan het wettigheidsbeginsel in strafzaken" . De GOLF PRACTICE CLUB verwijst naar een verslag van haar technisch raadsman landmeter De Lannoy. Die meent dat op grond van de vergeljking van topografische kaarten van 1981 en 1994 vastgesteld kan worden dat de werken het natuurlijke verloop van het reliëf niet hebben gewijzigd. Het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, OVERIJSE en BRANKAER antwoorden daarop dat de hoogtelijnen van die kaarten niet worden aangepast dan bij grote infrastructuurwerken, zodat uit de lijnen op de kaarten niets kan afgeleid worden. Het proces-verbaal van 19 januari 1988 vermeldt een kuil van "ongeveer 70 m. lang op 20 m. breed met een diepte schommelend tussen de 40 en 60 cm". Het proces-verbaal van 24 februari 1998 stelt wel dat de grondwerken het reliëf aanmerkelijk wijzigen, maar bevat geen concrete gegevens die dat staven. Het proces-verbaal van 18 april 1988 vermeldt "uitgravingen over een lengte van ongeveer 40 m en een breedte van 20 m. De uitgravingen nu zijn echter veel minder diep slechts ongeveer 10 à 20 cm". Vast staat in elk geval dat werken van enig belang zijn uitgevoerd. De processen-verbaal vermelden de activiteit van twee bulldozers, en bij haar oorspronkelijke aanvraag tot vergunning plande de GOLF PRACTICE CLUB ook "de nodige grondwerken". Het plan met doorsneden gevoegd bij haar aanvraag , dat dus de grondwerken verduidelijkt die zij nodig achtte om een golfterrein aan te leggen, toont niet alleen een uit te baggeren bestaande vijver en een aan te leggen vijver, maar ook een bestaande en aanstaande "hoogtepijl" (sic) die tot enkele meters uiteenliggen. Ook het technische plan toont verscheidene grote zones van ophoging respectievelijk afgraving van "meer dan 1 meter". Op grond van het nu voorgelegde dossier kan het hof echter niet vaststellen in welke mate de uitgevoerde werken overeenstemmen met de bij de aanvraag geplande werken. Zoals vermeld ligt een deel van het terrein in bosgebied; uit de voorgelegde kaart uit het gewestplan (stuk D van Overijse) blijkt dat het geval voor een belangrijk deel aan de oostkant van het golfterrein. De daar uitgevoerde grondwerken zijn in elk geval "aanmerkelijk" omdat ze de bestemming van het terrein wijzigen. Dit is het geval onder artikel 99 §1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Artikel 99 §1 in fine bepaalt dat "Als aanmerkelijke reliëfwijziging zoals bedoeld in het eerste lid, 4°, wordt onder meer beschouwd elke aanvulling, ophoging, uitgraving of uitdieping die de aard of functie van het terrein wijzigt". Ook voordien echter werd de bestemmingswijziging gehanteerd als criterium voor de aanmerkelijkheid van de reliëfwijzigingen . De GOLF PRACTICE CLUB en De Lannoy hebben bovendien geen geloofwaardige verklaring voor het verschijnen van een tweede grote vijver, in dat bosgebied, die er niet was in
  50. Het kan niet aangenomen worden dat plots een natuurlijke vijver van 420 m² zou zijn ontstaan, net op de plaats waar de GOLF PRACTICE CLUB volgens haar plannen bij de aanvraag tot vergunning een vijver wilde uitbaggeren. Dit is vanzelfsprekend een aanmerkelijke wijziging in de zin van artikel 44 Stedenbouwwet, artikel 42, §1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 en artikel 99 §1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening. Het proces-verbaal van 6 maart 2003 ten slotte vermeldt niet twee maar vier vijvers, waarvan er dus twee niet zijn opgemerkt of beschreven door De Lannoy (wiens verslag dateert van 12 november 2004). Het is niet duidelijk wanneer vijver 2 is aangelegd, en of en wanneer vijver 3 en 4 zijn aangelegd (en daarna eventueel weer gedempt voor 12 november 2004). De instandhouding van de reliëfwijzigingen in het bosgebied is strafbaar gebleven na de wijziging van artikel 146 door het decreet van 4 juni
  51. Zij vormt een manifeste inbreuk in de zin van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993, en tast vanzelfsprekend het milieu aan. Het hof verwijst op dat punt naar wat boven is overwogen onder punt 4.2.2.
  52. Het zelfde geldt met betrekking tot de opportuniteit van het bevel tot staking. De instandhouding van de reliëfwijzigingen in het bosgebied rechtvaardigt mee (met de inbreuken op de bestemming, zie hierboven onder punt 4.2.2.1.) het opleggen van een verbod tot staking van het gebruik als golfterrein. Alvorens een herstelmaatregel op te leggen met betrekking tot de reliëfwijzigingen is een onderzoeksmaatregel vereist zoals hieronder bepaald. 4.2.2.
  53. Dwangsom Gelet op de onwillige houding van de GOLF PRACTICE CLUB naar aanleiding van herhaalde verwittigingen over de onwettigheid van haar handelen en de diverse bevelen tot stopzetting is het verantwoord om aan het bevel tot staken een voldoende hoge dwangsom te verbinden, zoals gevorderd door het VLAAMSE GEWEST en OVERIJSE. De GOLF PRACTICE CLUB voert daarover trouwens geen betwisting. 4.2.2.
  54. Deskundige Met betrekking tot de omschrijving van de te nemen herstelmaatregelen is een deskundig advies aangewezen. Uit de procedurestukken en stukkenbundels kan immers niet met zekerheid opgemaakt worden welke constructies en andere ingrepen door de GOLF PRACTICE CLUB precies zijn aangebracht, en waaruit een herstel in de vorige toestand zou bestaan. Appellanten maken melding van een niet vergunde tent, reclameborden, afdaken, parking, tuinhuizen en verhardingen, alle in bosgebied. De GOLF PRACTICE CLUB voert aan dat de tent geen vaste constructie is, dat ze jaarlijks wordt weggenomen, en dat zij niet in het bosgebied staat. Zij stelt dat trouwens alle constructies in agrarisch gebied staan. Over het afdak stelt zij dat het zelfs niet bestaat. Gelet op deze tegenspraak over feiten is het aangewezen dat de deskundige vaststelt welke constructies waar staan. Appellanten beweren met stelligheid dat een deel van het terrein van de GOLF PRACTICE CLUB gelegen is in habitatrichtlijngebied BE 2400008-Zoniënwoud. De GOLF PRACTICE CLUB beweert met evenveel stelligheid dat het golfterrein en de gebouwen daar niet in liggen. Voor deze feitelijke en technische beoordeling is een deskundig advies vereist. Het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OVERIJSE, OVERIJSE en burgemeester BRANKAER stellen dat het hele terrein van de GOLF PRACTICE CLUB gesitueerd is in een ankerplaats in de zin van artikel 3, 11° van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg. De GOLF PRACTICE CLUB beweert met haar technisch raadsman DE LANNOY dat dit niet het geval is. De deskundige zal dit onderzoeken. Een onderzoek door de deskundige is ook nodig met betrekking tot volgende beweringen van appellanten: - De verwijdering van natuurlijke overgangen naar het aangrenzend bos van Marnix, ontbossing, kappingen en het inrichten en uitbreiden van een afslagplaats in het bosgebied, het lozen van afvalwater, wat inbreuken zouden kunnen betekenen op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het Bosdecreet van 13 juni 1990, Vlarem I en II, het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het vegetatiebesluit van 23 juli 1998, de Habitatrichtlijn 92/43 EEG en het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de habitatrichtlijngebieden, - De beschadiging en verstoring van de leefplaatsen van de vroedmeesterpad, wat een inbreuk zou kunnen vormen op het Koninklijk Besluit van 22 september 1980 houdende maatregelen, van toepassing in het Vlaamse Gewest, ter bescherming van bepaalde in het wild levende inheemse diersoorten, die niet onder de toepassing vallen van de wetten en besluiten op de jacht, de riviervisserij en de vogelbescherming, en de Habitatrichtlijn 92/43 EEG - De grondwateronttrekking zonder vergunning, wat een inbreuk zou kunnen vormen op het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer en het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning. De deskundige zal ook nagaan wanneer welke ingrepen zijn gebeurd. Op de zitting van 22 juni 2009 hebben partijen met toepassing van artikel 972 §1, 4de streepje van het Gerechtelijk Wetboek verklaard af te zien van het houden van een installatievergadering in de raadkamer van het hof. 4.
  55. Het hoger beroep tegen het vonnis van 10 juni 2006 Zoals vermeld heeft het vonnis van 25 april 2006 op derdenverzet het vonnis van 10 juni 2005 teniet gedaan. Bij huidig arrest wordt het vonnis van 25 april 2006 hervormd voor zover het oordeelt over de grond van de zaak, en niet voor zover het het vonnis van 10 juni 2005 teniet doet (over dat laatste voeren partijen trouwens geen betwisting). Het hoger beroep tegen het vonnis van 10 juni 2005 is dus zonder voorwerp. Omdat dit het gevolg is van de beslissing in de zaken 2006/AR/1736 en 2006/AR/1833, waarin het hoger beroep reeds gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, wordt de GOLF PRACTICE CLUB veroordeeld tot de kosten. Alle partijen verklaren ter zitting dat zij voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing vragen van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 2005/AR/2018, 2006/AR/1736 en 2006/AR/1833 samen; In de zaak met nummer 2005/AR/2018: Verklaart het hoger beroep zonder voorwerp Veroordeelt de GOLF PRACTICE CLUB tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, in hoofde van appellanten VLAAMSE GEWEST, GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR en J. MELLAERTS begroot op euro 1.386 ( 186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding). In de zaken 2006/AR/1736 en 2006/AR/1833 : Verklaart de vrijwillige tussenkomst van de VZW VLAAMSE JONGEREN niet ontvankelijk, en laat haar in de door haar gemaakte kosten, zijnde euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en reeds gegrond als volgt: Hervormt het vonnis van 25 april 2006 behalve voor zover het de kosten begroot en het vonnis van 10 juni 2005 teniet doet, en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering van de GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR en van J. MELLAERTS niet ontvankelijk en verklaart de vordering van de overige eisende partijen ontvankelijk; Beveelt aan de BVBA de GOLF PRACTICE CLUB de staking van het gebruik van de percelen te Overijse aan de Gemslaan, kadastraal gekend onder sectie N, nr. 42m8, 42n8, 42p8 en 42t8 als golfterrein, onder verbeurte van een dwangsom, waarvan de helft zal toekomen aan het VLAAMSE GEWEST en de helft aan de gemeente OVERIJSE, van 5.000,00 EUR per inbreuk en per dag vanaf een maand na de betekening van dit arrest, waarbij het maximum van de te verbeuren dwangsommen wordt vastgesteld op 500.000,00 EUR. Alvorens verder recht te spreken, Stelt aan als deskundige de heer Martin SCHOUKENS, Lic. Architect-Stedenbouwkundige, wonende te 1602 VLEZENBEEK, Pedestraat 13, (tel. 02/569.31.95 - fax 02/567.02.03) Met als opdracht Na behoorlijke oproeping van partijen en hun raadslieden : - Een bezoek te brengen aan de percelen te Overijse aan de Gemslaan, kadastraal gekend onder sectie N, nr. 42m8, 42n8, 42p8 en 42t8; - De percelen te beschrijven, en na te gaan: - Wat de bestemming is van welk perceel in het gewestplan Halle - Vilvoorde - Asse, en het BPA Hoog Jezus-Eik, - Of zij zijn opgenomen of zijn vermeld of grenzen aan: - de ankerplaats Zoniënwoud NO, Kapucijnenbos, Bos van Marnix en Arboretum van Tervuren, - het habitatrichtlijngebied BE2400008-Zoniënwoud En het zelfde te doen voor de aangrenzende bospercelen; - De door de GOLF PRACTICE CLUB uitgevoerde werken en wijzigingen op de percelen kadastraal gekend onder sectie N, nr. 42m8, 42n8, 42p8 en 42t8 te beschrijven, onder meer en in het bijzonder de beweerde reliëfwijzigingen, met inbegrip van vijvers, bunkers en holes, het ontbossen en kappen, verwijdering van natuurlijke overgangen naar aangrenzend bos, het inrichten en uitbreiden van een afslagplaats in het bosgebied, het lozen van afvalwater, het pompen van grondwater, de beschadiging en verstoring van de leefplaatsen van de vroedmeesterpad, het oprichten en in stand houden van constructies waaronder tenten, reclameborden, afdaken, parkings, tuinhuizen, verhardingen, schuttingen en afsluitingen; - Na te gaan wanneer welke werken en wijzigingen zijn gebeurd. - De invloed te onderzoeken van deze werken en wijzigingen en het gebruik ervan op het milieu met inbegrip van de ruimtelijke ordening, - Advies te verlenen over een mogelijk herstel in de oorspronkelijke of de vorige toestand, door na te gaan in welke mate welke wijzigingen en werken ongedaan kunnen worden gemaakt en wat de invloed van dit ongedaan maken is op het milieu, met inbegrip van de ruimtelijke ordening; - Zegt dat deze deskundige zijn opdracht zal vervullen door: - De partijen gezamenlijk te horen in hun verklaringen en opmerkingen, tenminste hen daartoe behoorlijk op te roepen; - Kennis te nemen van de stukken die partijen hem voorleggen, en in voorkomend geval van de stukken die hij zich door partijen zal laten voorleggen; - Alle nuttige inlichtingen in te winnen en onderzoekingen te doen, waarbij hij zich voor technische vragen buiten zijn eigen vakgebied kan laten bijstaan door medewerkers of gespecialiseerde technici, maar zelf zal blijven instaan voor de verwerking van de door hen geleverde elementen; - Te antwoorden op alle nuttige vragen van partijen; - Te pogen partijen te verzoenen, en in geval van verzoening een schriftelijk protocol op te stellen van het akkoord tussen partijen, het door partijen te laten ondertekenen en een kopie daarvan neer te leggen op de griffie van dit hof; - In geval van niet-verzoening een schriftelijk en gemotiveerd voorverslag aan partijen en hun raadslieden toe te sturen met verzoek hun opmerkingen te ontvangen binnen een redelijke termijn die hij zal bepalen; - Vervolgens deze opmerkingen te beantwoorden, en in een definitief en onder eed bevestigd verslag zijn advies te geven over de hierboven in de opdracht omschreven punten; - Het besluit van dit verslag op te stellen in doorlopende tekst en niet onder de enkele verwijzing naar de overeenkomstige passussen van zijn voorverslag; - Dit verslag samen met de schriftelijke opmerkingen van partijen in te dienen op de griffie van dit hof binnen de termijn die het hof bepaalt. Zegt dat de deskundige zijn opdracht zal uitvoeren met toepassing van de bepalingen van de artikelen 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek zoals gewijzigd door de wet van 15 mei
  56. Zegt dat de deskundige zijn eindverslag zal neerleggen ten laatste op 1 februari
  57. Bepaalt het voorschot op de prijs van het onderzoek op 3.000,00 EUR, en zegt dat het VLAAMSE GEWEST dit zal consigneren op de griffie van het hof ten laatste op 15 september 2009; Verzendt de zaak voor het overige naar de bijzondere rol; Houdt de beslissing over de overige kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare buitengewone terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.