← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090929.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 29 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20090929.2 Rolnummer: 2006AR2804 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-10-01 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 20:20 Fiche I. Volgens de theorie van de rechtsverwerking wordt de titularis van een recht de mogelijkheid ontnomen om dat recht uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht en indien de wederpartij, bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan. Het louter stilzitten - d.i. niets ondernemen in het uitoefenen van dat recht - doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring. II. Een deur die zo moeilijk opengaat dat bij het openduwen ervan het vensterglas breekt is gebrekkig, gelet op de concrete omstadigheden van de zaak. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de deur in kwestie gebrekkig was, die gebrekkige deur de oorzaak was van de schade en de bewaarder van de deur dan ook aansprakelijk is voor die schade op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: I. Artikel 1384, eerste lid B.W. Gebrek in de zaak. Deur waarvan het glad bij het openen springt en iemand verwondt. Aansprakelijkheid van de bewaarder, gelet op de concrete omstandigheden. II. Rechtsverwerking. Begrip en Draagwijdte. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/2804 INZAKE VAN : De naamloze vennootschap KBC VERZEKERINGEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3000 LEUVEN, Waaistraat 6, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder het nummer 121, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0403.552.563, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel 31 juli 2006, vertegenwoordigd door Meester Pascale ALAERTS loco meester Kristiane HUBRECHTS, advocaat te 3010 KESSEL-LO, Tiensesteenweg 305, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer Ph. D., 2) Mevrouw M. D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Ben DECORTE loco Meester Paul MUYLAERT, advocaat te 1060 BRUSSEL, Defacqzstraat 73, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel op 31 juli 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 13 oktober 2006; · de conclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 13 maart 2007; · de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 25 juni 2007. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 7 september 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde sub 1 en 2 - voor wie toen nog haar vader optrad gezien zij minderjarig was - strekte ertoe

(1)appellante te horen veroordelen tot betaling van tweemaal een provisie van 1.000 euro - met begroting van de schade op 25.000 euro - , plus de gerechtelijke intresten en
(2)vooraleer verder uitspraak te doen te gronde, een geneesheer - deskundige te horen aanstellen met o.m. als opdracht het slachtoffer te onderzoeken en haar letsels nader te omschrijven. 1.2. De eerste rechter heeft
(1)de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard,
(2)appellante veroordeeld tot betaling van tweemaal een provisie van 500 euro en
(3)Dr. Sepulchre aangesteld als deskundige met een welomschreven opdracht. 1.3. Het hoger beroep van appellante beoogt
(1)in hoofdorde, de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk te horen verklaren want verjaard en uitgedoofd wegens rechtsverwerking en
(2)in ondergeschikte orde, ongegrond te horen verklaren. 1.
  1. Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren wat impliceert dat zij de bevestiging vraagt van het bestreden vonnis. II. De Feiten. 2.
  2. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  3. Samengevat komt het hierop neer dat M. D. zich op 31 mei 1997 samen met haar ouders in het restaurant "De N." bevond, gevestigd te Anderlecht en uitgebaat door de BVBA P.. Bij het openen van de deur van de toiletten zou het glas eruit gesprongen zijn waardoor M. ernstige verwondingen opliep aan beide armen. Volgens haar vader ging die deur moeizaam open waardoor tijdens het openduwen van die deur het glas brak. Van de feiten werd een strafdossier opgesteld dat zonder gevolg werd geklasseerd. Appellante is verzekeraar BA - uitbating van de BVBA P.. III. Wat de ontvankelijkheid betreft van de oorspronkelijke vordering. 3.1.
  4. Appellante werpt vooreerst op dat de vordering verjaard is. In dit verband merkt ze op dat sedert de datum van de feiten (= 31 mei 1997) en het ogenblik van de dagvaarding (= 7 januari 2004) meer dan 5 jaar verstreken is en de vordering zo dus, bij toepassing van artikel 34 van de wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomst, verjaard is. 3.1.
  5. Voornoemd artikel 34 bepaalt het volgende: " Onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van 5 jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van 10 jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd." Artikel 35, §3 van diezelfde wet bepaalt echter ook nog het volgende: " Indien het schadegeval tijdig is aangemeld, wordt de verjaring gestuit tot op het ogenblik dat de verzekeraar aan de wederpartij schriftelijk kennis heeft gegeven van zijn beslissing. " 3.1.
  6. Appellante betwist niet dat de aangifte tijdig gebeurde. Uit de stukken van het dossier blijkt dat appellante eerst bij schrijven van 8 december 2000 aan geïntimeerde meedeelde niet te zullen tussenkomen in het schadegeval gezien zij haar verzekerde hiervoor niet aansprakelijk achtte. Appellante beweert echter dat zij reeds op 26 september 1997 haar standpunt ter kennis bracht aan de NV DAS, rechtsbijstandverzekeraar van de familie D.. Nergens blijkt echter uit dat geïntimeerden dit schrijven ooit ontvangen hebben, wat zij betwisten. De NV DAS is overigens niet de wederpartij in de zin van artikel 35, §3 van de wet van 25 juni
  7. Het schrijven van 8 december 2000 bevat verder ook geen enkele verwijzing naar een (mogelijk) eerder schrijven van 26 september
  8. Het komt aan appellante toe het bewijs te leveren dat geïntimeerde wel degelijk sedert 26 september 1997 op de hoogte was van het door appellante ingenomen standpunt, quod non. 3.1.
  9. Gezien geïntimeerde eerst op 8 december 2000 kennis had van de beslissing genomen door appellante en bij exploot betekend op 7 januari 2004 tot dagvaarding overging - d.i. binnen de termijn van 5 jaar - is de oorspronkelijke vordering niet vervallen wegens verjaring. Het bestreden vonnis wordt op dit punt dan ook bevestigd. 3.2.
  10. Appellante werpt vervolgens op dat geïntimeerde haar vorderingsrecht niet meer kan uitoefenen op grond van rechtsverwerking. Zij verwijt aan geïntimeerde sedert haar vermeend schrijven van 26 september 1997 gedurende 3 jaar niet meer te hebben gereageerd . 3.2.
  11. Volgens de theorie van de rechtsverwerking wordt de titularis van een recht de mogelijkheid ontnomen om dat recht uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht en indien de wederpartij, bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan. Het louter stilzitten - d.i. niets ondernemen in het uitoefenen van dat recht - doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring. 3.2.
  12. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat in 1999 het strafonderzoek nog steeds lopende was en dat appellante in haar brieven van 20 augustus 2001 en 13 november 2001 nog vroeg - weze het onder voorbehoud - om de schade - eis over te maken en om bijkomende inlichtingen . In de brief van 13 november 2001 wordt zelfs gesuggereerd dat de medische raadsgeneesheer van appellante mogelijks akkoord zou kunnen gaan met de besluiten van de medische raadsman van geïntimeerde waardoor er geen procedure nodig zou zijn. In de gegeven omstandigheden kan er derhalve moeilijk sprake zijn van rechtsverwerking. 3.2.
  13. Het bestreden vonnis wordt op dit punt eveneens bevestigd. IV. Ten gronde. 4.1.Geïntimeerde steunt haar vordering thans nog enkel op artikel 1384, lid 1 B.W. (=gebrek in de zaak) . Zij is de mening toegedaan dat een deur die zo moeilijk opengaat dat bij het openduwen ervan het vensterglas breekt gebrekkig is. Appellante betwist echter de versie van geïntimeerden. Zij onderlijnt dat er geen getuigen waren van het ongeval en zij verwijst verder naar een verslag van één van haar inspecteurs waarin vermeld staat dat M. in zijn bijzijn toen verklaard zou hebben over haar voeten te zijn gestruikeld en in de ruit te zijn gevallen. Appellante leidt hieruit af dat de door M. opgelopen letsels niet te wijten zijn aan de deur in kwestie. 4.
  14. De BVBA P., de eigen verzekerde van appellante, meldde in haar aangifte van 1 juli 1997 het volgende: " Het dochtertje wou onze zaak betreden, alwaar haar ouders zich in de feestzaal bevonden, langs een deur welke uitgeeft op de tuin. Deze deur klemde, en het dochtertje heeft met beide armen op het vensterglas deze proberen te openen. Het vensterglas is gebroken en het kind werd verwond aan beide armen. Wij bevestigen dat deze deur inderdaad de gebruikelijke toegang is tot de tuin voor de bezetters van de feestzaal. Het lijkt dat onze aansprakelijkheid zou op het spel staan, vermits de deur niet normaal functioneerde. " In het verslag van de eigen inspecteur van appellante werd overigens ook vastgesteld dat kwestieuze deur klemde en dit blijkbaar reeds sedert een hele tijd af te leiden uit de schuursporen op de arduinen ingangstrede . Bijgevolg wegen de eenzijdige verklaringen van een inspecteur die handelt in opdracht van appellante niet op tegen de eigen verklaringen gedaan door de BVBA P. die door alle andere betrokken partijen bevestigd werd. 4.
  15. Het argument als zouden de door M. opgelopen letsels niet overeenstemmen met de versie van geïntimeerden, vloeit eveneens voort uit de persoonlijke visie van de eigen inspecteur van appellante en kan om die reden eveneens niet aangenomen worden. 4.
  16. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de deur in kwestie gebrekkig was, die gebrekkige deur de oorzaak was van de schade en de verzekerde van appellante dan ook aansprakelijk is voor die schade op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. 4.
  17. De door de eerste rechter toegekende provisies komen tenslotte als redelijk voor. Uit de elementen van het dossier blijkt dat M. diepe snijwonden opliep aan beide armen met niet onbelangrijke littekens als gevolg . Het bestreden vonnis wordt op dit punt bijgevolg ook bevestigd mits de enkele wijziging dat de ene provisie van 500 euro toekomt aan geïntimeerde sub 2 in eigen naam en niet meer aan de vader qq. Even terecht ging de eerste rechter over tot het aanstellen van een geneesheer - deskundige gelet op het technisch karakter van de schade. 4.
  18. De overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat. V. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. 5.
  19. Beide partijen hebben ter zitting van 7 september 2009 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft . Gelet op het gevorderde, bedraagt dit basisbedrag 400 euro . 5.
  20. Dit bedrag komt toe aan geïntimeerden samen als de in het gelijk gestelde partijen die verdedigd worden door één en dezelfde raadsman. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijzing dat de ene provisie van 500 euro toekomt aan M. D. in eigen naam en niet meer aan de heer Ph. D., handelende q.q. Verwijst de zaak bij toepassing van artikel 1068, lid 2 Ger. W. opnieuw naar de eerste rechter. Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot - in hoofde van haarzelf op euro 586 (186 rolrecht + 400 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerden samen op euro 400 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 29/9/09 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.