← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091013.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091013.10 Rolnummer: 2006AR1872 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-10-20 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 20:24 Fiche I. Bij een verkoop van een grond door een sociale huisvestigingsmaatschappij met de verbintenis voor de koper om het aangekochte goed niet te vervreemden gedurende tien jaar, is deze bedongen termijn van tien jaar niet onredelijk in de zin van artikel 31 van de wet op de handelspraktijken. De bedongen contractuele sancties zijn in casu niet onrechtmatig noch nietig wegens beweerde inbreuken op de artikel 32, 5°, 15° en 21° en artikel 33, §1 van de wet de handelspraktijken. II. De rechter kan het bedongen bedrag van de schadeloosstelling verminderen bij toepassing van artikel 1231 B.W. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding - Overeenkomsten over schadevergoeding BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Verplichtingen koper HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Onrechtmatige bedingen Vrije woorden: Verkoop. Sociale huisvestingsmaatschappij. Verbintenissen van de koper. Verbod van niet-vervreemding gedurende tien jaar. Contractuele sancties bij inbreuk op deze verbintenis getoest aan de wet op de handelspraktijken. Strafbeding, vermindering: artikel 1231 B.W. Tekst van de beslissing Brussel (1ste kamer) 13 oktober 2009 Raadsheren: Astrid DE PREESTER(dd voorzitter, Marc DEBAERE en Isabelle DE RUYDTS Advocaten: Bert BEELEN en Mark FEYAERTS A.R. nr. 2006/AR/1872 Verkoop van een onroerend goed. Verkoop door een sociale huisvestingsmaatschappij. Verbintenis van de koper om het aangekochte goed gedurende 10 jaar niet te vervreemden. Contractuele sancties bedongen bij inbreuk door de koper op deze contractuele verplichting. Geldigheid? Artikel 1226 B.W. Vermindering van het contractueel bedongen bedrag van de schadeloosstelling? I. Bij een verkoop van een grond door een sociale huisvestigingsmaatschappij met de verbintenis voor de koper om het aangekochte goed niet te vervreemden gedurende tien jaar, is deze bedongen termijn van tien jaar niet onredelijk in de zin van artikel 31 van de wet op de handelspraktijken. De bedongen contractuele sancties zijn in casu niet onrechtmatig noch nietig wegens beweerde inbreuken op de artikel 32, 5°, 15° en 21° en artikel 33, §1 van de wet de handelspraktijken. II. De rechter kan het bedongen bedrag van de schadeloosstelling verminderen bij toepassing van artikel 1231 B.W. * * * I. DE FEITEN 1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2. Samengevat kan hier worden gesteld dat M. K. en haar toenmalige echtgenoot D. B. bij notariële akte van 12 oktober 1993 een perceel bouwgrond gelegen te T. hebben gekocht van de Intercommunale Maatschappij voor de Huisvesting, Grondbeleid en Aanverwante Activiteiten uit Leuven (afgekort HUGRAL) voor de prijs van 717.600 BEF of 17.788,84 euro . De bijzondere voorwaarden van de verkoop bepalen onder punt 5 dat de koper het perceel of het zich daarop bevindende gebouw niet verder mag verkopen gedurende een termijn van tien jaar. Onder punt 9 wordt bedongen dat indien de koper niet voldoet aan één of meer van de bijzondere voorwaarden, HUGRAL het recht heeft ofwel de grond weder in te kopen aan de oorspronkelijke aankoopprijs, ofwel een schadevergoeding te eisen van maximaal 100 % van de oorspronkelijke aankoopprijs van de grond. De kopers hebben op het perceel een woning gebouwd, waarvoor zij op 29 maart 1994 een hypothecaire lening hebben aangegaan. Op 9 oktober 1998 werd HUGRAL vereffend. Bij vonnis van 28 november 2000 zijn de echtgenoten B. - K. uit de echt gescheiden bij onderlinge toestemming, waarbij de grond en de woning werden toebedeeld aan M. K. mits betaling van een opleg van 1.250.000 BEF of 30.986,69 euro . Bij notariële akte van notaris S. van 26 april 2001 heeft M. K. de grond en de woning verkocht aan derden voor de prijs van 133.862,50 euro . De STAD LEUVEN, die als rechtsopvolger van HUGRAL door de notaris in kennis werd gesteld van de voorgenomen verkoop, heeft beslist in geval van vroegtijdige verkoop betaling te eisen van de maximale schadevergoeding gelijk aan de initiële verkoopprijs hetzij 17.788,84 euro . Dit bedrag werd geblokkeerd op de rekening van notaris S. II. VOORWERP VAN DE OORSPRONKELIJKE VORDERINGEN EN VONNIS A QUO 1. De oorspronkelijke vordering van M. K. strekte ertoe : - in hoofdorde vast te stellen dat het strafbeding bepaald onder punt 9 van de bijzondere voorwaarden van de verkoopakte van 12 oktober 1993 nietig is, dat het voor niet-geschreven dient te worden beschouwd en geen rechtsgevolg tussen partijen kan teweeg brengen ; - in ondergeschikte orde de schadevergoeding bepaald onder punt 9 van de bijzondere voorwaarden te verminderen tot 3.557,77 euro ; - in ieder geval de STAD LEUVEN te veroordelen tot de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad. 2. De oorspronkelijke tegenvordering van de STAD LEUVEN strekte ertoe: - M. K. te veroordelen tot betaling van het bedrag van 17.788,84 euro , plus de gerechtelijke intresten en de kosten; - ten belope van deze sommen vrijgave te bevelen van de gelden die geblokkeerd staan op de rekening van notaris S.. M. K. vroeg de tegeneis onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, in ondergeschikte orde het gevorderde bedrag in hoofdsom te verminderen tot 3.557,77 euro . 3. De eerste rechter heeft de oorspronkelijke vordering van mevrouw K. ontvankelijk en in die mate gegrond verklaard dat hij het betwiste beding nietig heeft verklaard krachtens art. 33, § 1, eerste lid van de Wet Handelspraktijken als zijnde onrechtmatig in de zin van art. 32,15° en 32,21 ° van dezelfde wet. Hij heeft de tegenvordering van de STAD LEUVEN ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De STAD LEUVEN werd veroordeeld tot de gerechtskosten . De voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis werd toegestaan. III. VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN 1. In hoger beroep vordert de STAD LEUVEN het bestreden vonnis te hervormen, te zeggen voor recht dat het beding onder punt 9 van de bijzondere voorwaarden van de verkoopakte van 12 oktober 1993 rechtmatig is en dienvolgens haar oorspronkelijke tegenvordering in te willigen. Verder vraagt de STAD LEUVEN oorspronkelijke eiseres te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. M. K. vordert het principaal hoger beroep ongegrond te verklaren, in ondergeschikte orde de oorspronkelijke tegenvordering van de STAD LEUVEN te verminderen tot een bedrag van 3.557,77 euro . 2. Bij incidenteel hoger beroep vordert M. K. de oorspronkelijke tegenvordering van de STAD LEUVEN onontvankelijk en ongegrond (sic?) te verklaren, het arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad en de STAD LEUVEN te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. IV. BEOORDELING

  1. a)De procedure 1. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep werden naar vorm en termijn regelmatig ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. 2. M. K. vraagt de beroepsconclusie van de STAD LEUVEN uit de debatten te weren vermits zij niet werd neergelegd en medegedeeld binnen de dwingende termijn bepaald bij beschikking van 8 augustus 2006 op grond van artikel 747 § 2 Ger. W., alsook de stukken 17 en 18 van het dossier van appellante. De beroepsconclusie van de STAD LEUVEN werd neergelegd op 5 april 2007, dit is niet binnen de eerste (8 december 2006) maar wel binnen de tweede voor appellante bepaalde termijn (8 april 2007). M. K. heeft de mogelijkheid gehad om op deze conclusie te repliceren vermits, wat haar betreft, drie termijnen werden bepaald waarvan de laatste verstreek op 8 mei 2007. De rechten van de verdediging van geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, werden dan ook niet geschonden en dit des te minder dat partijen in graad van hoger beroep geen enkel nieuw argument hebben ingeroepen dat zij niet voor de eerste rechter hadden aangewend. De beroepsconclusie en de stukken 17 en18 van appellante dienen bijgevolg niet uit de debatten te worden geweerd.
  2. b)De rechtsopvolging Logischerwijze heeft de eerste rechter vooreerst het probleem van de rechtsopvolging onderzocht alhoewel deze kwestie slechts ter sprake is gekomen in het kader van de oorspronkelijke tegenvordering van de STAD LEUVEN. Het hof zal dan ook de argumenten van partijen analyseren in dezelfde volgorde als de eerste rechter. M. KINSABEL stelt dat de oorspronkelijke tegenvordering van de STAD LEUVEN onontvankelijk is, minstens ongegrond, bij gebrek aan hoedanigheid en belang. Zij betwist dat de STAD LEUVEN de rechtsopvolger onder bijzondere titel van HUGRAL is geworden naar aanleiding van de vereffening van laatstgenoemde. Er zou geen sprake zijn van een overname of overdracht van een schuldvordering opzichtens haar (het onroerend goed werd verkocht enkele jaren ná het afsluiten van de vereffening van HUGRAL). De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de STAD LEUVEN het vereiste procedurele belang en de vereiste procedurele hoedanigheid heeft door als beweerde rechtsopvolger van HUGRAL aanspraak te maken op een beweerde geldige clausule. De vraag of zij naar materieel recht ook werkelijk titularis is van dit recht dient ten gronde te worden behandeld. Het vonnis a quo dient dan ook te worden bevestigd in de mate dat de oorspronkelijke tegenvordering van de STAD LEUVEN ontvankelijk werd verklaard. Ten gronde, heeft de rechtbank van eerste aanleg nog terecht geoordeeld dat de STAD LEUVEN als rechtsopvolger ten bijzondere titel op rechtsgeldige wijze de schuldvorderingen van HUGRAL heeft overgenomen, met inbegrip van de schuldvordering op basis van het litigieuze strafbeding zolang de contractuele bepaalde wachttermijn niet verstreken was. Immers, uit de notariële vereffeningsakte d.d. 9 oktober 1998 blijkt dat huidige appellante de haar toebedeelde onroerende goederen heeft overgenomen "onder voorwaarde dat de Stad Leuven, zoals gemeld in de voorafgaande uiteenzetting onder punt 2, (...) alle hangende zaken , overeenkomsten, procedures en gedingen verder afhandelt, wat daar ook de gevolgen van zijn (...)". Uit punt 2 van gezegde voorafgaande uiteenzetting blijkt dat onder "hangende zaken" moet worden verstaan "overeenkomsten, procedures, rechtsgedingen". Het recht op schadevergoeding in geval van vroegtijdige verkoop is een "hangende overeenkomst" in de zin van punt 2 vermits de bedongen wachttermijn van 10 jaar op het ogenblik van de vereffening van HUGRAL nog niet verstreken was, dit ongeacht het feit dat de doorverkoop op dat ogenblik (nog) niet gerealiseerd was. Het vonnis a quo dient dan ook te worden bevestigd in de mate dat werd gezegd dat de STAD LEUVEN te beschouwen is als de huidige titularis van het recht dat in het schadebeding vervat ligt.
  3. c)De geldigheid van het schadebeding overeenkomstig art. 1226 B.W. M. K. ontkent niet dat zij het onroerend goed heeft verkocht vóór het verstrijken van de termijn van 10 jaar bepaald onder punt 5 van de bijzondere voorwaarden van de notariële verkoopakte van 12 oktober 1993. Zij verklaart dit te hebben gedaan uit noodzaak gezien haar moeilijke financiële toestand. M. K. is echter van mening dat de clausule onder punt 9 van de bijzondere voorwaarden waarbij een schadevergoeding wordt bedongen van "maximaal honderd ten honderd van de oorspronkelijke aankoopprijs" in geval van vroegtijdige verkoop nietig is wegens strijdigheid met artikel 1226 B.W., in de mate dat deze bewoordingen geen welbepaald forfaitair of vastgesteld bedrag uitmaken en tevens in de mate dat het beding een louter aansporende functie heeft en geen schadefixerende functie. De eerste rechter heeft terecht beschouwd dat partijen wel op voorhand een forfaitaire en bepaalde vergoeding hebben vastgesteld voor het geval de kopers de verkoopsvoorwaarden niet zouden naleven. Het feit dat in het betwiste beding een maximumbedrag wordt voorzien gelijk aan de initiële verkoopprijs houdt niet in dat het bedrag van de vergoeding niet bepaald is. Het is trouwens in het voordeel van de kopers dat HUGRAL, en thans de STAD LEUVEN, het bedrag van de vergoeding kan verminderen wanneer in concreto het bedrag van de initiële verkoopprijs het bedrag van de door de verkoper geleden schade overschrijdt. De eerste rechter heeft nog terecht aangenomen dat het schadevergoedende karakter van het betreffende beding vaststaat. Als sociale huisvestingsmaatschappij stelt HUGRAL gronden te koop aan voordelige prijzen die in principe lager liggen dan de normale marktwaarde op het ogenblik van de verkoop. Met het bepalen van een schadebeding in geval van verkoop binnen een vastgestelde termijn is het de bedoeling de schade die voortvloeit uit een winstgevende doorverkoop te vergoeden. Het kwestieuze beding is dan ook geldig in de zin van art. 1226 B.W. zodat het vonnis a quo ook op dient punt dient te worden bevestigd.
  4. d)De geldigheid van het schadebeding overeenkomstig de Wet Handelspraktijken 1. Artikel 31, § 1 Wet Handelspraktijken. M. K. stelt dat het beding onder punt 9 van de bijzondere voorwaarden van de verkoop onrechtmatig is in de zin van artikel 31, § 1 omdat de opgelegde lange termijn van tien jaar een kennelijk onevenwicht zou scheppen tussen de rechten en plichten van partijen. Volledig terecht overwoog de rechtbank van eerste aanleg dat het begrijpelijk is, in het licht van de doelstellingen en het beleid van een sociale huisvestingsmaatschappij, dat deze haar kopers ertoe verplicht het gekochte goed minstens gedurende een zekere termijn zelf te benutten in ruil voor een uiterst gunstige aankoopprijs. In dat opzicht is een termijn van tien jaar zeker niet onredelijk. 2. Artikel 32, 5° Wet Handelspraktijken. M. K. betoogt eveneens dat het beding onrechtmatig is in de zin van artikel 32,5° in de mate dat HUGRAL het recht heeft om zelf het bedrag van de vergoeding vast te stellen, weliswaar tot een maximaal bedrag gelijk aan de oorspronkelijke aankoopprijs. Dit zou, nog steeds volgens oorspronkelijke eiseres, aan de verkoper het exclusieve recht verlenen om de overeenkomst (in zijn voordeel) te interpreteren. Zoals hoger gezegd kan de mogelijkheid voor de verkoper om de maximale schadevergoeding te verminderen enkel in het voordeel van de kopers worden aangewend, zodat de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat het beding niet onrechtmatig is in de zin van artikel 32,5° van de Wet Handelspraktijken. 3. Artikel 32, 15 ° Wet Handelspraktijken. M. K. is nog van mening dat het betwiste beding onrechtmatig is in de zin van artikel 32, 15 ° in de mate dat de overeenkomst voorziet in een vergoeding die verschuldigd is door de koper die zijn verplichtingen niet nakomt maar niet in enige vergoeding ten laste van de verkoper die in gebreke blijft. De eerste rechter heeft de stelling van oorspronkelijke eiseres op hoofdvordering op dat punt gevolgd en op deze grond het beding nietig verklaard. Het hof moet echter vaststellen dat het betwiste schadebeding niet tot doel heeft algemene verplichtingen van de koper te sanctioneren, in welk geval een gelijkaardige vergoeding zou moeten worden voorzien ten laste van de verkoper die in gebreke blijft zijn verplichtingen na te leven. Onder punt 5 van de bijzondere voorwaarden van de verkoop is sprake van een specifieke verplichting die wordt opgelegd in hoofde van de koper, met name dat hij het goed niet mag verkopen gedurende een termijn van tien jaar, in ruil voor een voordelige aankoopprijs in het kader van het sociale huisvestingsbeleid van HUGRAL . Zoals hoger gezegd, is het aanneembaar dat aan de koper van een sociale grond of woning de verplichting wordt opgelegd het goed zelf te bewonen of een schadevergoeding te betalen indien hij het goed toch doorverkoopt met winst. Er kan in dat geval geen sprake zijn van een gelijkaardige verplichting en van een gelijkaardige vergoeding ten laste van de verkoper, zodat de eerste rechter ten onrechte het betwiste schadebeding nietig heeft verklaard in toepassing van de artikelen 32,15° en 31 § 1 van de Wet Handelspraktijken. Het vonnis a quo dient op dit punt te worden hervormd. 4. Artikel 32, 21° Wet Handelspraktijken. De eerste rechter heeft eveneens ten onrechte het beding nietig verklaard op grond van de artikelen 32,21° en 31 § 1. Hij heeft namelijk beschouwd dat het vastgestelde schadevergoedingsbedrag duidelijk niet evenredig is aan het materieel èn moreel nadeel dat door de verkoper kon worden geleden. Het hof herhaalt dat indien aan de koper van een sociale grond of woning de verplichting wordt opgelegd om het goed niet te verkopen binnen een bepaalde termijn, dit is in ruil voor het voordeel dat hij heeft genoten omwille van de voordelige aankoopprijs. Wanneer deze koper het goed toch verkoopt binnen de vastgestelde termijn, dan heeft de sociale huisvestingsmaatschappij zowel materiële als morele schade genoten. De materiële schade vloeit voort uit de meerwaarde die door de koper wordt gerealiseerd wanneer hij het goed vroegtijdig doorverkoopt aan de reële marktwaarde terwijl hijzelf, per definitie en gezien het doel van de sociale huisvestingsmaatschappij, heeft genoten van een aankoopprijs die onder de marktwaarde ligt. De morele schade vloeit voort uit het feit dat het doorverkopen van goedkoop verworven gronden en /of woningen vóór het verstrijken van de wachttermijn indruist tegen het maatschappelijk doel van een sociale huisvestingsmaatschappij zoals HUGRAL, d.i. minder begoede burgers te helpen bij het verwerven van een behoorlijke woongelegenheid. De eerste rechter heeft terecht aangenomen dat de morele schade die HUGRAL kon lijden door dergelijke handelswijze van haar kopers niet denkbeeldig is. Het vonnis a quo dient te worden hervormd in de mate dat het betwiste beding nietig werd verklaard in toepassing van artikel 32, 21° en 33, § 1 van de Wet Handelspraktijken bij gebrek aan materiële schade. Uit voorgaande uiteenzetting blijkt dat de oorspronkelijke vordering van M. K. in de mate dat zij ertoe strekt vast te stellen dat het strafbeding bepaald onder punt 9 van de verkoopakte van 12 oktober 1993 nietig is, ontvankelijk doch ongegrond is.
  5. e)De vermindering in toepassing van art. 1231 §§ 1 en 2 B.W. In ondergeschikte orde vordert M. K. de schadevergoeding te beperken tot 2/10 van de initiële aankoopwaarde, hetzij tot 3.557,77 euro , o.m. gelet op het feit dat het goed na 8 jaar werd verkocht terwijl de opgelegde wachttermijn 10 jaar bedroeg. Artikel 1231 § 1 B.W. bepaalt dat de rechter de contractueel vastgestelde schadevergoeding kan verminderen wanneer deze kennelijk de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te boven gaat. Het hof dient dan ook de omvang van de materiële schade van de STAD LEUVEN te onderzoeken, naast de morele schade waarover hierboven reeds sprake is geweest. De echtgenoten B. - K. hebben destijds in 1993 de grond gekocht voor de prijs van 29,64 euro /m² (5 a 98 ca voor de prijs van 717.600 BEF of 17.788,84 euro ). In het jaar 2001 heeft M. K. de grond én het huis verkocht voor de prijs van 133.862,50 euro . Volgens M. K. zou de initiële aankoopprijs van 29,64 euro /m² geen gunstige prijs geweest zijn vermits de gemiddelde verkoopprijs van de gronden in dat jaar 25,57 euro /m² bedroeg. De STAD LEUVEN merkt terecht op dat de door oorspronkelijke eiseres gehanteerde statistieken gans België betreffen, terwijl uit de statistieken per gemeente blijkt dat de prijzen van de gronden in T. boven het nationale gemiddelde liggen. Er mag inderdaad aangenomen worden dat de verkoopprijzen van de gronden in T. gemiddeld ongeveer 1/3 hoger lagen dan de gemiddelde verkoopprijzen in België. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gezien de normale marktwaarde van het betreffende perceel in 1993, de echtgenoten B. - K. toen vanwege HUGRAL een steun hebben gekregen ten belope van ongeveer 33 % van de reële marktwaarde of afgerond 6.000 euro , bedrag dat overeenstemt met de door de STAD LEUVEN geleden materiële schade. Gelet op wat voorafgaat, en mede gelet op de door de eerste rechter aanvaardde morele schade, dient de door M. K. gevorderde vermindering te worden toegestaan tot beloop van de helft van de initiële aankoopprijs of afgerond 8.900 euro . Het tijdstip waarop het goed werd verkocht binnen de vastgestelde termijn van 10 jaar is zonder noemenswaardige invloed op de materiële en morele schade zodat het niet nodig is de gevorderde vermindering op grond van artikel 1231 § 2 B.W. (gedeeltelijke uitvoering van de hoofdverbintenis) te onderzoeken.
  6. f)De gerechtskosten Het past de gerechtskosten van beide aanleggen bij helften te verdelen nu in graad van hoger beroep de oorspronkelijke hoofdvordering en de oorspronkelijke tegenvordering gedeeltelijk gegrond worden verklaard. Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, hebben beide partijen op de openbare zitting van 22 september 2009 verklaard thans met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 het basisbedrag te vorderen gelet op de waarde van de vordering, hetzij 1.100 euro . OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt. Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre hierin de gerechtskosten begroot worden, en opnieuw rechtsprekend voor het overige, Verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering en de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt. Veroordeelt M. K. tot betaling aan de STAD LEUVEN van het bedrag van ACHTDUIZEND NEGENHONDERD EURO (8.900 euro ) ten titel van schadevergoeding overeenkomstig punt 9 van de bijzondere voorwaarden van de notariële verkoopakte van 12 oktober 1993, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet sinds 26 april 2001 tot de datum van dagvaarding en vervolgens met de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet. Beveelt de vrijgave van de gelden die geblokkeerd staan op de rekening van notaris S. te T. ten voordele van de STAD LEUVEN ten belope van bovenstaande veroordelingen. Wijst partijen van het overige van hun vorderingen af. ... Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 13/10/2009. ... Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.