← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090730.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090730.5 Rolnummer: 2008AR385 Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2011-06-14 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 20:09 Fiche Ingevolge artikel 8.2 EVREM kan er besloten worden tot de heraanleg van een kruispunt uit het oogpunt van het openbaar belang en de verkeersveiligheid zelfs al gaat dit gepaard met een inbreuk op het privé-, familiaal en gezinsleven. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerbiediging van het privé-leven - art. 8 - Uitzonderingen Vrije woorden: Artikel 8 EVREM. Recht of privé-, gezins en familieleven versus wegenswerken in functie van openbaar belang en verbetering van de verkeersveiligheid. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2008/AR385 Burenhinder INZAKE VAN : Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 20, Appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 4 september 2007, Vertegenwoordigd door Meester Michel VAN DIEVOET, advocaat te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus

  1. 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw J. G., wonende te ...woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Martin DENYS, advocaat te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Hugo VANDENBERGHE, advocaat te 1030 BRUSSEL, Reyerslaan 171, en door Meester Martin DENYS, advocaat te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2, 2) Mevrouw B. H., wonende te geïntimeerde, die niet verschijnt, noch iemand voor haar;
  2. De procedure en het onderwerp van de vordering In dit arrest oordeelt het hof verder over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 4 september
  3. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak, na het op tegenspraak gewezen arrest van 13 januari
  4. Met betrekking tot de antecedenten en procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar zijn arrest van 13 januari
  5. Mevrouw G. (verder aangeduid als G.) heeft op 3 juni 2009 geschreven aan het hof en bevestigt op de zitting van 8 juni 2009 dat haar huis verkocht is op 25 juni 2008 voor 175.000,00 EUR, en dat zij haar vordering beperkt tot (300.000,00 EUR - 175.000,00 EUR)= 125.000,00 EUR plus de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 27 augustus 1995, de koopkrachtaanpassing en de gerechtelijke interesten op 300.000,00 EUR tot aan de betaling op 21 augustus 2009 en nadien op 125.000,00 EUR, en de kosten.
  6. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 2.
  7. De verjaring Het VLAAMSE GEWEST werpt op dat de vorderingen van G. verjaard zijn met toepassing van artikel 100 e.v. van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit voor zover zij betrekking hebben op de gevolgen van de aanleg van de ring R0 op het einde van de jaren
  8. G. antwoordt dat steeds is aangenomen dat de verjaringstermijn voor vorderingen tegen de BELGISCHE STAAT 30 jaar bedraagt, en dat de BELGISCHE STAAT zich nooit op de vijfjarige verjaring heeft beroepen. Artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (KB van 17 juli 1991, dat art. 1 overneemt van de Wet van I6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën ) bepaalt: Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de tienjarige verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas. Artikel 101 bepaalt: "De verjaring wordt gestuit overeenkomstig de regels van het gemeen recht." Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen geldt deze verjaringstermijn van vijf jaar in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat . In een arrest van 20 februari 2002 herhaalde het Grondwettelijk Hof zijn standpunt uit zijn arresten nrs. 32/96, 75/97, 5/99 en 85/2001, waarin het had geoordeeld "dat de wetgever, door de vorderingen gericht tegen de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, een maatregel heeft genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Er werd immers geoordeeld dat een dergelijke maatregel noodzakelijk was omdat de Staat op een bepaald ogenblik zijn rekeningen moet kunnen afsluiten: het is een verjaring van openbare orde, die noodzakelijk is in het licht van een goede comptabiliteit (Pasin. 1846, p. 287)." Het Grondwettelijk Hof hield ook nadien vast aan dit standpunt . Anders dan G. voorhoudt, loopt de verjaring zodra de schadelijder kennis heeft van de schade en de aansprakelijke. Dat een definitieve raming van de schade nog niet mogelijk is, is zonder belang . In het arrest 32/96 van 15 mei 1996 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de vijfjarige verjaringstermijn niet redelijk verantwoord is in zoverre hij van toepassing is op vorderingen tot vergoeding van schade uit werken die door de Staat werden uitgevoerd, ten aanzien van personen die in de onmogelijkheid verkeren om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat de schade die zij hebben geleden pas na het verstrijken van die termijn tot uiting is gekomen. De laattijdige klachten vinden hun verklaring meestal niet in de nalatigheid van de schuldeiser, maar in het feit dat de schade zich laattijdig manifesteert. Met betrekking tot de vorderingen uit aansprakelijkheid in het algemeen oordeelde het Grondwettelijk Hof in het arrest van 20 februari 2002 (nr. 42/2002) dat de redenering uit arrest 32/96 niet geldt ten aanzien van de aanvragers van schadevergoeding van wie de situatie niet vergelijkbaar is met die "van personen die zich in de onmogelijkheid bevinden om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden omdat hun schade pas na het verstrijken van de termijn tot uiting is gekomen." In zijn arresten van 18 oktober 2006 (nr. 153/2006) en 20 juni 2007 (nr. 90/2007) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 100 eveneens discriminerend is, in zoverre zij voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld. Er is dus geen schending wanneer het nadeel en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke onmiddellijk kunnen worden vastgesteld . G. bevond zich niet in een situatie waarbij de toepassing van de bijzondere verjaringsregels van artikel 100 strekt tot ongelijke behandeling zoals geoordeeld door het Grondwettelijk Hof. Zij kende de persoon die de wegenwerken liet uitvoeren, en de schade die zij beweerdelijk leed, bleef niet gedurende enige tijd verborgen. Anders dan G. voorhoudt, vormt de toepassing van de bijzondere verjaringsregel geen retroactieve toepassing van een rechtsregel. De regel van artikel 100 en volgende is dezelfde als die van artikel 34 en volgende van de Wet van 15 mei 1846 op de comptabiliteit van de Staat, en ruim een halve eeuw geleden werd al geoordeeld dat hij van toepassing is op alle vorderingen ontstaan ten laste van de BELGISCHE STAAT . G. heeft gedagvaard op 19 januari 1996; haar vordering is dus niet ontvankelijk met betrekking tot de gevolgen van het handelen van het VLAAMSE GEWEST van voor
  9. De vordering is niet verjaard voor zover zij betrekking heeft op de werken van
  10. 2.
  11. De grond 2.1.
  12. De gedwongen onteigening Gelet op de wijziging van de vordering zijn de middelen met betrekking tot de vordering tot onteigening zonder belang, onder voorbehoud van wat hieronder wordt overwogen. 2.1.
  13. De onrechtmatige daad G. voert aan dat het VLAAMSE GEWEST een onrechtmatige daad heeft begaan door een bouwvergunning te vragen zonder een omstandig milieueffectenrapport voor te leggen, en door niet te onteigenen hoewel het gebouw door de werken gelegen was in een zone non aedificandi en het ongezond is er te wonen. Er is evenwel naar geldend recht geen welbepaalde norm die het VLAAMSE GEWEST oplegt in die gevallen te onteigenen, en het VLAAMSE GEWEST handelde door niet te onteigenen ook niet op een wijze die strijdig is met het gedrag van een normaal zorgvuldige overheid in dezelfde omstandigheden. Met betrekking tot het milieueffectenrapport verwijst het VLAAMSE GEWEST naar het arrest van de Raad van State van 9 januari 2007 dat het vernietigingsberoep van G. tegen de beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 28 augustus 1995 (tot aflevering van de vergunning) verwerpt. Zoals G. antwoordt, heeft dit verwerpingsarrest niet het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest. Het hof neemt evenwel de motivering van de Raad van State over en maakt die tot de zijne waar de Raad van State overweegt: "... dat artikel 2, 1° en 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaams Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieuvergunning is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning, zoals het van toepassing was voor de opheffing ervan bij besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, luidde als volgt: "Artikel
  14. Voor de volledigheid van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning dient voor volgende categorieën van projecten, voor zover dit project of een gedeelte ervan het voorwerp van een vergunning moet uitmaken in uitvoering van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, een milieueffectrapport opgesteld: 1° aanleg en/of ingrijpende wijzigingen van autosnelwegen; 2° aanleg en/of ingrijpende wijzigingen van autowegen die beantwoorden aan de definities ter zake van de Europese Overeenkomst. inzake internationale hoofdverkeerswegen van 15 november 1975"; Overwegende dat luidens de punten 11.2 en 11.3 van bijlage 11 van de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen, opgemaakt te Geneve op 15 november 1975 en goedgekeurd bij wet van 15 maart 1985, onder "autosnelwegen" en "autowegen" dient te worden verstaan hetgeen volgt: "II. 2 Autosnelwegen: Een 'autosnelweg' is een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen, zonder uitwegen naar aanliggende percelen, en die (i) behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een strook die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze; (ii) geen andere weg, geen spoor- of tramweg of voetpad gelijkvloers kruist; en (iii) door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid. II. 3 Autowegen: Wegen, bestemd voor autoverkeer, alleen toegankelijk via knooppunten of door verkeerslichten geregelde kruispunten en waarop het in het bijzonder is verboden te stoppen of te parkeren"; De Raad van State stelt terecht vast dat G. niet aantoont dat de N227 na de werken beantwoordt aan die definitie van autosnelweg en dat met name niet blijkt dat hij door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid, en ook niet dat het de bedoeling van de werken was om de weg dit statuut te verlenen. Dat het VLAAMSE GEWEST voor andere, gelijkaardige werken wel een milieueffectenrapport zou hebben voorgelegd impliceert niet dat zij er in huidig geval toe gehouden was of dat het onzorgvuldig was dit niet te doen. Geheel ten overvloede: G. bewijst ook niet het verband tussen de beweerde fout bestaande uit het niet voorleggen van een milieueffectenrapport en de schade. Uit niets blijkt dat het VLAAMSE GEWEST in geval van een milieueffectenrapport tot inzichten zou zijn gekomen ten gevolge waarvan de werken niet zouden zijn uitgevoerd en de schade niet veroorzaakt. Het hof hervormt het vonnis enkel wat de motivering betreft, en wel voor zover de eerste rechter heeft geoordeeld dat een milieueffectenrapport vereist was. De eerste rechter blijkt zijn beslissing tot het erkennen van het recht op vergoeding van geïntimeerden overigens niet te steunen op onrechtmatige daad, maar wel op burenhinder. 2.1.
  15. De schending van artikel 8 EVRM Ten onrechte ziet G. in de uitvoering van de werken een schending van artikel 8 EVRM, dat het recht erkent op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven. Artikel 8.2 bepaalt overigens dat de overheid gerechtigd is tot wat vereist is in het belang van onder meer de openbare veiligheid en het economisch welzijn van het land. Het is evident dat de heraanleg van een belangrijke verkeersader strekt tot het economisch welzijn van het land. Het VLAAMSE GEWEST laat verder terecht gelden dat de heraanleg in het bijzonder de bedoeling had door het wegnemen van het kruispunt de veiligheid te verbeteren. 2.1.
  16. De burenhinder G. voert met recht aan dat de werken tot heraanleg van 1995 tot gevolg hebben dat het verkeer sindsdien ter plaatse verloopt zoals op een autosnelweg (ongeacht de juridische kwalificatie), en dat de toename van het snelle verkeer belangrijke hinder veroorzaakt. Het vele verkeer aan hoge snelheid brengt geluidsoverlast mee en luchtvervuiling. Door de afschaffing van het kruispunt moeten motorvoertuigen en ruiters nu een omweg maken. Een en ander kan de waarde beïnvloeden van het onroerend goed van G. als woonhuis en als handelshuis. Door de werken tot heraanleg van 1995 is bijgevolg het evenwicht tussen de erven verbroken en wordt het erf van G. belast door een hinder die de normale burenhinder overstijgt, zoals de eerste rechter overweegt. G. is derhalve gerechtigd tot een herstel, en de eerste rechter heeft terecht een deskundige aangesteld voor een onderzoek van de waarde van het onroerend goed. Met betrekking tot de door de eerste rechter toegekende provisie wordt geen betwisting gevoerd.
  17. De kosten Het hoger beroep van het VLAAMSE GEWEST is ongegrond, op een wijziging na in de motivering, die zonder belang is; hij is dus de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek. Beide partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het maximumbedrag, gelet op de complexiteit van de zaak, waarover zij het dus eens zijn. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt het maximumbedrag 14.000,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van het VLAAMSE GEWEST ontvankelijk maar ongegrond; Bevestigt het vonnis, zij het op gedeeltelijk andere gronden, En zendt de zaak met toepassing van artikel 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek terug naar de eerste rechter. Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van het VLAAMSE GEWEST op euro 14.186 (186 rolrecht + 14.000 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerden op euro 14.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare buitengewone terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 30/07/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.