← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091013.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091013.8 Rolnummer: 2005AR1268 Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-20 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-02 20:24 Fiche Artikel 815 Ger.W. bepaalt dat het overlijden van een partij, haar verandering van staat of de wijziging van de hoedanigheid waarin zij is opgetreden aanleiding kunnen geven tot een hervatting van het geding. Er is sprake van wijziging van de hoedanigheid in de zin van artikel 815 en 1103 Ger.W. wanneer een onroerend goed van eigenaar verandert . UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Hervatting geding PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Natuur en natuurbehoud - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieubeleid - Vlaanderen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvergunning - Vlaanderen - D. 28 juni 1985 - Definities en toepassing - art. 2 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Milieuvergunning - Vlaanderen - D. 28 juni 1985 - Verplichtingen exploitant - art. 20-22bis PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Geluid - Vlaanderen Vrije woorden: I. Artikel 815 Ger. W. Verkoop van een onroerend goed, hangende een procedure m.b.t. dit goed. Gedinghervatting door de koper. II. Milieuwetgeving. Vlaanderen. Geluid. Geluidsnormen. Parochiezaal Vlarem II. Acoestisch onderzoek.Omgevingsgeluid. Dansgelegenheid. Milieuvergunningsaanvraag. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/1268 INZAKE VAN : De V.Z.W. VERENIGING DER PAROCHIALE WERKEN LENNIK, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1750 LENNIK, Deken Verbesseltstraat 9, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 14 april 2005, vertegenwoordigd door Meester Hendrik VERMEIRE loco Meester Betty BUGGENHOUDT, advocaat te 9810 NAZARETH, Drapsstraat 155, 1ste kamer TEGEN : Mevrouw K. V., wonende te 1741 W., ...straat 19, die het geding hervat voor oorspronkelijke geïntimeerden :

  1. a)Mevrouw A. D.,
  2. b)De heer A. D.,
  3. c)Mevrouw I. D.,
  4. d)4) De heer B. D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Hans VAN LANDEGHEM loco Meester Isabelle LARMUSEAU, advocaat te 9000 GENT, Kasteellaan 141, Gelet op de procedurestukken buiten deze vermeld in het tussenarrest van 24 februari 2009: · de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 18 mei 2009; · de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 17 juli 2009. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 7 september 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het tussenarrest van 24 februari 2009 verder uitwerkend, I. Beoordeling. 1.1. Wat de ontvankelijkheid betreft van de hervatting van het geding door mevrouw K. V.: 1.1.1. Appellante voert aan dat mevrouw V. niet aantoont dat zij recht heeft om het geding te hervatten en zij niet bewijst dat zij wel degelijk in de rechten van alle initieel eisende partijen is getreden om het geding te hervatten. Appellante merkt hierbij op dat geïntimeerde het pand heeft aangekocht van geïntimeerden sub 1 en 2 en niet van geïntimeerden sub 3 en 4 (= de kinderen D.) en dat zij bijgevolg zeker voor deze twee laatste partijen het geding niet kan hervatten. 1.1.2. In het tussenarrest van 24 februari 2009 werd er reeds op gewezen dat het echtpaar D. samen met hun twee kinderen, A. en B., woonachtig waren te W., ...straat 19, en dat deze eigendom gelegen was tegenover de parochiezaal van W. die volgens de (toenmalige) inwonenden van dat pand de oorzaak was van geluidshinder die o.m. storend werkte op eenieders nachtrust. Hieruit werd besloten dat de oorspronkelijke eisende partijen - ouders en inwonende kinderen - belang hadden bij hun respectieve (aanvankelijke) vorderingen die erin bestonden een einde te stellen aan die geluidshinder en er toe strekten schadevergoeding te bekomen voor het ondergane leed. In gezegd tussenarrest werd tevens reeds gesteld dat er niet betwist kon worden dat de echtgenoten D. op 13 juli 2007 hun eigendom verkocht hebben aan mevrouw V. zodat de oorspronkelijke geïntimeerden vanaf die datum geen hinder meer konden ondervinden van mogelijk overmatig lawaai veroorzaakt door de parochiezaal in kwestie om de eenvoudige reden dat zij daar niet meer verbleven ingevolge de verkoop van hun eigendom. 1.1.3. Artikel 815 Ger.W. bepaalt dat het overlijden van een partij, haar verandering van staat of de wijziging van de hoedanigheid waarin zij is opgetreden aanleiding kunnen geven tot een hervatting van het geding. Er is sprake van wijziging van de hoedanigheid in de zin van artikel 815 en 1103 Ger.W. wanneer een onroerend goed van eigenaar verandert . De vordering ingesteld door het echtpaar D. - D. was een vordering die voortvloeide uit hun eigendomsrecht, meer bepaald claimde zij het recht op een rustig genot en gebruik van hun eigendom dat volgens hen geschonden werd door een derde. De kinderen van het echtpaar D., A. en B., traden op in hun hoedanigheid van toekomstige rechthebbenden van hun ouders en hadden er bijgevolg belang bij in rechte op te treden wanneer een goed, eigendom van hun ouders, met een mogelijke minderwaarde bedreigd wordt. 1.1.4. De akte van gedinghervatting neergelegd door mevrouw V. is derhalve ontvankelijk. 1.2. Toepassing van het rechtsbeginsel "Le criminel tient le civil en état": 1.2.1. Appellante werpt op dat de oorspronkelijke geïntimeerden meermaals klacht hebben ingediend bij de lokale politie en tevens een klacht met burgerlijke partijstelling hebben ingediend als gevolg waarvan huidige procedure ten gronde bij toepassing van artikel 4 V.T.Sv. zou moeten opgeschort worden in afwachting van het resultaat van de eventuele strafrechtelijke procedure. 1.2.2. De klacht met burgerlijke partijstelling heeft blijkbaar betrekking op een klacht tegen onbekenden omwille van een dreigbrief en heeft geen uitstaans met huidig geschil. Daarenboven is tot op heden zelfs geen enkele strafvordering ingesteld tegen appellante - dat er overigens mogelijk ook nooit zal komen - wat een toepassing van voornoemd rechtsbeginsel uitsluit. 1.3. Wat de grond van de zaak betreft: 1.3.1. De parochiezaal die appellante uitbaat valt onder de rubriek 32.1 van de Vlarem - wetgeving. Het gaat meer bepaald om een feestzaal of lokaal met dansgelegenheid met een totale oppervlakte van 100m² of meer en wordt beschouwd als een inrichting klasse 2. Onder deze rubriek vallen bijgevolg niet de inrichtingen waar enkel occasionele feesten of fuiven worden georganiseerd met muziek en dans die qua aantal en duur beperkt zijn per maand en per jaar. 1.3.2. Voor wat de geluidsnormering betreft wordt in Vlarem II een onderscheid gemaakt tussen enerzijds bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2 en nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2. Ingeval het gaat om nieuwe inrichtingen wordt een verplicht volledig akoestisch onderzoek vereist 10 dagen voorafgaand aan de exploitatie, uit te voeren op kosten van de exploitant en met als gevolg een stopzetting van de exploitatie indien niet aan de geluidsnormen wordt voldaan of een sanering van de inrichting met als doel een aanpassing van de geluidsnormen in overeenstemming met de wet. 1.3.3. Wat de geluidsnormen zelf betreft worden deze bepaald in functie van het oorspronkelijk omgevingsgeluid en wordt uitgegaan van een voorziene richtwaarde verminderd met een aantal dB(A). Ingeval het gaat om bestaande inrichtingen mag de vergunningverlenende overheid geval per geval verplichtingen opleggen i.v.m. de uitvoering van een (volledig) akoestisch onderzoek en het opstellen van een saneringsplan. Voor dergelijke inrichtingen wordt verder soepeler omgegaan met die geluidsnormen in die zin dat: - er verschillende richtwaarden bepaald zijn voor het geluid afhankelijk van het gebied waarin de inrichting gelegen is (woongebied, industriegebied enz..) en van het tijdstip waarop de festiviteiten georganiseerd worden (overdag, 's avonds, 's nachts); - de voorziene richtwaarden moeten enkel zo goed mogelijk benaderd worden. 1.3.4. Cruciaal in dit dossier is te weten of de parochiezaal die appellante uitbaat, beschouwd moet worden als een bestaande dan wel als een nieuwe inrichting. Appellante zal desbetreffend opwerpen dat de inrichting van de parochiezaal al meer dan 70 jaar bestaat, het gebouw er reeds staat van vóór de stedenbouwwetgeving van 1962 en bijgevolg werd opgericht in een periode waarin geen vergunningsprocedure bestond zodat dit gebouw geacht wordt te zijn vergund. Hieruit leidt appellante af dat de inrichting van desbetreffende parochiezaal moet aangezien worden als een bestaande inrichting. 1.3.5. Eén en ander volstaat echter niet om te concluderen dat de uitbating van een dansgelegenheid in een dergelijk parochiezaal een "bestaande inrichting" zou uitmaken in de zin van de Vlarem - wetgeving. De Vlarem - regelgeving verstaat onder het begrip "bestaande inrichting" elke inrichting waarvoor een stedenbouwkundige vergunning verleend werd vóór 1 januari 1999. Hieronder dient begrepen te worden stedenbouwkundige vergunningen die vóór die datum verleend werden aan inrichtingen bestemd voor dansgelegenheden. 1.3.6. Appellante blijft in deze zaak in gebreke aan te tonen dat de parochiezaal vóór 1 januari 1999 reeds als dansgelegenheid werd gebruikt. Appellante brengt immers enkel stukken voor waaruit blijkt dat de parochiezaal vanaf 2004 gebruikt werd als dansgelegenheid (zie de diverse bruikleenovereenkomsten en hieraan gevoegde voorschriften voor het gebruik van parochielokalen). Bovendien werd op 9 juli 2002 een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het verbouwen van de bestaande parochiezaal met het oog op de modernisering van het gebouw wat op zich reeds aantoont dat vòòr de verbouwingen de parochielokalen niet geschikt waren om gebruikt te worden als een dansgelegenheid. De Bestendige Deputatie zal overigens in haar beslissing van 4 december 2003 zelf stellen dat de parochiezaal recentelijk werd vernieuwd met het oog op het beter isoleren van de zaal zoals dubbele beglazing en geluidsdempende platen en aan de inkom van de zaal een portaal werd aangebracht die zowel geluidswerend als thermisch isolerend werkt. Ook in de milieuvergunningsaanvraag van 2 juli 2003 is enkel sprake van het bekomen van een vergunning voor het uitbaten van een parochiehuis met dansgelegenheid en wordt geen gewag gemaakt van gelijkaardige activiteiten die in het verleden werden georganiseerd. In voornoemde beslissing van de Bestendige Deputatie wordt onder de hoofding "Evaluatie" in punt 4) overigens vermeld: " De stedenbouwkundige vergunning werd verleend op 09.07.2002. De milieuvergunningsaanvraag betreft de uitbating van een nieuwe inrichting ". 1.3.7. De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist dat de uitbating van de parochielokalen als dansgelegenheid diende aangezien te worden als een "nieuwe" inrichting en de geluidsnormering diende toegepast te worden geldende voor dergelijke inrichtingen. Appellante houdt ten onrechte voor dat de eerste rechter in zijn motivering de bewijslast zou omgekeerd hebben. Indien appellante beweert dat de door haar uitgebate inrichting aan alle wettelijke voorwaarden voldoet, is het aan haar om dit te bewijzen, quod non. 1.3.8. De milieuvergunning legt een beperkt akoestisch onderzoek op terwijl in deze een volledig akoestisch onderzoek vereist was, gezien het een nieuwe inrichting betreft. Appellante heeft weliswaar op eigen initiatief een volledig akoestisch onderzoek laten verrichten maar deskundige Verhas heeft dan weer toepassing gemaakt van de (minder strenge) geluidsnormen geldende voor bestaande inrichtingen. Er kan bijgevolg alleen vastgesteld worden dat tot op heden - zelfs na de uitspraak van de bestreden beslissing - nog steeds geen volledig akoestisch onderzoek voorgelegd wordt waarin toepassing gemaakt wordt van de geluidsnormen geldende voor nieuwe inrichtingen en waarbij nagegaan wordt of er bijkomende saneringsmaatregelen moeten genomen worden om te voldoen aan die normen. Het behoort dan ook in de gegeven omstandigheden een deskundige aan te stellen met als opdracht deze zoals uiteengezet in het beschikkend gedeelte van huidig arrest. De aanstelling van een deskundige dringt zich op gezien een dergelijk onderzoek van essentieel belang is voor de verdere afhandeling van dit dossier en niet tot de competentie van het hof behoort. Partijen hebben geen afstand gedaan van hun recht om de installatievergadering te houden in de raadkamer van de 1e kamer van dit hof. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Geeft akte aan mevrouw Van Waeyenberghe dat zij het geding hervat voor de consorten D. - D.. Vooraleer uitspraak te doen ten gronde, stelt aan als deskundige, de heer Carl JAKUS, te 1831 DIEGEM, Van der Aastraat 11, (tel. 02/25.03.33 - fax. 02/725.56.07) met als opdracht, na kennis te hebben genomen van alle nuttige en nodige stukken en van het standpunt van partijen,: - zich ter plaatse te begeven naar de parochiezaal gelegen in de dorpskern van de gemeente Ternat - W. alwaar een feestzaal wordt uitgebaat; - een volledig akoestisch onderzoek te verrichten, uitgaande van de Vlarem geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen; - zijn advies te geven of de huidige door appellante uitgebate feestzaal voldoet aan de Vlarem geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen; - in ontkennend geval zijn advies te geven over mogelijke saneringsmaatregelen die moeten genomen worden door appellante opdat haar inrichting zou voldoen aan de Vlarem - voorschriften inzake geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen en de kosten hiervan te begroten; - de (eventuele) hinder te omschrijven die geïntimeerde ondergaat ingevolge de (mogelijke) niet - naleving van de Vlarem geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen. Tijdens de installatievergadering, die gehouden zal worden in raadkamer, zal de deskundige o.a. aan partijen een raming geven van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek, of minstens van de wijze waarop zijn kosten en het ereloon en deze van de eventuele technische raadgevers berekend zullen worden, het bedrag van het voorschot bepalen alsmede het redelijk deel hiervan dat kan worden vrijgegeven en zal een agenda opgesteld worden waarbinnen het voorlopig verslag zal medegedeeld worden alsmede de opmerkingen van partijen. Zegt voor recht dat de kosten van de deskundige voorlopig zullen voorgeschoten worden door appellante. Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 13/10/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.