← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091110.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 10 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091110.2 Rolnummer: 1998AR2182 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-13 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 20:34 Fiche I. De regeling van artikel 1154 B.W., die van openbare orde is, laat de kapitalisatie van de intresten toe ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning of ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op intresten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn. Als gerechtelijke aanmaning in overeenstemming met artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek kan gelden een dagvaarding, of een ter griffie neergelegde conclusie die de aandacht van de schuldenaar vestigt op de kapitalisatie . De neerlegging op de griffie geldt als betekening . II. Artikel 1154 B.W. is niet onverzoenbaar met de algemene aannemingsvoorwaarden. Ook deze kapitalisatie kan dus toegestaan worden. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Interest - Anatocisme PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Aanneming werken - Algemeen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - OVERHEIDSOPDRACHTEN - Algemene uitvoeringsbepalingen overheidsopdrachten - Algemeen Vrije woorden: Overheidsopdrachten. Algemene aannemingsvoorwaarden (AAV 1976). Intresten. Anatocisme: artikel 1154 BW, in combinatie met artikel 746 Ger. W.: neerlegging van de conlusies geldt als betekening. Verzoenbaarheid tussen de AAV van 1976 en artikel 1154 BW. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 1998/AR/2182 Overheidsopdracht - herstelling - vordering onderaannemer INZAKE VAN : Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 20 bus 1, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 mei 1998, vertegenwoordigd door Meester TURKRY loco Meester Marc THEUNIS, advocaat te 2610 ANTWERPEN, Laarstraat 16 C, 1ste kamer TEGEN : 1) De naamloze vennootschap VICTOR BUYCK STEEL CONSTRUCTION, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9900 EEKLO, Pokmoere 4, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder het nummer 154.324, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester MOEYERSONS loco Meester Patrick MARNEF, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 137 bus 1, 2) De B.V.B.A. AELTERMAN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9100 GENT, Beelhoekstraat 115, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder het nummer 65.974, 3) De N.V. ANTWERPSE BOUWWERKEN, voorheen ANTWERPSE BOUWWERKEN VERBEECK, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2140 ANTWERPEN, Bouwensstraat 35, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer 57.620, tweede en derde geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester André CAEYMAEX, advocaat te 2610 ANTWERPEN-WILRIJK, Prins Boudewijnlaan 177-181,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 7 mei
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  3. De feiten Uit de voorgelegde stukken blijkt in substantie het volgende. Na openbare aanbesteding heeft de BELGISCHE STAAT aan de tijdelijke vennootschap AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN de opdracht gegund voor "alle werken en leveringen voor het verwezenlijken van een nieuwe basculebrug over de Rupel te Boom" overeenkomstig een bijzonder bestek C/84.K.
  4. VICTOR BUYCK trad op als onderaannemer voor de schilderwerken aan de brug. Bij proces-verbaal van 14 september 1988 werd de voorlopige oplevering vastgesteld . De BELGISCHE STAAT deelde het proces-verbaal mee bij brief van eind september 1988 aan onder meer de tijdelijke vennootschap en VICTOR BUYCK, en maakte daarbij voorbehoud voor het volgende: "- aan de onderzijde van de beweegbare klep treedt reeds roestvorming op, voornamelijk te situeren naast de dwarsliggers doch verspreid over de volledige brugoppervlakte. Dit fenomeen dient, in overleg met het Bruggenbureau Hasselt nader onderzocht en de aannemer wordt tevens verzocht hiertoe een voorstel tot herstelling in te dienen; - plaatselijk wordt eveneens roestvorming vastgesteld aan de wapening van de betonrandbalk in vak I t.h.v. de uitwateringsbuizen. De oorzaak hiervan is waarschijnlijk te zoeken in het niet tijdig instrijken van de wapening na het zandstralen." Bij proces-verbaal van 4 december 1988 stelde de BELGISCHE STAAT dat de roestvorming dermate ernstig was dat dringend herstellingswerken moesten uitgevoerd worden . Het proces-verbaal van 23 februari 1989 over een vergadering met onder meer de BELGISCHE STAAT, de tijdelijke vennootschap en VICTOR BUYCK bevat de verschillende standpunten van partijen over de oorzaak. Het vermeldt verder dat een herstelling nodig is, en dat de aannemer voor 15 maart 1989 een voorstel met gedetailleerde kostenraming zal indienen voor het herstellen van de schildering, dat de aannemer een deskundige kan aanstellen, en dat met toepassing van artikel 42 van de algemene aannemingsvoorwaarden aan de aannemer opdracht kan gegeven worden voor uitvoering van de herstelling. Het blijkt niet dat de tijdelijke vennootschap een voorstel met kostenraming heeft gestuurd. Een verslag van een vergadering van de BELGISCHE STAAT met VICTOR BUYCK van 5 oktober 1989 bevat de mededeling dat de herstelling zal gebeuren door VICTOR BUYCK, dat het bestuur zal beslissen welk vak herschilderd wordt, en dat VICTOR BUYCK tegen 12 oktober 1989 een gedetailleerde prijsraming zal overmaken aan het bestuur . Op 11 oktober 1989 maakte VICTOR BUYCK inderdaad aan de BELGISCHE STAAT, met kopie aan de tijdelijke vennootschap, een prijsraming over en de bevestiging dat zij overging tot uitvoering, en nog steeds voorbehoud maakte voor de verantwoordelijkheid . De tijdelijke vennootschap maakte de brief van 11 oktober 1989 op 16 oktober 1989 over aan de BELGISCHE STAAT, met toevoeging dat de vermelde prijzen met 10% moesten verhoogd worden "voor winst en algemene kosten" . Op dagvaarding van VICTOR BUYCK stelde de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen in kort geding op 5 april 1990 professor ingenieur VEREECKEN aan als deskundige. De deskundige stelde zijn eindverslag op op 27 januari 1993 . Zijn besluit luidde samengevat als volgt. De corrosie werd veroorzaakt door een zwavelverbinding, en de microklimatologische omstandigheden te wijten aan de speciale bouw van de brug hebben een belangrijke rol gespeeld. Dat het beschermingssysteem geen corrosie heeft kunnen vermijden kan te wijten zijn aan het feit dat het verfsysteem niet bestand is tegen de corrosieve omstandigheden, of dat het slecht is aangebracht. Van dat laatste had hij geen materiële bewijzen gevonden; het eerste kon blijken uit de evolutie na het herschilderen. In 1991 had VICTOR BUYCK ondertussen de herstellingswerken uitgevoerd, en op 13 mei 1992 richtte zij een betalingsaanvraag aan het VLAAMSE GEWEST, opvolger van de BELGISCHE STAAT. Partijen kwamen niet tot een minnelijke oplossing, en VICTOR BUYCK dagvaardde het VLAAMSE GEWEST, en dagvaardde vervolgens AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN tot tussenkomst.
  5. Het onderwerp van de vordering 3.
  6. Voor de eerste rechter vorderde VICTOR BUYCK de veroordeling van het VLAAMSE GEWEST tot de betaling aan haar van 2.143.961 BEF, te vermeerderen met de conventionele interesten bedoeld in artikel 15, §4 van de algemene aannemingsvoorwaarden vanaf 13 juli
  7. Zij vroeg de kapitalisatie van de intresten in overeenstemming met artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek bij conclusies van 28 oktober
  8. Ondergeschikt vorderde zij de veroordeling van AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN, hoofdelijk of in solidum, tot de betaling aan haar van 2.143.961 BEF, te vermeerderen met "de conventionele interesten van toepassing op overheidsopdrachten" bedoeld in artikel 15, §4 van de algemene aannemingsvoorwaarden vanaf 13 juli
  9. Zij vroeg de kapitalisatie van de intresten overeenkomstig artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek bij conclusies van 28 oktober
  10. Het VLAAMSE GEWEST concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering, en van de tussenvordering van AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN. AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN concludeerden tot de ongegrondheid van de vordering van VICTOR BUYCK. Ondergeschikt vroegen zij het VLAAMSE GEWEST te veroordelen tot betaling van 2.358.357 BEF (het bedrag gevorderd door VICTOR BUYCK van het VLAAMSE GEWEST plus een vergoeding van 10 % voor winst en algemene kosten) plus de intresten vanaf 13 mei
  11. Bij tussenvordering vroegen zij ten slotte nog het VLAAMSE GEWEST te veroordelen tot de vrijgave van de borgstelling, op verbeurte van een dwangsom. 3.
  12. De eerste rechter verklaarde de vordering van VICTOR BUYCK tegen het VLAAMSE GEWEST ontvankelijk maar ongegrond. Hij verklaarde de vordering van VICTOR BUYCK tegen AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN gegrond. Hij verklaarde de vordering van AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN tegen het VLAAMSE GEWEST gedeeltelijk gegrond en veroordeelde het GEWEST tot vrijwaring voor de veroordeling jegens VICTOR BUYCK. De vordering van AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN met betrekking tot de borgstelling wees hij af als voorbarig. Hij stond geen kapitalisatie van intresten toe. 3.
  13. In hoger beroep herneemt het VLAAMSE GEWEST zijn oorspronkelijk verweer. VICTOR BUYCK concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt zij haar oorspronkelijke vordering tegen het VLAAMSE GEWEST. Zij vraagt verder bij incidenteel hoger beroep opnieuw toepassing van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek bij conclusies neergelegd op 5 mei 1999, en (bij incidentele vordering) bij conclusies van 10 april 2006 en 14 september
  14. Ondergeschikt herneemt zij dezelfde vordering tegen AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN. AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep hernemen ze hun vordering tegen het VLAAMSE GEWEST tot vrijwaring met aanrekening van een verhoging van 10 % voor winst en algemene kosten. Bij incidentele vordering vragen ook zij nu kapitalisatie van intresten, bij conclusies neergelegd op 6 maart 2000 en 12 juni
  15. Zij verklaren dat de vrijgave van de borgstelling ondertussen is geregeld tussen partijen.
  16. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  17. De ontvankelijkheid van de vordering Het VLAAMSE GEWEST werpt op dat de vordering van VICTOR BUYCK tegen hem niet ontvankelijk is omdat er geen rechtsverband is tussen hen. Dat middel heeft niet betrekking op de ontvankelijkheid maar op de grond. Het VLAAMSE GEWEST laat verder gelden dat de vordering van VICTOR BUYCK voor zover gesteund op een overeenkomst met toepassing van de algemene aannemingsvoorwaarden niet ontvankelijk is omdat zij is ingesteld buiten de termijn van artikel 18.2 van de algemene aannemingsvoorwaarden, te weten een jaar na de voorlopige oplevering van de werken. Deze stelling kan niet gevolgd worden. Indien de vordering van VICTOR BUYCK wordt aangezien als een vordering met betrekking tot de oorspronkelijke opdracht (wat VICTOR BUYCK niet doet), kan de termijn van artikel 18.2 niet toegepast worden op een vordering met betrekking tot herstellingswerken die pas jaren na de voorlopige oplevering zijn gevraagd en uitgevoerd. Indien de vordering van VICTOR BUYCK wordt begrepen als een vordering met betrekking tot een nieuwe opdracht, ontstaan door overeenkomst tussen het VLAAMSE GEWEST en VICTOR BUYCK in 1989, moet vastgesteld worden dat er geen oplevering is gebeurd die de termijn doet lopen. De vordering is dus ontvankelijk. 4.
  18. De grond van de vordering 4.2.
  19. De herstelling als uitvoering van overeenkomst tussen VICTOR BUYCK en de BELGISCHE STAAT Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat VICTOR BUYCK haar eis niet kan steunen op een overeenkomst tussen haar en (de rechtsvoorganger van) het VLAAMSE GEWEST. Uit de voorgelegde stukken blijkt duidelijk en ondubbelzinnig dat het bestuur, de tijdelijke vennootschap en VICTOR BUYCK het herschilderen begrepen als een herstelling of heruitvoering van werken die waren uitgevoerd door VICTOR BUYCK als onderaannemer voor de tijdelijke vennootschap. Bij de oplevering van de brug had het bestuur voorbehoud gemaakt met betrekking tot de roestvorming, en het is dit steeds blijven beschouwen als een gevolg van een uitvoeringsfout waarvoor zijn contractspartij moest instaan. Volgens de beginselen van ons verbintenissenrecht vraagt de contractspartij die een sanctie wil voor de wanprestatie van de andere partij de uitvoering van die sanctie door die andere partij. Dit geldt zowel voor de uitvoering in natura (het normale rechtsmiddel) als voor de vervangende schadevergoeding. Het is a priori uiteraard niet onmogelijk dat het opdrachtgevend bestuur de herstelling na uitvoering van een overheidsopdracht wil toevertrouwen aan een andere aannemer of aan een onderaannemer in plaats van aan de aannemer aan wie de opdracht oorspronkelijk gegund was. VICTOR BUYCK, die zich beroept op een dergelijke, afzonderlijke, overeenkomst, draagt daarvan echter de bewijslast (artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Uit de voorgelegde stukken blijkt integendeel dat de BELGISCHE STAAT van mening was dat de schade uit de (beweerde) uitvoeringsfout van de schilderwerken moest hersteld worden door de aannemer (dit is de tijdelijke vennootschap), en dat hij de aannemer daar zelfs opdracht toe kon geven (zie de vermelde processen-verbaal van 4 december 1988 en 23 februari 1989). Het blijkt niet dat de BELGISCHE STAAT (of het VLAAMSE GEWEST) op enige wijze hebben gemeld aan de tijdelijke vennootschap dat die niet meer het recht had op uitvoering van haar verbintenis door middel van het laten uitvoeren van herstellingen. Evenmin blijkt dat de tijdelijke vennootschap op enige wijze is overgegaan tot de overdracht van (een gedeelte van) de overeenkomst met betrekking tot de basculebrug over de Rupel te Boom (voor zover dat al zou verenigbaar zijn met de wetgeving inzake overheidsopdrachten). Ten onrechte leest VICTOR BUYCK een bewijs van een afzonderlijke overeenkomst in het vermelde verslag van de vergadering van 5 oktober 1989 en haar eigen brief van 11 oktober
  20. De bewering van VICTOR BUYCK dat het bestuur haar een opdracht heeft gegeven op basis van haar offerte van 11 oktober 1989 vindt daarin geen bevestiging. Het verslag vermeldt inderdaad dat een ingenieur van VICTOR BUYCK meedeelt dat VICTOR BUYCK zal herstellen, en dat is ook wat is gebeurd. Er staat niet dat dit gebeurt bij overeenkomst tussen de BELGISCHE STAAT en VICTOR BUYCK. De herstelling blijkt integendeel te zullen gebeuren volgens de richtlijnen van het bestuur (dat zal beslissen welk vak herschilderd wordt, en wanneer elke laag mag overschilderd worden). De vermelding dat VICTOR BUYCK tegen 12 oktober 1989 een gedetailleerde prijsraming zal overmaken aan het bestuur, en de prijsopgave bij brief van 11 oktober 1989 bewijzen evenmin het bestaan van een overeenkomst. Het zelfde geldt voor het feit dat de tijdelijke vennootschap, de hoofdaannemer, niet vertegenwoordigd was op de vergadering van 5 oktober
  21. Dat VICTOR BUYCK in haar brief van 11 oktober 1989 nog steeds voorbehoud maakte voor de verantwoordelijkheid, bevestigt ten slotte dat zij zelf ook de herstelling beschouwde als een heruitvoering van de prestatie die ze als onderaannemer had geleverd, en dat nog moest uitgemaakt worden wie daarvoor verantwoordelijk was. Een dergelijk voorbehoud zou geen betekenis hebben indien een afzonderlijke overeenkomst was gesloten tussen VICTOR BUYCK en de BELGISCHE STAAT, want dan zou VICTOR BUYCK zich verzekerd hebben geweten van betaling. De eerste rechter overwoog terecht dat een overeenkomst de wilsovereenstemming van beide partijen veronderstelt, en dat VICTOR BUYCK die niet bewijst. 4.2.
  22. De herstelling als uitvoering van de onderaannemingsovereenkomst tussen VICTOR BUYCK en de tijdelijke vennootschap Uit het bovenstaande volgt dat VICTOR BUYCK bij het uitvoeren van herstellingen is opgetreden als onderaannemer van de tijdelijke vennootschap, tot (tweede) uitvoering van de verbintenis waartoe de tijdelijke vennootschap zich had verbonden tegenover de BELGISCHE STAAT. Het staat voldoende vast dat de herstelling is gebeurd op uitdrukkelijke vraag van de BELGISCHE STAAT. Bijgevolg kan VICTOR BUYCK alleen betaling vragen van AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN, en kunnen die laatsten het VLAAMSE GEWEST aanspreken. Zoals de eerste rechter overwoog, is (de rechtsopvolger van) de BELGISCHE STAAT gehouden tot betaling van de herstelling die hij heeft bevolen, tenzij blijkt dat de herstelling noodzakelijk was als sanctie voor een wanprestatie, dat wil zeggen, dat de eerste verfbeurt door de onderaannemer niet goed was uitgevoerd. Het VLAAMSE GEWEST behoort dat te bewijzen ten aanzien van AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN, die vervolgens het zelfde kunnen ten aanzien van hun onderaannemer, VICTOR BUYCK. AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN stellen dat zij noch VICTOR BUYCK een wanprestatie hebben begaan. Het VLAAMSE GEWEST houdt voor dat de deskundige de opdracht had een fout te bewijzen, maar dat is niet ernstig: de deskundige heeft de opdracht te onderzoeken en te adviseren; de procespartij die iets beweert, draagt de bewijslast. Uit de boven vermelde besluiten van de deskundige blijkt niet dat het verven niet goed is gebeurd. De deskundige ziet twee mogelijke oorzaken voor de corrosie: dat het verfsysteem niet bestand is tegen de corrosieve omstandigheden, of dat het slecht is aangebracht. De deskundige vermeldt uitdrukkelijk dat hij van dat laatste geen bewijzen heeft gevonden, en dat het eerste kan blijken uit de evolutie na het herschilderen. Het VLAAMSE GEWEST laat gelden dat na het herschilderen niet opnieuw roest is opgetreden, en meent daaruit te kunnen afleiden dat de eerste verfbeurt niet goed is uitgevoerd. Daarmee geeft het VLAAMSE GEWEST aan de redenering van de deskundige echter een verabsoluteerde uitleg. Uit het verslag van de deskundige blijkt niet dat hij van mening was dat slechts twee oorzaken denkbaar waren, en ook niet dat die twee oorzaken elkaar uitsluiten of dat de ene bewezen is door uitsluiting van de andere. Het VLAAMSE GEWEST beroept zich ten slotte op artikel 47 van de algemene aannemingsvoorwaarden, dat stelt dat de tekortkomingen van de aannemer worden vastgesteld bij een proces-verbaal, en dat het stilzwijgen van de aannemer na 15 kalenderdagen na de toezending van het proces-verbaal geldt als een erkenning van de vastgestelde feiten. Dit levert echter geen bewijs van (erkenning van) wanprestatie. Het proces-verbaal van 4 december 1989 waarnaar het VLAAMSE GEWEST verwijst, stelt alleen vast dat de roestvorming zo ernstig is dat herstelling nodig is, en duidt geen tekortkoming aan. Uit het bovenstaande volgt dat het VLAAMSE GEWEST betaling verschuldigd is aan AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN, die betaling verschuldigd zijn aan hun onderaannemer, VICTOR BUYCK. Terecht heeft de eerste rechter de door AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN tegen het VLAAMSE GEWEST gevorderde verhoging van 10 % voor winst en algemene kosten afgewezen. Zij bewijzen geen overeenkomst met betrekking tot een dergelijke verhoging. De BELGISCHE STAAT heeft niet ingestemd met hun voorstel in die zin in hun brief van 11 oktober
  23. Zij hebben door het herschilderen een bijkomende uitgave moeten doen die niet verantwoord was door een wanprestatie, en het VLAAMSE GEWEST is (in hoofdsom) enkel die meeruitgave verschuldigd. Ten onrechte heeft de eerste rechter geen uitspraak gedaan over de door VICTOR BUYCK gevorderde kapitalisatie van intresten. De regeling van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek, die van openbare orde is, laat de kapitalisatie van de intresten toe ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning of ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op intresten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn. Als gerechtelijke aanmaning in overeenstemming met artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek kan gelden een dagvaarding, of een ter griffie neergelegde conclusie die de aandacht van de schuldenaar vestigt op de kapitalisatie . De neerlegging op de griffie geldt als betekening . Het hof vindt aanmaningen in de conclusies van VICTOR BUYCK neergelegd op 28 oktober 1996 (voor de eerste rechter), 5 mei 1999, 10 april 2006 en 14 september
  24. Als aanmaning voor intresten die vervallen zijn over ten minste 1 jaar, zoals vereist door artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen alleen gelden de aanmaningen bij conclusie van 28 oktober 1996, 5 mei 1999, en 10 april
  25. In hoger beroep vorderen AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN zelf voor het eerst toepassing van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van het VLAAMSE GEWEST, bij conclusie neergelegd op 6 maart 2000 en 12 juni
  26. Artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek is niet onverzoenbaar met de algemene aannemingsvoorwaarden. Ook deze kapitalisatie kan dus toegestaan worden. Er is geen reden om aan AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN toe te laten de kapitalisatie van de intresten verschuldigd aan VICTOR BUYCK door te rekenen aan het VLAAMSE GEWEST. Die kapitalisatie ontstaat enkel op het initiatief van de schuldeiser ten aanzien van de debiteur die in gebreke blijft te betalen, en dat laatste is niet in beginsel toerekenbaar aan de debiteur van de debiteur, in huidig geval het VLAAMSE GEWEST.
  27. De kosten Partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag 2.500,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, Verklaart het hoger beroep van het VLAAMSE GEWEST en het incidenteel hoger beroep van AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN ongegrond, en Verklaart het incidenteel hoger beroep van VICTOR BUYCK gegrond in volgende mate: Hervormt het vonnis voor zover het niet de kapitalisatie van de intresten toestaat, en spreekt opnieuw recht als volgt: Staat aan VICTOR BUYCK de kapitalisatie toe van de intresten op de hoofdsom waartoe AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN worden veroordeeld, vervallen op 28 oktober 1996; Verklaart de incidentele vorderingen van VICTOR BUYCK, en van AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN ontvankelijk en gegrond in volgende mate: Staat aan VICTOR BUYCK de kapitalisatie toe van de intresten op de hoofdsom waartoe AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN worden veroordeeld vervallen op 5 mei 1999 en op 10 april 2006; Staat aan AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN de kapitalisatie toe van de intresten op de zelfde hoofdsom ten aanzien van het VLAAMSE GEWEST vervallen op 5 mei 1999 en op 10 april 2006; Veroordeelt AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN tot de kosten in hoger beroep van VICTOR BUYCK, En veroordeelt het VLAAMSE GEWEST tot de overige kosten. Begroot de kosten van het hoger beroep, - in hoofde van VLAAMSE GEWEST op euro 2.685,92 (185,92 rolrecht + 2.500 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van VICTOR BUYCK op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van AELTERMAN en ANTWERPSE BOUWWERKEN samen op euro 2.500 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 10/11/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Marc BOSMANS, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE M. BOSMANS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.