← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091026.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 26 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091026.2 Rolnummer: 2006AR2608 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-10-26 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 20:29 Fiche I. De hele redenering van de Belgische Staat als zou de echtgenote van een persoon, slachtoffer van een onwerkdadige voorlopige hechtenis, geen rechten meer kunnen laten gelden op een schadevergoeding op grond van artikel 1382 e.v. B.W. omdat haar echtgenoot reeds een vergoeding bekwam op grond van artikel 28 van de wet van 13 maart 1973 wat een erkenning met zich zou meebrengen dat de Minister van Justitie geen fout te verwijten valt en hem bijgevolg geen fout meer ten laste kan gelegd worden door een derde, miskent de elementaire beginselen van het aansprakelijkheidsrecht. II. De overheid kan aansprakelijk gesteld worden voor schade veroorzaakt door fouten, begaan door magistraten in de uitoefening van hun functie, binnen bepaalde grenzen . Een magistraat begaat een fout indien hij een wettelijke, een reglementaire of een supranationale norm overtreedt die hem een bepaalde gedraging of een welbepaald verbod oplegt of indien hij, bij afwezigheid van een dergelijke rechtsnorm, niet gehandeld heeft op de wijze die mag verwacht worden van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Is de schadeveroorzakende foutieve handeling van een magistraat het rechtstreeks voorwerp van de rechtsprekende functie - met name bij een rechtsprekende handeling of jurisdictionele beslissing - dan is de aansprakelijkheidsvordering in de regel slechts ontvankelijk indien de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen kracht van gewijsde meer heeft . UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Rechterlijke macht STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Onwerkdadige voorlopige hechtenis Vrije woorden: Strafonderzoek. Bewerde fout van de onderzoekers. Beweerde fout van de strafrechter. Aansprakelijkheid van de Staat voor handeling der magistraten. Onwerkdadige voorlopige hechtenis. Rechten, op grond van artikelen 1382_1383 BW, van de echtgenote van de persoon slachtiffer van een onwerkdadige voorlopige hechtenis. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/2608 INZAKE VAN : De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 januari 2006, vertegenwoordigd door Meester Stefaan VERBOUWE, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 270, 1ste kamer TEGEN : Mevrouw L. S., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Ellen BAELE, loco Meester Victor VAN AELST, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Justitieplein 9 bus 7, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 januari 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 22 september 2006; · de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 20 december 2006; · de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 20 februari 2007; · de aanvullende conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 19 maart 2007. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 28 september 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellant te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 99.157,14 euro , plus de vergoedende intresten vanaf 23 oktober 1997, zijnde de eerste dag van de vrijheidsberoving van haar echtgenoot, de genaamde E. D.. Diezelfde dag werd een gelijkaardige vordering ingediend door de heer E. D. zelf die naast voornoemd bedrag tevens een bedrag vorderde van 2.097.178,50 euro ten titel van materiële schadevergoeding. 1.2. De eerste rechter heeft

(1)beide zaken samengevoegd,
(2)de vordering van de heer E. D. onontvankelijk en ongegrond verklaard,
(3)de vordering van mevrouw L. S. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en
(4)dienvolgens huidige appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van 10.000 euro , ten titel van morele schadevergoeding, plus de gerechtelijke intresten. 1.
  1. Het hoger beroep van appellant beoogt de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren. 1.
  2. Bij incidenteel beroep vraagt geïntimeerde de integrale toekenning van haar aanvankelijke vordering. II. De Feiten. 2.
  3. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  4. Samengevat komt het hierop neer dat de heer D. van zijn vrijheid werd beroofd op 23 oktober 1997 omdat hij verdacht werd tussen 1 januari 1996 en 6 oktober 1997, meermaals op bepaalde data, een aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op personen die geen volle 16 jaar oud waren op het ogenblik van de feiten met de omstandigheid dat de verdachte behoort tot diegenen die over het slachtoffer gezag hebben. Op 24 juni 1998 werd betrokkene voor deze feiten door de correctionele rechtbank te Brussel veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 8 maanden. Diezelfde dag werd de heer D. in vrijheid gesteld omdat hij reeds een voorlopige hechtenis had uitgezeten van 8 maanden. Op 27 september 2000 werd de heer D. door het hof van beroep te Brussel voor diezelfde feiten vrijgesproken. 2.
  5. Op 1 oktober 2001 diende de heer D. een verzoekschrift in bij de Minister van Justitie tot betaling van schadevergoeding wegens onwerkzame voorlopige hechtenis. De heer D. verkreeg uiteindelijk in hoger beroep een vergoeding van 130.000 euro (20.000 euro = morele schade + 100.000 euro = materiële schade = verlies inkomsten + 10.000 euro = kosten van verdediging). Het is overigens om die reden dat de eerste rechter de vordering van de heer D. onontvankelijk en ongegrond verklaarde gezien hij van oordeel was dat na de toekenning van een vergoeding wegens onwerkdadige hechtenis het onmogelijk was om nadien een bijkomende vergoeding te vragen wegens onrechtmatige hechtenis. Gezien mevrouw S. geen beroep deed op voornoemde wet van 13 maart 1973 werd haar vordering wel ontvankelijk verklaard en verder deels gegrond. III. Beoordeling. 3.
  6. Mevrouw S. steunt haar vordering op artikel 1382 e.v. B.W. Zij is de mening toegedaan dat vooreerst de onderzoekers fouten begingen door in een dergelijke delicate zaak niet zorgvuldig genoeg op te treden zoals van een normale onderzoeker mag verwacht worden. Zij meent verder dat de eerste (straf)rechter ook een fout beging door de zaak totaal foutief te beoordelen binnen het kader van zijn appreciatiebevoegdheid. 3.
  7. De Belgische Staat werpt eerst op dat mevrouw S. geen vordering meer zou kunnen instellen op grond van artikel 1382 e.v. B.W. wegens onwerkdadige hechtenis omdat haar echtgenoot reeds een dergelijke vergoeding bekomen heeft bij toepassing van de wet van 13 maart 1973 (waarin toepassing wordt gemaakt van het beginsel van de foutloze aansprakelijkheid) en een welbepaalde handeling niet tegelijkertijd als foutloos en foutief kan aangezien worden. De Staat argumenteert verder dat zijn organen geen fout begingen minstens dat enig oorzakelijk verband ontbreekt tussen de vermeende fout en de geleden schade. 3.
  8. Vooreerst dient een onderscheid gemaakt te worden tussen onrechtmatige hechtenis (= artikel 27 van de wet van 13 maart 1973) en onwerkdadige hechtenis (= artikel 28 van de wet van 13 maart 1973). De vordering die uit een onrechtmatige hechtenis ontstaat, is een vordering tot schadevergoeding, die volgens de gewone regels van het aquiliaans aansprakelijkheidsrecht voor de burgerlijke rechtbanken wordt gebracht en gE.ht moet worden tegen de Belgische Staat, in de persoon van de Minister van Justitie. De vergoeding die uitgekeerd wordt ingevolge een onwerkdadige hechtenis is geen echte schadevergoeding maar enkel een vergoeding/tegemoetkoming die naar billijkheid wordt toegekend door de Minister van Justitie zelf . Geïntimeerde steunt haar vordering niet op voornoemde wetgeving - wat ze overigens niet kan gezien de wet van 13 maart 1973 enkel een vergoedingsregime instelt ten gunste van diegenen die daadwerkelijk van hun vrijheid werden beroofd - maar wel op artikel 1382 e.v. B.W. De echtgenoot van geïntimeerde, de heer D., bekwam een vergoeding op grond van artikel 28 van de wet van 13 maart 1973 . Bij de beoordeling van een dergelijke vergoeding moeten enkel drie objectieve voorwaarden vervuld zijn en niets meer. Hierbij wordt geen toepassing gemaakt van de regels van het aquiliaanse aansprakelijkheidsrecht en is het "foutbegrip" niet aan de orde. De hele redenering van appellant als zou geïntimeerde geen rechten meer kunnen laten gelden op een schadevergoeding op grond van artikel 1382 e.v. B.W. omdat haar echtgenoot reeds een vergoeding bekwam op grond van artikel 28 van de wet van 13 maart 1973 wat een erkenning met zich zou meebrengen dat de Minister van Justitie geen fout te verwijten valt en hem bijgevolg geen fout meer ten laste kan gelegd worden door een derde, is bijgevolg totaal gebrekkig en miskent de elementaire beginselen van het aansprakelijkheidsrecht. Er bestaat dan ook geen aanleiding om op grond van dergelijke motieven de vordering van geïntimeerde af te wijzen. 3.
  9. De overheid kan aansprakelijk gesteld worden voor schade veroorzaakt door fouten, begaan door magistraten in de uitoefening van hun functie, binnen bepaalde grenzen . Een magistraat begaat een fout indien hij een wettelijke, een reglementaire of een supranationale norm overtreedt die hem een bepaalde gedraging of een welbepaald verbod oplegt of indien hij, bij afwezigheid van een dergelijke rechtsnorm, niet gehandeld heeft op de wijze die mag verwacht worden van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Is de schadeveroorzakende foutieve handeling van een magistraat het rechtstreeks voorwerp van de rechtsprekende functie - met name bij een rechtsprekende handeling of jurisdictionele beslissing - dan is de aansprakelijkheidsvordering in de regel slechts ontvankelijk indien de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen kracht van gewijsde meer heeft . 3.
  10. Geïntimeerde verwijt in concreto aan de eerste (straf)rechter het recht niet op een juiste wijze te hebben toegepast gezien zijn beslissing in hoger beroep hervormd werd en verder een beoordelingsfout te hebben gemaakt in het kader van zijn appreciatiebevoegdheid. Vooreerst dient onderlijnd te worden dat de eerste (straf)rechter geen schending kan verweten worden van enige welbepaalde gevestigde rechtsnorm dan ook. Geïntimeerde duidt overigens niet eens aan welke welbepaalde norm dan wel zou geschonden zijn. Verder staat vast dat de beoordeling van feiten, verzameld in het licht van mogelijke seksuele misdrijven, altijd uiterst moeilijk is gezien dergelijke feiten steeds vatbaar zijn voor verschillende interpretaties. De rechter wordt in dergelijke dossiers immers overwegend geconfronteerd met enkel de verklaringen van de slachtoffers - die soms bijzonder jong zijn - enerzijds en van de potentieel aangeduide dader(s) anderzijds en beschikt over bitter weinig "objectieve gegevens" om zijn beslissing op te steunen. De beoordeling van huidige strafzaak werd bovendien nog bemoeilijkt door de omstandigheid dat de inverdenkinggestelde 10 jaar eerder reeds (definitief) veroordeeld werd voor gelijkaardige feiten. De raadkamer was bovendien van oordeel dat tegen de heer D. voldoende "bezwaren" voorhanden waren (wat in de procedure ten gronde bevestigd werd door het hof van beroep) om tot verwijzing naar de correctionele rechtbank over te gaan. De wijze waarop door een rechter ten gronde louter feitenmateriaal wordt geïnterpreteerd, behoort tot de soevereine appreciatie van een magistraat en in huidige aangelegenheid heeft de betrokken magistraat in eerste aanleg, bij de beoordeling van die feiten, zich gedragen als een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, geplaatst in dezelfde omstandigheden. De vordering van geïntimeerde is dan ook ongegrond in zoverre hierbij fouten worden verweten aan een lid van de rechterlijke macht. 3.
  11. Geïntimeerde verwijt vervolgens aan de "onderzoekers/verbalisanten" een gerechtelijk onderzoek te hebben uitgevoerd op een zeer eigenaardige en zeer merkwaardige wijze en verder verhoortechnieken te hebben toegepast waarbij de rechten van verdediging van de heer D. werden aangetast, kortom niet te hebben gehandeld zoals van een normaal en zorgvuldig onderzoeker, zeker in een erg delicate zaak, kan verwacht worden. Geïntimeerde beperkt zich in haar conclusie tot de opsomming van een aantal algemeenheden die door geen enkel concreet gegeven gestaafd worden . Ten overvloede wordt opgemerkt dat het Wetboek van Strafvordering thans zelfs speciale verhoortechnieken oplegt voor het ondervragen van minderjarigen die het slachtoffer zijn of getuige waren van bepaalde misdrijven waaronder aanranding op de eerbaarheid . Het is niet duidelijk wat geïntimeerde in dit verband aan de "onderzoekers" verwijt. Het is verder niet omdat een onderzoek werd gestart rond de heer D. naar aanleiding van andere feiten waarmede hij geen uitstaans had dat een dergelijk onderzoek plots zeer eigenaardig wordt en op merkwaardige wijze gevoerd. Geïntimeerde geeft verder toe in haar conclusie dat hangende het proces - en voor het sluiten van de debatten - de Advocaat - Generaal een gedeelte van de door de heer D. gevraagde bijkomende onderzoeksdaden ingewilligd heeft, wat alleen maar aantoont dat de rechten van verdediging van de heer D. wel degelijk geëerbiedigd werden. Bijgevolg is de vordering van geïntimeerde tevens ongegrond in zoverre hierbij fouten worden verweten bij het voeren van het gerechtelijk onderzoek. 3.
  12. Het bestreden vonnis wordt dan ook hervormd binnen de perken van huidig beroep. Alle overige door geïntimeerde ingeroepen middelen zijn terzake niet dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
  13. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft vroeg appellant ter zitting van 28 september 2009 om de toepassing van het basistarief terwijl geïntimeerde verzocht dit te herleiden tot het minimumtarief gelet op haar beperkte financiële draagkracht . Uit de neergelegde stukken blijkt dat geïntimeerde aanvankelijk met de heer D. een logopediepraktijk uitbaatte. Gelet op de aard van de feiten die aan de heer D. ten laste werden gelegd, kan aangenomen worden dat deze praktijk leegliep en dat de uiteindelijke vrijspraak van betrokkene onvoldoende was om de vroegere cliënten te overtuigen, terug te komen. De bewijzen van inkomsten van de heer D. tonen het één en ander afdoend aan. Geïntimeerde leeft intussen feitelijk gescheiden van haar echtgenoot van wie ze verder niet veel financiële steun meer moet verwachten. In de gegeven omstandigheden komt het redelijk voor het tarief van de rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot het minimumbedrag. Gelet op het door geïntimeerde in haar laatste conclusie gevorderde bedrag komt het minimumbedrag op 1.000 euro (= schaal tussen 60.000,01 euro en 100.000 euro ). Dit bedrag komt toe aan appellant als de in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre hierin de kosten worden begroot en de vordering ontvankelijk werd verklaard, en opnieuw recht sprekende voor het overige, Verklaart de oorspronkelijke vordering ingesteld door geïntimeerde ongegrond. Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, deze van het hoger beroep, begroot - in hoofde van appellant op euro 1.186 (186 rolrecht + 1.000 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 26/10/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Marc BOSMANS, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE M. BOSMANS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.