← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091013.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091013.7 Rolnummer: 2004AR1714 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-10-20 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 20:24 Fiche Artikel 3 van de Hypotheekwet bepaalt dat geen eis strekkende tot vernietiging of tot herroeping van rechten voortvloeiende uit akten, aan overschrijving onderworpen, door de rechter ontvangen wordt, dan na te zijn ingeschreven op de kant der overschrijving van de titel van verkrijging, waarvan de vernietiging of de herroeping gevorderd wordt, en, in voorkomend geval, op de kant der overschrijving van de laatste overgeschreven titel. Het verbod gesteld in artikel 3 van de Hypotheekwet is van openbare orde en de rechter moet bijgevolg zelfs ambtshalve hiervan toepassing maken. De miskenning van dat voorschrift kan voor de ingestelde rechtsvordering alleen tot gevolg hebben dat daarover geen uitspraak mag gedaan worden zolang de inschrijving op de kant van de overschrijving niet is verricht. Het behoort dan ook, vooraleer verder uitspraak te doen, de debatten te heropenen teneinde aan de Stad eiseres de mogelijkheid te geven het bewijs neer te leggen dat de door haar ingestelde vordering voldoet aan de voorschriften gesteld in voornoemd artikel 3 van de Hypotheekwet. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Onroerende publiciteit - Randmelding Vrije woorden: Artikel 3 hypotheekwet. Vordering tot vernietiging van een verkoop van een onroerend goed vastgesteld bij authentieke akte. Gebrek aan publiciteit ten hypotheekkantore i.v.m. deze vordering. Taak van de rechter. Bepaling van openbare orde? Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2004/AR/1714 INZAKE VAN : De STAD AALST, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 9300 AALST, in het Stadhuis, Grote Markt 3, eiseres tot cassatie van een arrest gewezen op 7 oktober 2002 door het hof van beroep te Gent, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Aalst, op 28 mei 2002, vertegenwoordigd door Meester Jozef VAN LANDUYT, advocaat te 9300 AALST, Beekveldstraat 78, 1ste kamer TEGEN : 1) De B.V.B.A. FLEXTEX, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te 9300 AALST, Lion d'Orweg 10, ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder het nummer 66.876, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0462.059.104, vertegenwoordigd door Mevrouw Marga PIETERS, advocaat te 9300 AALST, Affligemdreef 144, in haar hoedanigheid van curator, hiertoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, afdeling Aalst, van 9 mei 2001, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Catharina GRYSOLLE loco Meester Marga PIETERS, advocaat te 9300 AALST, Affligemdreef 144, 2) De naamloze vennootschap DELTA LLOYD BANK, rechtsopvolger van de N.V. BANK NAGELMACKERS 1747, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Sterrekundelaan 23, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 657.702, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0404.140.107, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Bart CROUX, advocaat te 1082 BRUSSEL, Basilieklaan 115 bus 1, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Dendermonde op 28 mei 2002, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 26 juni 2002; · het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest uitgesproken door het hof van beroep te Gent op 7 oktober 2002; · het arrest van het Hof van Cassatie uitgesproken op 18 maart 2004; · de betekening van dat arrest bij exploot van 7 juni 2004; · de conclusie na cassatie van de Stad Aalst neergelegd ter griffie op 29 juni 2006; · de tweede conclusie na cassatie van de Stad Aalst neergelegd ter griffie op 16 maart 2009; · de syntheseconclusie van mevrouw Pieters q.q. neergelegd ter griffie op 20 april 2009; · de syntheseconclusie van Delta Lloyd neergelegd ter griffie op 19 mei 2009. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 15 september 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. Op 22 november 2001 legde Meester Pieters, handelende in haar hoedanigheid van curator over het faillissement BVBA Flextex , een verzoekschrift neer ertoe strekkende gemachtigd te worden om te mogen overgaan tot de verkoop uit de hand volgens de voorwaarden in het ontwerp van verkoopakte opgesteld door notaris Frederic Caudron te Erembodegem van een industriegebouw op en met grond, gelegen te Aalst in de KMO - zone "Le lion d'or", derde afdeling, sectie D, deel van nummers 736/Z en 737/X - 2, met een oppervlakte van 28 a 28 ca 70 dma, bekend ten kadaster onder sectie D, nummer 736/K/2 . Bij exploot betekend op 8 januari 2002 dagvaardde de curator de Stad Aalst in gedwongen tussenkomst en teneinde te horen zeggen voor recht dat de verkoop van het kwestieus onroerend goed tussen haarzelf en de NV Importtextil, voormeld, na machtiging van de rechtbank kan doorgaan. Bij verzoekschrift neergelegd op 14 januari 2002 kwam de NV Bank Nagelmackers 1747, thans de NV Delta Lloyd Bank, vrijwillig tussen in het geding. 1.2. De rechtbank van koophandel te Dendermonde heeft bij vonnis van 28 mei 2002 het volgende beslist: - Zegt voor recht dat de Stad Aalst over geen recht van terugkoop meer beschikt m.b.t. het litigieuze onroerend goed; - Machtigt de curator om dat onroerend goed uit de hand te verkopen aan de NV Importtextil voor de prijs van 16.200.000 BEF of 401.587,51 euro , overeenkomstig het opgestelde ontwerp van de verkoopakte; - Zegt dat de voorgenomen verkoop dient te gebeuren tegen de prijs van minimum 401.587,51 euro of tegen een hogere prijs overeenkomstig de ontwerpakte van notaris Fréderic Caudron uit Erembodegem en mits de wijziging dat de verplichtingen voortvloeiende uit de artikelen 17, 18, 19, 20 en 21 van de algemene verkoopvoorwaarden Lion D'or niet meer dienen overgedragen te worden aan de nieuwe koper en de tussenkomst van de Stad Aalst bij de akte niet voorzien dient te worden; - Stelt Meester Fréderic Caudron aan als notaris om de authentieke akte te verlijden; - Veroordeelt de Stad Aalst in de kosten van de procedure. 1.3. De Stad Aalst tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis bij verzoekschrift neergelegd op 26 juni 2002 voor het hof van beroep te Gent en vroeg

(1)de oorspronkelijke vordering van de curator zoals ingesteld bij dagvaarding van 8 januari 2002 (= dagvaarding in gedwongen tussenkomst uitgaande van de curator tegen de stad), hierin bijgetreden door Delta Lloyd, niet toelaatbaar en ongegrond te verklaren wegens strijdigheid met de wet van 30 december 1970 betreffende de Economische Expansie en het gemeenteraadsbesluit van de stad dd. 25 april 1989,
(2)te zeggen voor recht dat de stad wel een recht van terugkoop had zoals voorzien bij de wet van 30 december 1970 en dat effectief mocht uitoefenen en
(3)te zeggen voor recht dat de stad gerechtigd was het kwestieuze onroerend goed aan te kopen voor en mits de prijs van 10.349.274 BEF of 256.551,80 euro , onder verplichting van de curator de authentieke akte mede te verlijden met opname van de bij de wet van 30 december 1970 voorgeschreven voorwaarden. Bij arrest uitgesproken door het hof van beroep te Gent d.d. 7 oktober 2002 werd het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd het bestreden vonnis bevestigd in de mate het bestreden werd. Het hof besliste hierbij o.a. dat de stad geen recht van terugkoop meer kon laten gelden gezien dit recht vervallen was door verjaring bij toepassing van artikel 1660 B.W. 1.
  1. De Stad Aalst tekende cassatieberoep aan tegen voormeld arrest. Bij arrest uitgesproken op 18 maart 2004 stelde het Hof van Cassatie o.a. het volgende: " Dat de wetgever in die context, krachtens het voormeld artikel 32, §1, het gebruik of het verwerven van de gronden afhankelijk maakt van de bestendigheid van de economische bedrijvigheid die erop wordt uitgeoefend en zodoende ook voorziet in een eigen verplichte regeling van terugkoop die geenszins gelijkstaat met de privaatrechtelijke bepalingen in het Burgerlijk Wetboek over het recht van wederinkoop; Dat die regeling uit de wet voortvloeit, ook al legt artikel 32, §2, de verplichting op het recht van terugkoop op te nemen als een clausule in de authentieke akte van aankoop van de gronden. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat voortvloeit dat de termijn van vijf jaren tot welk artikel 1660 van het Burgerlijk wetboek het recht van wederinkoop, bedoeld in artikel 1659 van hetzelfde wetboek, beperkt, te dezen niet van toepassing is. Overwegende dat de appelrechters oordelen dat het in artikel 32, §2 van de wet van 30 december 1970 bedoelde recht op terugkoop een conventioneel recht is waarop ook het artikel 1660 van het Burgerlijk wetboek dat de uitoefening ervan beperkt tot een termijn van vijf jaren, van toepassing is. Dat zij door dit oordeel hun beslissing dat eiseres geen aanspraak meer kan maken op een recht van terugkoop, niet naar recht verantwoorden en voormeld artikel 32, §2 schenden. " Het arrest van het hof van beroep te Gent werd op grond van voornoemde overweging vernietigd en de zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Brussel. 1.
  2. De Stad Aalst herneemt thans haar oorspronkelijke vorderingen doch vraagt bijkomend en voor het eerst aan het hof van beroep te Brussel het volgende: - Te zeggen voor recht dat alle rechtshandelingen, geen uitgezonderd, gesteld door de curator, in uitvoering van het vonnis a quo dd. 28 mei 2002, bevestigd bij arrest van het hof van beroep te Gent dd. 7 oktober 2002, doch verbroken door het arrest van het Hof van Cassatie van 18 maart 2004 - en in het bijzonder de verkoping bij akte van 9 december 2002 - nietig zijn en dat dient gehandeld te worden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 30 december 1970 met uitvoering van het recht tot terugkoop, alle kosten te hunner laste zijnde, met aanhechting van het tussen te komen arrest aan de akte van 9 december 2002 waarbij het recht tot terugkoop conform de wet van 30 december 1970 wordt vermeld; - Vervolgens te zeggen voor recht dat aan de stad op grond van de toepassing van de wet van 30 december 1970 en gelet op de te gelde making van het onroerend goed op 9 december 2002 met ontvangst door de curator van het bedrag van 401.587,51 euro een vergoeding dient betaald te worden gelijk aan het verschil tussen de ontvangen prijs van 401.587,51 euro en de waarde zoals bepaald op grond van het schattingsverslag en artikel 32 van de wet van 30 december 1970, namelijk 256.551,80 euro , zijnde 145.035,71 euro plus de gerechtelijke intresten vanaf 8 januari 2002, minstens vanaf 28 mei 2002, a rato van 27,81 euro per dag. De curator vraagt in hoofdorde
(1)te zeggen voor recht dat de procedure van artikel 1193 ter Ger.W. zonder voorwerp is geworden vermits het onroerend goed inmiddels verkocht werd en zich niet meer in de failliete boedel bevindt,
(2)de uitbreiding van de eis van de stad voor het hof van beroep te Brussel niet toelaatbaar te verklaren, minstens ongegrond en
(3)in ieder geval de eis niet toelaatbaar te verklaren wat betreft de vernietiging van de authentieke verkoopakte van 9 december 2002 bij gebrek aan kantmelding, minstens bij gebreke aan het inzake zijn van de koper van het litigieuze onroerend goed. Ondergeschikt vraagt de curator
(1)te zeggen voor recht dat gezien de afschaffing van artikel 32 van de Wet op de Economische Expansie de stad geen recht van terugkoop meer heeft en dienvolgens de vordering van de stad om haar dit recht van terugkoop te horen verlenen ongegrond te verklaren,
(2)te zeggen voor recht dat het recht van terugkoop zoals geregeld in voornoemd artikel 32 nietig is zodat de stad er zich niet kan op beroepen en
(3)een welbepaalde prejudiciële vraag te willen stellen aan het Europese Hof van Justitie . Delta Lloyd vordert hetzelfde als de curator met dat verschil dat zij niet vraagt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie. II. De Feiten. 2.1. De voor deze zaak nodige en nuttige gegevens zijn de volgende: - De BVBA Flextex kocht het kwestieuze onroerend goed uit het faillissement van de BVBA Weverij G. en B. Vandenbergh die de gebouwen op de percelen zelf had opgericht. Bij deze verkoop wenste de stad Aalst noch een voorkeurrecht noch een recht van voorkoop noch een recht van terugkoop uit te oefenen; - De NV Delta Lloyd Bank is een schuldeiser van de BVBA Flextex die verscheidene hypothecaire inschrijvingen heeft toegestaan op de onroerende goederen, voorwerp van huidig geschil; - Op 28 maart 2001 verkocht de BVBA Flextex datzelfde onroerend goed (onderhands ) aan de BVBA Importtextil voor 16.200.000 BEF. - Met het oog op het verlijden van de authentieke verkoopsakte schreef de instrumenterende notaris op 29 maart 2001 de Stad Aalst aan teneinde haar standpunt te kennen m.b.t. haar voorkeurrecht. Bij schrijven van 27 april 2001 liet de stad aan notaris Caudron weten dat zij niet van plan was om haar voorkeurrecht uit te oefenen op voorwaarde (
  1. a)dat de verkoop gebeurde ten laatste op 29 april 2001 en (
  2. b)schepen P. De Smedt of zijn plaatsvervanger mee verscheen bij de ondertekening van de akte als derde partij om na te kunnen gaan of de verkoopsvoorwaarden KMO - zone Le lion d'or nageleefd werden. In ditzelfde schrijven benadrukt de stad verder dat zij alle rechten inzake haar recht van terugkoop (in toepassing van artikel 18 van de verkoopsvoorwaarden KMO - zone Le lion d'or en verwijzend naar artikel 32, §1 van de wet van 30 december 1970) en het voorkeurrecht (in toepassing van artikel 20 van de verkoopsvoorwaarden KMO - zone Le lion d'or ) behield, zo de verkoop uiterlijk op 29 april 2001 geen doorgang vond ; - Op 9 mei 2001 werd de BVBA Flextex failliet verklaard; - Op 28 juni 2001 en op 30 augustus 2001 liet de stad weten dat zij haar recht van terugkoop toch wenste uit te oefenen en op 16 oktober 2001 deelde de stad mede dat zij dit recht wou uitoefenen mits betaling van een bedrag van 10.349.274 BEF of 256.551,80 euro terwijl de BVBA Importtextil bereid was om een bedrag te betalen van 401.587,51 euro . - De curator diende dan een verzoekschrift in overeenkomstig artikel 1193ter Ger.W. teneinde machtiging te verkrijgen om tot verkoop uit te hand over te gaan van het litigieuze onroerend goed volgens de voorwaarden in het ontwerp van verkoopakte opgesteld door notaris Fréderic Caudron. - Op 9 december 2002 werd de authentieke akte dan verleden na het tussenkomen van het arrest van het hof van beroep te Gent dat het vonnis van de eerste rechter bevestigde waarin enerzijds een machtiging tot verkoop werd verleend aan de curator, anderzijds geen recht van terugkoop werd toegekend aan de stad en tenslotte aan de instrumenterende notaris de opdracht werd gegeven de tussenkomst van de stad niet te voorzien in de te verlijden authentieke akte. III. Wat de toelaatbaarheid betreft van de vorderingen van de Stad Aalst zoals ingesteld voor het hof van beroep te Brussel: 3.1. De Stad vraagt aan het hof o.a. de verkoping bij akte van 9 december 2002 ( = authentieke akte ) nietig te verklaren . Artikel 3 van de Hypotheekwet bepaalt dat geen eis strekkende tot vernietiging of tot herroeping van rechten voortvloeiende uit akten, aan overschrijving onderworpen, door de rechter ontvangen wordt, dan na te zijn ingeschreven op de kant der overschrijving van de titel van verkrijging, waarvan de vernietiging of de herroeping gevorderd wordt, en, in voorkomend geval, op de kant der overschrijving van de laatste overgeschreven titel. 3.2. Het verbod gesteld in artikel 3 van de Hypotheekwet is van openbare orde en de rechter moet bijgevolg zelfs ambtshalve hiervan toepassing maken. De miskenning van dat voorschrift kan voor de ingestelde rechtsvordering alleen tot gevolg hebben dat daarover geen uitspraak mag gedaan worden zolang de inschrijving op de kant van de overschrijving niet is verricht. 3.3. Het behoort dan ook, vooraleer verder uitspraak te doen, de debatten te heropenen teneinde aan de Stad Aalst de mogelijkheid te geven het bewijs neer te leggen dat de door haar ingestelde vordering voldoet aan de voorschriften gesteld in voornoemd artikel 3 van de Hypotheekwet. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Vooraleer verder uitspraak te doen, beveelt de heropening van de debatten om hier voren uiteengezette redenen. Stelt de zaak ten dien einde vast ter zitting van 9 november 2009 om 12.00 uur (10') teneinde de vooruitgang van dit dossier na te gaan. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 13/10/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Marc DEBAERE, Raadsheer, Isabelle DE RUYDTS, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS I. DE RUYDTS M. DEBAERE A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.