id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091013.9 Rolnummer: 2005AR3064 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-10-20 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 20:24 Fiche Artikel 923 B.W. inzake de inkorting schrijft voor: 'Schenkingen onder de levenden worden nooit ingekort dan nadat de waarde van alle goederen die in de beschikking bij testament begrepen zijn, is uitgeput'. Het is slechts indien de inkorting van het legaat of van de legaten niet volstaat om de reserve op te vullen, dat er wordt overgegaan tot de inkorting van de schenkingen. Met andere woorden, de schenker kan de schenkingen niet meer in het gedrang brengen door testamentaire beschikkingen te maken. Het tegendeel aannemen zou een inbreuk betekenen op het principe van de onherroepelijkheid der schenkingen. De reservataire erfgenaam moet bijgevolg zijn reserve in eerste instantie opnemen uit het volledige aanwezige netto - actief van de nalatenschap. Alleen indien dit netto - actief van de nalatenschap te gering is om de reserve van de reservataire erfgenaam volledig op te vullen, en enkel na inkorting van het algemeen legaat, kunnen de schenkingen het voorwerp vormen van inkorting. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Giften - Beschikbaar gedeelte - Inkorting Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artikel 923 Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2005/AR/3064 INZAKE VAN : 1) De heer F. V., en 2) Mevrouw M. S., appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 12 september 2005,, vertegenwoordigd door Meester Steven DAENS loco meester Bert LUYTEN, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai 2, 1ste kamer TEGEN : Mevrouw F. S., wonende te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Brigitta VERHAEREN, advocaat te 1820 STEENOKKERZEEL, Braambos 4, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 12 september 2005, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 21 november 2005; · de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 13 februari 2009; · de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 9 maart 2009. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 7 september 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellanten te horen veroordelen tot inbreng van het kapitaal ten bedrage van 33.465,63 euro , nadien herleid tot 25.976,77 euro , in de nalatenschap, plus de intresten vanaf 13 februari 2002, zodat kan worden overgegaan tot de volledige vereffening en verdeling van de nalatenschap van mevrouw D. I.. Gezien huidige appellanten opwierpen, bij wijze van verweer, dat deze fondsen het voorwerp uitmaakten van een levensverzekering (=Easy Fund Plan - tak 23) afgesloten door mevrouw I. waarvan zij de begunstigden waren, vroeg geïntimeerde bijkomend, bij wijze van eisuitbreiding, dat contract, ondanks de benaming ervan, niet te beschouwen als een levensverzekering doch te kwalificeren als een schenking in de vorm van een belegging ten voordele van huidige appellanten en te zeggen voor recht dat via de constructie van de levensverzekering zij, als reservataire erfgenaam, niet kon onterfd worden . 1.2. De eerste rechter heeft appellanten solidair veroordeeld tot betaling van een bedrag van 16.732,82 euro , plus de verwijlintresten vanaf 1 maart 2004 en de gerechtelijke intresten. 1.3. In hoger beroep verzoeken appellanten
(1)in hoofdorde, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en
(2)in ondergeschikte orde, de inkorting te bepalen op maximum 12.988,39 euro en notaris Filip de Sagher met standplaats te Steenokkerzeel, te gelasten met de definitieve opstelling van de akte van vereffening en verdeling van de nalatenschap van mevrouw I.. 1.
- Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde de toekenning van haar vordering zoals gesteld in haar syntheseconclusie van 15 februari
- II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerde de enige dochter is van mevrouw I. en bijgevolg de enige reservataire erfgenaam. Op 3 april 1991 dicteerde zij een testament aan notaris X. uit Z. waarbij zij al haar vorige testamenten herriep, het beschikbaar gedeelte van haar nalatenschap schonk aan
(1)de heer V. die zij tevens aanstelde als algemeen legataris en
(2)bij diens vooroverlijden aan mevrouw S., die dan tevens als algemeen legataris werd aangesteld. Op 14 juni 2000 sloot mevrouw I. bij Fortis een levensverzekering ‘Easy Fund Plan - tak 23' af met aanvankelijk als begunstigde de nalatenschap van de verzekerde en nadien appellanten, elk voor een gelijk deel. Hierin werd voorzien in een éénmalige premie van 1.350.000 BEF of 33.465,63 euro , plus de mogelijkheid van een jaarlijkse opvraging op 1 juli t.b.v. 2.354,99 euro . Als enige premie werd door mevrouw I. inderdaad een bedrag betaald van 1.350.000 BEF of 33.465,63 euro . Zij voerde "één jaarlijkse" opvraging uit, op 1 juli 2001 t.b.v. 2.354,99 euro . Mevrouw I. overleed op 14 januari
- Na het overlijden van mevrouw I. hebben de appellanten elk de helft van het kapitaal van de levensverzekering opgenomen, dat in totaal 25.976,77 euro bedroeg. Er wordt voorgehouden dat in uitvoering van voornoemd testament de heer V. tevens de helft van het netto-actief van de nalatenschap ontving of 24.340,19 euro en dat de andere helft van de nalatenschap uitgekeerd werd aan geïntimeerde. III. Beoordeling. 3.
- Appellanten houden voor dat: - De "easy Fund Plan' levensverzekering - tak 23 een reële levensverzekering uitmaakt en geen belegging; - De kwalificatie van een dergelijk contract door de rechter niet mag gewijzigd worden indien de elementen die onderworpen zijn aan zijn beoordeling de conventionele kwalificatie niet uitsluiten; - Een dergelijk contract een beding ten behoeve van derden bevat en het uitgekeerde kapitaal bijgevolg geen onrechtstreekse schenking uitmaakt gezien die fondsen nooit tot het patrimonium van de verzekerde hebben behoord; - Op grond van artikel 124 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst enkel die premies onderworpen zijn aan inbreng of inkorting, die kennelijk buiten verhouding staan tot de vermogenstoestand van de verzekeringnemer, wat in deze niet het geval zou zijn; - Ondergeschikt, ingeval van toepassing van voornoemd artikel 124, de inkorting nooit meer kan bedragen dan de uitgekeerde begunstiging, zodat hoogstens 25.976,77 euro bij de fictieve massa mag gevoegd worden (i.p.v. 33.465,63 euro ) wat die massa brengt op 74.657,14 euro (i.p.v. 82.146 euro ). 3.
- De eerste rechter oordeelde dat: - Door het aanduiden van appellanten als begunstigden het vermogen van de verzekeringneemster verarmd werd ten voordele van het vermogen van de begunstigden zonder dat hiervoor een tegenprestatie bestond ten laste van deze begunstigden en ten voordele van de verzekeringneemster; - De aanduiding van appellanten dient, vanaf de realisatie van de opschortende voorwaarde (= aanvaarding door de begunstigden of overlijden van de verzekeringneemster), beschouwd te worden als een beschikking om niet, zijnde een zuivere vrijgevigheid vanwege mevrouw I. ten voordele van appellanten, en maakte zodoende een onrechtstreekse schenking uit; - Gelet op de belangrijkheid van de betaalde premie , die kennelijk buiten verhouding staat tot de vermogenstoestand van de verzekeringneemster, dient, bij toepassing van artikel 124 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst de door mevrouw I. betaalde verzekeringspremie aan inbreng en inkorting worden onderworpen; - De fictieve massa bedraagt: 48.680,37 euro + 33.465,63 euro = 82.146 euro waarvan geïntimeerde recht heeft op de helft of 41.073 euro . Gezien zij uit de nalatenschap slechts een bedrag toegekend kreeg van 24.340,18 euro dient het aan appellanten toegekend verzekeringskapitaal ingekort te worden tot 41.073 euro - 24.340,18 euro = 16.732,82 euro teneinde de erfrechtelijke reserve van geïntimeerde te herstellen; - Appellanten zijn dan ook betaling verschuldigd van dat bedrag van 16.732,82 euro plus de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van de dagvaarding bij gebreke aan andere formele ingebrekestelling. 3.
- Artikel 923 B.W. inzake de inkorting schrijft voor: "Schenkingen onder de levenden worden nooit ingekort dan nadat de waarde van alle goederen die in de beschikking bij testament begrepen zijn, is uitgeput". Het is slechts indien de inkorting van het legaat of van de legaten niet volstaat om de reserve op te vullen, dat er wordt overgegaan tot de inkorting van de schenkingen. Met andere woorden, de schenker kan de schenkingen niet meer in het gedrang brengen door testamentaire beschikkingen te maken. Het tegendeel aannemen zou een inbreuk betekenen op het principe van de onherroepelijkheid der schenkingen. De reservataire erfgenaam moet bijgevolg zijn reserve in eerste instantie opnemen uit het volledige aanwezige netto - actief van de nalatenschap. Alleen indien dit netto - actief van de nalatenschap te gering is om de reserve van de reservataire erfgenaam volledig op te vullen, en enkel na inkorting van het algemeen legaat, kunnen de schenkingen het voorwerp vormen van inkorting (te beginnen bij de recentste schenking, maar in casu is er slechts één beweerde onrechtstreekse schenking, zijnde de levensverzekering met twee begunstigden, die geroepen zijn ingevolge art. 1121 B.W. inzake het beding ten behoeve van een derde). 3.
- In deze zaak bedroeg de fictieve massa maximaal 82.146 euro zodat de reserve waarop geïntimeerde recht op heeft een bedrag is van 41.073,37 euro . Het netto - actief terug gevonden in de nalatenschap van de decujus bedroeg 48.680,37 euro . De waarde van de reserve van geïntimeerde als reservataire erfgenaam is dus kleiner dan de waarde van het netto - actief van de nalatenschap die de overledene naliet. De reserve kan dus volledig geput worden uit het (aanwezige) netto - actief van de nalatenschap, en moet alzo dan ook opgenomen worden conform de artikelen 923 en 925 B.W. Dit geldt in deze ongeacht de kwalificatie die zou kunnen gegeven worden aan de levensverzekering als gehele of gedeeltelijke schenking die voor de berekening van de fictieve massa zou in aanmerking komen - hetzij qua kapitaal, hetzij qua premie - omdat zelfs wanneer deze levensverzekering voor het geheel als (onrechtstreekse) schenking zou gekwalificeerd worden, de waarde van het netto - actief van de nalatenschap dan nog groter zou zijn dan deze (beweerde) onrechtstreekse schenking. De reservataire erfgenaam S. kan hoe dan ook haar reserve volledig opnemen uit goederen die haar moeder naliet en teruggevonden werden in de nalatenschap. 3.
- Er bestaat in deze zaak bijgevolg geen grond voor welk danige inkorting ook van de beweerde schenking aan de twee begunstigden die geheel of gedeeltelijk onrechtstreeks zou vervat liggen in de bovenbedoelde verzekering. De twee begunstigden ervan blijven, qualitate qua, immers volledig buiten zake, ingevolge voornoemde artikelen 923 en 925 B.W., voor wat elke aanspraak betreft van geïntimeerde op basis van haar reserve als enige reservataire erfgenaam. Het is dan ook volkomen ten onrechte dat geïntimeerde voorhoudt dat door de desbetreffende verzekeringsovereenkomst - tak 23 haar rechten als reservataire erfgenaam worden geschonden. 3.
- Het nog overblijvende deel van de nalatenschap maakt deel uit van het beschikbaar deel toekomende aan de algemene legataris ingevolge testament. Dit restant van de nalatenschap - en dus niet de helft van de nalatenschap - is het enige concrete voorwerp van het algemene legaat van de heer V.. Het testament geeft aan de algemene legataris immers niet het recht om de helft van de netto-nalatenschap op te eisen wanneer de reservataire erfgename haar reserve opeist. De algemene legataris krijgt derhalve minder dan de helft uit het netto - actief van de nalatenschap omdat de reservataire erfgenaam zich eerst mag en moet bedienen uit dit netto - actief ten belope van zijn ganse reserve, waarvoor hij in deze niet de schenkingen onder de levenden mag aanspreken, nu de bestaande goederen van het netto - actief van de nalatenschap ruimschoots volstaan om haar erfrechtelijke reserve op te vullen. De begunstigden van de verzekering kunnen bijgevolg nooit aangesproken worden voor inkorting vanwege de enige reservataire erfgenaam, nu hun bevoordeling bij levensverzekering onbetwistbaar volledig aanrekenbaar is op het beschikbaar deel van de fictieve massa in de zin van artikel 922 B.W. en dus, a contrario, de reserve van de reservataire erfgenaam niet aantast, daar er voldoende goederen aanwezig zijn in de nalatenschap ter opvulling van zijn reserve. Dit brengt met zich mee dat de heer V. als algemene legataris geen recht heeft op de helft van het netto - actief van de nalatenschap. De testamentaire beschikking in het voordeel van de algemene legataris kan immers slechts uitgevoerd worden op en opgevuld worden met de goederen die de overledene nalaat, en nadat met deze goederen in de eerste plaats de reserve van de reservataire erfgenaam ermee volledig opgevuld is, waardoor, ipso facto, het concreet voorwerp van het algemeen legaat van de legataris in deze zeer drastisch vermindert. De algemene legataris heeft immers slechts recht op het restant van het netto-actief van de goederen van de nalatenschap, nadat de reservataire erfgenaam haar reserve die ze opeist, heeft verkregen uit dit netto - actief van de nalatenschap. 3.
- Derhalve dient besloten te worden dat op grond van voormeld artikel 923 B.W. de twee begunstigden qualitate qua van de levensverzekering, geen uitstaans hebben met de verdeling van de nalatenschap. Elke vordering tot inkorting vanwege de reservataire erfgenaam in zoverre tegen hen gericht, is zodoende ongegrond, omdat in deze de reserve van die reservataire erfgenaam kennelijk volledig opgevuld kan worden met goederen nagelaten door de testatrice bij haar overlijden, en dus zonder dat er aanleiding is tot inkorting van de door geïntimeerde beweerde schenking onder de levenden die - volgens haar stelling - onrechtstreeks zou vervat zijn in de verzekering. 3.
- Eén en ander brengt met zich mee dat niet nader dient onderzocht te worden op welke wijze de door de decujus aangegane levensverzekering al dan niet moet geïnterpreteerd worden. Uit de clausules van die overeenkomst blijkt afdoend dat appellanten beiden de begunstigden ervan zijn en de uitgekeerde bedragen tasten hoe dan ook de reserve niet aan van geïntimeerde als reservataire erfgenaam die ingevolge de testamentaire beschikkingen enkel rechten kan doen gelden op haar wettelijke reserve en niets meer. 3.
- Geïntimeerde S. vraagt verder, bij wijze van incidenteel beroep, betaling van het bedrag van 25.976,77 euro - hetzij het volledige door de verzekeraar uitgekeerde kapitaal aan de twee begunstigen van de verzekering - op grond van artikel 792 B.W. Artikel 792 B.W. is enkel van toepassing op erfgenamen, alsook op algemene rechtsopvolgers, zoals algemene legatarissen of contractueel erfgestelden, of contractueel erfgestelden en legatarissen te algemenen titel, kortom op deelgenoten in de nalatenschap. Voornoemde bepaling is niet toepasselijk op verkrijgers ten bijzondere titel. Derhalve is de vordering van Mevrouw S. tegen Mevrouw S. en tegen de heer V., beiden in hun hoedanigheid van begiftigden ten bijzondere titel, niet gegrond. Ten overvloede levert geïntimeerde zelfs niet eens het bewijs van het verwezenlijkt zijn van alle toepassingsvoorwaarden van artikel 792 B.W. (= bedrieglijk opzet, het wegmaken of verborgen houden van goederen van de nalatenschap). 3.
- Geïntimeerde beperkt haar vordering tot het terugvorderen van een deel of het geheel van het kapitaal uitgekeerd aan appellanten in uitvoering van de genaamde "Levensverzekering - Tak 23" wegens aantasting van haar reserve. Deze vordering, zoals ingesteld, is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt zodoende hervormd. 3.
- Appellanten vragen tenslotte, in ondergeschikte orde, voor zover het hof zou oordelen dat hun begunstiging (= kapitaal bekomen via de levensverzekering - tak 23) moet ingekort worden, de inkorting te bepalen en dienvolgens notaris Filip de Sagher met standplaats te Steenokkerzeel te gelasten met de definitieve opstelling van de akte van verdeling en vereffening van de nalatenschap van wijlen mevrouw I.. Gezien hoger reeds uiteengezet werd dat niet tot inkorting dient overgegaan te worden omdat het netto-actief van de nalatenschap volstond om aan geïntimeerde haar reserve uit te keren en gezien geïntimeerde zelf geen eigenlijke vordering instelt om uit de onverdeeldheid te treden t.a.v. de heer V. alleen, is de rechtsmacht van dit hof uitgeput en behoort het hem bijgevolg niet instrumenterende notarissen in te stellen in het raam van de artikelen 815 B.W. en 1207 tot 1224 Ger.W. 3.
- Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding hebben beide partijen ter zitting van 7 september 2009 om de toepassing gevraagd van het basistarief . Gelet op de omvang van het door geïntimeerde gevorderde bedrag, werd deze terecht begroot op 2.000 euro . Dit bedrag komt toe aan geïntimeerden als de in het gelijk gestelde partijen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Verklaart het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre hierin de kosten begroot zijn, en opnieuw recht sprekende voor het overige, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep begroot - in hoofde van appellanten op euro 2.186 (186 rolrecht + 2.000 rechtsplegingsvergoeding) en - in hoofde van geïntimeerde op euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 13/10/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Marc DEBAERE, Raadsheer, Isabelle DE RUYDTS, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div