← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091203.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 03 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091203.5 Rolnummer: 2007/AR/2742 Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht - Bestuursrecht - Unierecht Invoerdatum: 2010-03-12 Raadplegingen: 142 - laatst gezien 2026-07-02 20:43 Fiche Volheid van rechtsmacht Het beginsel dat het hof geen regulator is in hoger beroep en desgevallend geen eigen beslissing in de plaats moet stellen van deze die het onwettig heeft bevonden, vindt toepassing op de hervormingsbevoegdheid van het hof in het kader van een annulatieberoep tegen een beslissing van een administratieve overheid, in casu het BIPT. Een uitzondering op dit beginsel bestaat wanneer het hof de zaak zelf met inachtneming van alle vereiste feitelijke en juridische elementen kan afdoen zonder miskenning van een aan het BIPT toekomende beoordelingsmarge. Lidstaten kunnen op grond van artikel 9 lid 1 van de Postrichtlijn voor postdiensten die buiten de werkingssfeer van de universele postdienst vallen, algemene machtigingen (als onderscheiden van individuele machtigingen of vergunningen) instellen en daaraan machtigingsvoorwaarden inzake de levering van postdiensten verbinden die de naleving van de 'essentiële eisen' van algemeen belang moeten garanderen. Artikel 9 lid 1 van de Postrichtlijn werd in de Belgische rechtsorde omgezet door artikel 148bis §1, 2° van de Wet van 21 maart 1991 waarbij de Belgische wetgever de aangifteplicht uitdrukkelijk heeft gekoppeld aan de verbintenis vanwege de leveranciers van postdiensten tot naleven van de essentiële eisen. Hierdoor heeft hij enerzijds het naleven van de essentiële eisen als een machtigingsvoorwaarde opgelegd aan de leveranciers van postdiensten en anderzijds de Belgische regulator gemachtigd na te gaan of een verstrekker van postdiensten zich houdt aan de door hem aangegane verbintenis de essentiële eisen na te leven. Begrippen De 'essentiële eisen' van algemeen belang verwijzen naar fundamentele verplichtingen en voorwaarden van dwingende aard die postoperatoren bij de behandeling van postzendingen moeten respecteren, zoals bijvoorbeeld de vertrouwelijkheid van de brievenpost, de veiligheid van het netwerk, de bescherming van persoonsgegevens en het milieu of het vertrouwelijke karakter van de informatie (artikel 2 lid19 Postrichtlijn) of maatregelen van sociale aard. Het begrip 'postdienst' werd door de Postrichtlijn niet geharmoniseerd waardoor de nationale wetgever de vrijheid had het begrip te definiëren binnen de doelstelling van de richtlijn. Het voegwoord 'en' in artikel 131 van de Wet van 21 maart 1991 moet begrepen worden in zijn gebruikelijke betekenis, namelijk ter opsomming van afzonderlijke verrichtingen, zonder de noodzakelijkheid dat deze verrichtingen dienen verenigd te zijn opdat er sprake zou zijn van een 'postdienst'; Motiveringsplicht De regulator BIPT is als administratieve overheid onderworpen aan een formele en een materiële motiveringsplicht. Een gebrek aan inhoudelijke motivering van de bestreden handeling hoeft niet noodzakelijkerwijze tot de vernietiging ervan leiden, aangezien het bestuur de inhoud verder kan aanvullen. Bewijslast Het is aan een operator van een postdienst om in de eerste plaats zelf te beoordelen of hij aangifteplichtig dan wel vergunningsplichtig is. Het is vervolgens aan het BIPT om deze keuze te beoordelen aan de hand van een case-study (op basis van informatie uit de aangifte of via de opgevraagde informatie op grond van artikel 14 §2, 2° van de wet van 17 januari 2003). UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Hof van beroep HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - MEDEDINGING - Belgisch mededingingsrecht - Regulatoren PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Motivering bestuurshandelingen - Motiveringsplicht GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Beginselen Europees Recht - Verdrag Werking EU - Voorrang GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Beginselen Europees Recht - Verdrag Werking EU - Interpretatie - Richtlijnconforme interpretatie GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Interne markt - Vrij verkeer van diensten Vrije woorden: Volheid van rechtsmacht - regulator BIPT - vrij verkeer van diensten - begrippen: postdienst, essentiële eisen - algemene machtiging - aangifte - motiverinsplicht - bewijslast Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 03-06-1999 Koninklijk Besluit - 11-01-2006 Varia - 06-02-1998 - Mededeling Commissie (98/C39/02) Varia - 09-11-2007 - Mededeling Commissie (COM

(2770)695 definitief) Richtlijn EG/EU - 15-12-1997 Wet - 17-01-2003 Wet - 21-03-1991 - 131, 142 ev, 144duodecies en Hoofdstuk VII bis, afd. 1 en 2 Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, 18 KAMER, Nr.: na beraad, wijst volgend arrest : A.R. Nr. 2007/AR/2742 Rep.nr.: 2009/ IN ZAKE VAN : UNITED PARCEL SERVICE BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1831 DIEGEM, Woluwelaan 156, ingeschreven bij de Kruispuntbank der Ondernemingen onder het nummer 0428.759.497; Verzoekster, vertegenwoordigd door Mr. Stefan JOCHEMS loco Mr. David D'HOOGHE, advocaat te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25; TEGEN : Kamer 18 Het BELGISCH INSTITUUT VOOR POSTDIENSTEN EN TELECOMMUNICATIE, instelling van Openbaar Nut (BIPT), met zetel te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II laan 35, Verwerende partij, vertegenwoordigd door Mr. Filip PETILLION, advocaat te 1000 BRUSSEL, Koningsstraat 71 ; *** Gelet op het aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging van de Raad van het BIPT van 27 augustus 2007 gericht aan UPS en genaamd "ingebrekestelling op grond van artikel 21 van de Wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector" (hierna "de bestreden handeling"). Gelet op de akte van beroep neergelegd door UPS op de griffie van het hof op 12 oktober 2007 waarin gevorderd wordt de bestreden handeling teniet te doen op grond van artikel 2 van de Wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de Wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector (hierna "Wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling"). Gelet op de besluiten van partijen en de door hen neergelegde stukken. Gehoord de partijen bij monde van hun raadslieden op de openbare terechtzitting van 17 september 2009. I. BEKNOPTE WEERGAVE VAN DE FEITELIJKE CONTEXT. 1. Met de omzetting van de bepalingen van de Postrichtlijn (zie randnummer 17) in de nationale wetgeving worden er enkele wijzigingen aangebracht in titel IV (Hervorming van de regie der Posterijen) van de Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven. 2. De uitvoering hiervan wordt geregeld door de Koninklijke Besluiten van 11 januari 2006. Met deze regels wordt een systeem van voorschriften en vergunningen ingevoerd met betrekking tot het verlenen van postdiensten. Operatoren die een niet-universele postdienst leveren zijn verplicht hiervan aangifte te doen bij het BIPT tegen 17 april 2006. De operatoren die universele diensten leveren, zijn verplicht een vergunning aan te vragen tegen 17 juni 2006. 3. Met het oog op de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving, keurt de Raad van het BIPT op 27 februari 2006 (stuk 1 BIPT) een "Communicatie" goed waarin het nieuwe systeem van vergunningen en aangiften wordt toegelicht. Deze mededeling wordt gepubliceerd op de website van het BIPT en specifieert ondermeer dat voor het indienen van een vergunningsaanvraag 375 EUR per dienstencategorie wordt aangerekend. Voor een aangifte bedraagt de kost 250 EUR. 4. Op 10 maart 2006 wordt ondermeer de Belgian Courier Association (hierna "BCS"), waarvan UPS deel uitmaakt, door het BIPT uitgenodigd op een plenaire vergadering van het Raadgevend Comité voor de Postdiensten (stuk 2 BIPT) die zou plaatsvinden op 6 april 2006 en en waarop er informatie zou gegeven worden over het nieuwe systeem. Kennelijk is de vertegenwoordiger van de BCS niet aanwezig op deze vergadering (zie stuk 3 BIPT - notulen). 5. Aangezien het BIPT van UPS geen aangifte of aanvraag voor een individuele vergunning heeft ontvangen, doet zij op 25 april 2006 een eerste regularisatieverzoek (stuk 14 BIPT) waarin UPS verzocht wordt een vergunnings- of aangifteaanvraag in te dienen. Een herinnering volgt op 11 juli 2006 (stuk 15 BIPT) en met een aangetekend schrijven van 21 augustus 2006 doet het BIPT een derde regularisatieverzoek (stuk 16 BIPT). 6. In het kader van het opstarten van een adminstratieve procedure licentie/aangifte, stelt de dienst postale zaken van het BIPT op 29 januari 2007 een proces-verbaal op gericht aan de Raad van het BIPT waarbij de elementen worden aangegeven aangaande de postale activiteit van UPS en een inbreuk op artikel 148 sexies van de Wet van 21 maart 1991 lastens UPS wordt vastgesteld (stuk 17 BIPT). Op 16 februari 2007 richt het BIPT een aangetekend schrijven aan UPS (stuk 18 BIPT) waarin de postdiensten van UPS worden gekwalificeerd als niet-voorbehouden diensten die deel uitmaken van de universele dienst en dit op basis van de volgende elementen: - activiteiten volgens de website: verzenden van pakketten, drukwerk en internationale post - RSZ nace-code: 64.120 (koerierdiensten) - Rubriek gouden gids: koerierdiensten - Lidmaatschap van Belgian Courier Association (BCA). Het BIPT besluit dat UPS als leverancier van een niet-voorbehouden universele postdienst verplicht is een individuele vergunning aan te vragen bij het BIPT en verzoekt UPS om zich te regulariseren door het indienen van het bijgevoegd vergunningsformulier. UPS krijgt een antwoordtermijn van 15 dagen om opmerkingen te maken indien zij het standpunt van het IBPT betwist, bij gebreke waarvan het BIPT aankondigt de "administratieve procedure" op te starten en UPS in gebreke te stellen. 7. Op 9 maart 2007 zendt UPS een fax aan het BIPT (stuk 21 BIPT) waarin zij betwist dat haar diensten universele postdiensten zijn en aangeeft dat zij bijgevolg niet onderworpen is aan de verplichting van aangifte tot aanvraag van een individuele vergunning. UPS voert ondermeer aan dat de definitie van postdiensten in de Belgische wetgeving niet conform is aan de Postrichtlijn. 8. Het BIPT antwoordt op het standpunt van UPS met een aangetekend schrijven van 18 april 2007 (stuk 24 BIPT) waarin gesteld wordt dat de Belgische wetgeving wel degelijk richtlijnconform is en dat UPS in hoofdorde vergunningsplichtig is, aangezien de diensten van UPS, in het bijzonder wat betreft de internationale post en met name de dienst UPS Mail Logic, onvoldoende toegevoegde waarde hebben om zich van de universele postdienst te onderscheiden. In ondergeschikte orde stelt het BIPT dat UPS in elk geval aangifteplichtig is zelfs indien UPS zou aantonen dat zij geen enkele universele postdienst verzorgt. Bijkomend vraagt het BIPT om binnen een termijn van 15 dagen aanvullende informatie over te maken met betrekking tot de dienst UPS Mail Logic en met name over overeenkomsten door UPS afgesloten met internationale postbedrijven. 9. Op 15 mei 2007 (stuk 26 BIPT) verzoekt het BIPT op grond van artikel 14 §2, 2° van de Wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector opnieuw bij aangetekend schrijven om bijkomende informatie omtrent de dienst UPS Mail Logic. 10. In een aangetekend schrijven van 5 juni 2007 met een fax van 6 juni 2007 (stuk 27 BIPT) zet UPS haar ongewijzigd standpunt in verband met de vergunningsplicht nogmaals uitvoerig uiteen en preciseert dat UPS Mail Logic wel een toegevoegde waarde heeft waardoor het niet beschouwd kan worden als een universele postdienst. Verder stelt UPS dat zij ook geen aangifte moet doen omdat zij (in een Postrichtlijn conforme interpretatie) geen postdiensten verzorgt en een aangifte in elk geval niet noodzakelijk is voor de naleving van de essentiële eisen zoals bepaald in artikel 2, 19° van de Postrichtlijn. De gevraagde infomatie over de overeenkomsten met internationale postbedrijven wordt niet meegedeeld. 11. Op 27 augustus 2007 zendt het BIPT een ingebrekestelling aan UPS onder de hoofding "ingebrekestelling op grond van artikel 21 van de Wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector." 12. Op 12 oktober 2007 stelt UPS beroep in tegen wat zij omschrijft als "de beslissing van het BIPT van 27 augustus 2007" door neerlegging van een akte van beroep op de griffie van het hof. II. DE VORDERINGEN EN DE BESTREDEN HANDELING 13. De initiële vorderingen van UPS luiden als volgt: (
  1. i)de vernietiging van de bestreden handeling, (
  2. ii)te zeggen voor recht dat zij niet vergunningsplichtig is, (iii) te zeggen voor recht dat zij niet aangifteplichtig is, (
  3. iv)de veroordeling van het BIPT tot betaling van de kosten (rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.200 EUR). 14. In ondergeschikte orde, vordert UPS om twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met name aangaande de definitie van het begrip "postdienst" en de vereiste noodzakelijkheid voor de "essentiële eisen". 15. Tenslotte vordert UPS, in haar aanvullende en syntheseconclusie van 13 mei 2008, in hoofdorde, bij tussenarrest te bevelen dat het BIPT haar stuk 12, overgelegd in een andere taal dan die van de rechtspleging, vertaalt naar de taal van de rechtspleging, en vervolgens nieuwe conclusietermijnen aan de partijen toe te kennen om te concluderen (één maand + één maand) en de zaak voor het overige naar de bijzondere rol te verwijzen. In ondergeschikte orde herneemt zij haar oorspronkelijke vorderingen. 16. In haar aangetekende brief van 27 augustus 2007, die het voorwerp is van onderhavig beroep bij het hof, schrijft het BIPT aan UPS (dossier BIPT, stuk 29) : "Betreft : ingebrekestelling op grond van artikel 21 van de Wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector We verwijzen naar de brieven dd. 25 april 2006 en 11 juli 2006, de aangetekende brieven dd. 21 augustus 2006 en 16 februari 2007, uw fax-brief dd. 5 maart 2007 en de brief dd. 8 maart ll. in antwoord hierop, uw fax-brief dd. 9 maart 2007 met uw opmerkingen en de ontvangstmelding dd. 4 april 2007, de antwoordbrief dd. 18 april 2007 en de brief dd. 2 mei 2007, de herinnering van 15 mei 2007 en uw fax- brief van 6 juni ll. In uw brieven dd. 9 maart 2007 en 6 juni ll. stelt u ten onrechte dat UPS niet vergunningsplichtig zou zijn. Vooreerst maken wij volledig voorbehoud ten aanzien van uw stelling als zou het BIPT de toegevoegde waarde erkennen of erkend hebben van alle diensten geleverd door UPS. Uit de gegevens in ons bezit blijkt dat u niet-voorbehouden diensten levert die deel uitmaken van de universele dienst. Wij wijzen in het bijzonder op volgende elementen : - activiteiten volgens uw website : verzending van pakketten, drukwerk en internationale post - het ledenblad van UPS ‘Forum' (nr. 18, voorjaar 2006) omschrijft internationale post (UPS Mail Logic) als volgt ‘U hoeft uw post alleen maar in een envelop te stoppen en op de normale manier te adresseren. Wij halen uw post en pakketten in één keer af. Vervolgens wordt de post in onze sorteercentra verwerkt en afgeleverd bij een erkend internationaal postbedrijf dat uw brieven overal snel en efficiënt bestelt.' (ledenblad UPS ‘Forum'). Het feit dat de betaling van UPS Mail Logic gebeurt via een betaalsysteem van minimumvalue charge, wijst niet op een meerwaarde. Het feit dat de ophaling plaatsvindt op verzoek van cliënten laat evenmin toe een dienst te kwalificeren als niet-universeel. De ophaling vindt immers plaats op het ogenblik dat andere stukken worden opgehaald. Voor alle volledigheid vestigen we uw aandacht op het feit dat het niet zo is dat enkel internationale diensten mogelijks universeel zijn. - RSZ nace-code : 64.120 (koerierdiensten) - rubriek gouden gids : koerierdiensten - lidmaatschap van Belgian Courier Association (BCA). Gelet op het voorgaande is het dan ook niet ernstig te stellen dat UPS niet vergunningsplichtig zou (zijn) zoals door u uiteengezet in uw brief van 9 maart 2007 en 6 juni ll. Voor zover UPS aangetoond zou hebben quod non in casu, dat al haar diensten niet-universeel zou(den) zijn, is zij in ieder geval voor wat betreft al deze diensten aangifteplichtig. Voor alle volledigheid delen we u tenslotte mee : - In het kader van het subsidiariteitsbeginsel werd een kader van algemene beginselen communautair vastgesteld, waarbij het geven van nadere voorschriften een zaak is van de lidstaten (zie overweging 10 van de RL 97/67/EG). Vele lidstaten van de Europese Unie hebben hierop onder andere een systeem van licenties ingevoerd, waardoor uw onderneming in deze landen verzocht werd haar toestand te regulariseren en geregulariseerd heeft. - De Raad van State noch de Europese Commissie hebben enige opmerkingen geformuleerd ten aanzien van de door u opgeworpen argumenten naar aanleiding van de omzetting van de Europese Richtlijn in Belgische wetgeving. - Artikel 14, 3° van de Wet met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector bepaalt dat het tot de wettelijke bevoegdheden van het BIPT behoort toezicht uit te oefenen op de naleving van titel IV van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven en haar uitvoeringsbesluiten. In het kader van haar bevoegdheden kan het Instituut op grond van artikel 14, § 2, 2° van voormelde wet elke betrokken persoon op gemotiveerde wijze alle nuttige informatie opvragen. Elke postoperator die een niet-voorbehouden dienst levert die deel uitmaakt van de universele dienst is overeenkomstig artikel 148sexies van de Wet van 21 maart 1991 verplicht een aanvraag in te dienen voor een individuele vergunning bij een ter post aangetekende brief bij het BIPT Deze plicht tot vergunning kan gestraft worden met een administratieve boete die maximaal euro 5.000 bedraagt voor natuurlijke personen of van minimaal 0,5 % en maximaal 5 % van de omzet in de betrokken markt voor de rechtspersonen, zonder dat het totale bedrag van de aan de rechtspersoon opgelegde boete meer dan euro 12,5 miljoen mag zijn. Gelet op reeds gevoerde briefwisseling, zien we ons in de gegeven omstandigheden bijgevolg genoodzaakt om u, op grond van artikel 21 van de Wet van 17 januari 2003, in gebreke te stellen om binnen een termijn van 15 dagen vanaf de kennisgeving van deze brief een einde te stellen aan de overtreding op artikel 148sexies van de Wet van 21 maart 1991 door het overmaken van een vergunningsaanvraag. Deze aanvraag van vergunning dient u aangetekend te richten naar het BIPT, Astrotoren, Sterrenkundelaan 14 bus 21, 1210 Brussel. Bij niet-regularisatie van uw situatie binnen de aangegeven termijn van 15 dagen zal het BIPT naar u een uitnodiging sturen om u de gelegenheid te geven gehoord te worden. Nadat u gehoord werd kan het BIPT overeenkomstig artikel 21 van de wet van 17 januari 2003 een administratieve boete opleggen. III. HET REGLEMENTAIR KADER. 17. Europese sectorale regelgeving en mededelingen - De oorspronkelijke postrichtlijn 97/67/EG van de Raad van 15 december 1997 werd gewijzigd door richtlijn 2002/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 en laatst door richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 (hierna de "Postrichtlijn"). De voor onderhavig geschil meest relevante bepalingen zijn opgenomen in artikel 1 (doelstellingen), artikel 2 (definities), artikel 3 (universele dienst) en artikel 9 (machtigingen en vergunningen) ervan. - Mededeling van 6 februari 1998 (98/C39/02) van de Commissie over de toepassing van de mededingingsregels op de postsector en over de beoordeling van bepaalde overheidsmaatregelen met betrekking tot postdiensten, PB C 39 . - Mededeling van de Commissie van 9 november 2007 (COM
(2007)695 definitief) aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag inzake het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap. 18. Nationale sectorale regelgeving - Wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. - Wet van 17 januari 2003 zoals gewijzigd bij de Wet van 31 mei 2009 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbeslechting naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. - Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven. Relevant voor onderhavig beroep zijn in het bijzonder artikel 131 (definities), artikel 142 e.v. (universele postdienst), artikel 144duodecies (sancties) en Hoofdstuk VII bis, Afdeling 1 en 2 (aangiftes en vergunningen). - Koninklijk Besluit van 9 juni 1999 tot omzetting van de verplichtingen die voortvloeien uit de oorspronkelijke richtlijn 97/67/EG. - Koninklijk Besluit van 11 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels inzake aangifte en overdracht van postdiensten die geen deel uitmaken van de universele postdienst en tot toepassing van de artikelen 144quater, § 3, 148sexies, § 1, 1° en 148septies van de Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven. - Koninklijk Besluit van 11 januari 2006 tot toepassing van titel IV van de Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven. 19. Bevoegdheid van het BIPT Het BIPT is krachtens artikel 14 §1, 3° van de Wet 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector bevoegd voor het toezicht op de naleving van Titel IV (hervorming van de regie der posterijen) van de Wet van 21 maart 1991 met name de artikelen 148bis en 148sexies en de uitvoeringsbesluiten. IV. EXCEPTIES IN VERBAND MET DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERINGEN EN DRAAGWIJDTE VAN RECHTSMACHT VAN HET HOF Exceptie van onontvankelijkheid 20. Het BIPT werpt bij wijze van exceptie vooreerst de onontvankelijkheid op van het beroep van UPS omdat het werd ingediend bij tegensprekelijk verzoekschrift en niet bij dagvaarding. 21. Het objectief verhaal dat voor het hof van beroep wordt ingeleid op basis van artikel 3 van de Wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbeslechting is, volgens het BIPT, een hoofdvordering en geen beroep. Het BIPT houdt voor dat het hof van beroep te Brussel in onderhavig geding zetelt als een rechter in eerste en laatste aanleg en dat bijgevolg de regels uit het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk zijn die gelden voor de inleiding van een vordering (artikel 700 Ger. W.) en niet de bepalingen die gelden voor het instellen van hoger beroep en die de aanwending van een tegensprekelijk verzoekschrift toestaan (artikel 1056 Ger. W.). Hieruit volgt volgens het BIPT dat het beroep moet worden ingesteld bij dagvaarding of vrijwillige verschijning, en niet mag worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak. Die regel, vervat in artikel 700 Ger. W., betreft de rechterlijke organisatie en raakt, nog steeds volgens het BIPT, derhalve de openbare orde. Van die regel mag bijgevolg niet worden afgeweken door een beroep op artikel 2 Ger. W.. Dit artikel is volgens het BIPT niet toepasselijk omdat de bijzondere wetgever (in de al geciteerde Wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling) de regels van het Gerechtelijk Wetboek reeds uitdrukkelijk toepasselijk verklaarde. Een beroep op art. 2 Ger. W. zou in dat geval niet meer mogelijk zijn. 22. Door de rechtsvordering niet op de juiste wijze in te leiden, is er, aldus het BIPT, geen rechtsvordering ingeleid. De sanctie op de verkeerde inleiding is bijgevolg de niet-ontvankelijkheid van de vordering. De nietigheidsregels van artikelen 860-867 Ger. W. zijn niet toepasselijk. Als het verzoekschrift op tegenspraak niet uitdrukkelijk door de wet voorgeschreven of toegelaten is, zoals in dit geval, kan en mag, volgens het BIPT, deze rechtspleging niet aangewend worden. 23. UPS repliceert dat er wel degelijk lacunes zijn in de procedureregeling ingevoerd door artikel 3 van de Wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbeslechting en dat het hof bijgevolg artikel 2 Ger.W. kan toepassen om hieraan te verhelpen en dat de sanctie in elk geval niet de onontvankelijkheid maar de nietigheid van de vordering is indien het BIPT in haar argumentatie zou gevolgd worden met dien verstande dat de nietigheidsleer van artikelen 860-867 Ger. W. van toepassing is, zodat enkel tot nietigheid van de inleidende akte kan worden besloten indien het aanwenden van een verzoekschrift op tegenspraak de belangen van de verwerende partij heeft geschaad of wanneer het normdoel niet is bereikt. Vermits een belangenschade niet kan worden aangetoond, kan niet tot de nietigheid van haar verzoekschrift besloten worden, aldus UPS. De beoordeling door het hof 24. Artikel 3 van de Wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling schrijft voor : ‘Voor alle aspecten die betrekking hebben op de procedure voor het hof van beroep te Brussel, is het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.' Artikel 2, § 1, van dezelfde wet schrijft voor: ‘Tegen de besluiten van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie kan binnen zestig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving ervan beroep met volle rechtsmacht worden ingesteld bij het hof van beroep te Brussel, rechtsprekend zoals in kortgeding.' De wetgever heeft bijgevolg de procedure van artikel 3 van de Wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbeslechting tegen de besluiten van het BIPT uitdrukkelijk aangemerkt als een "rechtsmiddel" en een "beroep met volle rechtsmacht". Dat de bestreden handeling een administratieve handeling is en geen rechterlijke uitspraak, doet hier geen afbreuk aan. Uit het samen lezen van voormelde wetsbepalingen volgt dat het instellen van een ‘rechtsmiddel' of een ‘beroep met volle rechtsmacht' geschiedt volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de procedure voor het hof van beroep (te Brussel). De regels met betrekking tot het hoger beroep zijn dus in principe van toepassing behoudens het bepaalde in artikel 2 Ger. W. Luidens artikel 1056, 2°, van het Ger.W. kan het hof van beroep bijgevolg gevat worden bij een tegensprekelijk verzoekschrift. Bovenstaande interpretatie werd onlangs uitdrukkelijk bevestigd door de wetgever (Wet van 31 mei 2009 tot wijzigingen aan de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbeslechting naar aanleiding van de Wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector). Ten overvloede, indien men de argumentatie van het BIPT zou volgen, is de exceptie van het BIPT die voorhoudt dat het hof van beroep te Brussel op straffe van onontvankelijkheid moet worden gevat bij dagvaarding ongegrond omdat zij steunt op een verkeerde lezing van het ingeroepen artikel 700, eerste lid, van het Ger.W. (zoals gewijzigd bij artikel 5, 1°, van de Wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Ger.W. met het oog op het bestrijden van de gerechtelijke achterstand). Artikel 700, eerste lid, van het Ger. W. schrijft voor: ‘Hoofdvorderingen worden op straffe van nietigheid bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift'(onderlijning door het hof). Zelfs indien het instellen van het ‘rechtsmiddel' of het ‘beroep met volle rechtsmacht' in de zin van de geciteerde Wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling gekwalificeerd zou moeten worden als een ‘hoofdvordering' in de zin van artikel 700, eerste lid, van het Ger.W., leidt die vaststelling niet tot de onontvankelijkheid maar, desgevallend, tot de nietigheid van de beroepsakte. Zulks is de klare, duidelijke en ondubbelzinnige bedoeling van de wetgever, niet alleen omdat dit zonder meer duidelijk blijkt uit de wetsbepaling zelf (‘op straffe van nietigheid') maar bovendien ook uit de toelichting die de minister van Justitie gaf in de commissie voor de Justitie van de Senaat (Doc. Senaat, Zitting 2006-2007, 3-2095/3, blz. 18 en 19) : ‘De minister antwoordt dat er vroeger sprake was van "onontvankelijkheid". De nieuwe formulering staat meer soepelheid toe dank zij de dekking van de nietigheden die in het Wetboek is ingebouwd.' Op grond van artikel 861 van het Ger.W. kan de rechter een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Het BIPT voert niet aan dat haar belangen zijn geschaad. Draagwijdte van de volle rechtsmacht van het hof 25. Het BIPT betwist dat het hof rechtsmacht zou hebben om zich uit te spreken over de vordering van UPS waarbij het wordt verzocht "te zeggen voor recht" dat UPS niet vergunningsplichtig of aangifteplichtig is. Het hof zou zich daardoor in de plaats stellen van het BIPT. Het hof zou volgens het BIPT enkel kunnen beslissen om de bestreden handeling nietig te verklaren waarna het dan aan de betrokken overheid is om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de motieven die tot vernietiging hebben geleid. Daarenboven voert het BIPT aan dat het beroep voorbarig is daar de bestreden handeling slechts een voorbereidende handeling is die alsdusdanig niet aanvechtbaar is. Het betreft immers slechts een ingebrekestelling die niets wijzigt aan de rechtstoestand van de betrokkene en die nog moet gevolgd worden door het horen van UPS alvorens een definitieve beslissing over het opleggen van een sanctie kan worden getroffen. Anderzijds betwist het BIPT dat het voor het eerst in de bestreden handeling zijn standpunt duidelijk en definitief kenbaar maakte. Het verwijst daartoe naar de informatiesessies, het eerste regularisatieverzoek aan UPS, de herinnering daaraan, de aangetekende herinnering (zie feitenrelaas). De ingebrekestelling herhaalt enkel het eerder ingenomen standpunt. In die zin is het verzoekschrift van UPS volgens het BIPT ook laattijdig. 26. UPS betwist de argumentatie van het BIPT in feite en in rechte. Volgens UPS houdt de volle rechtsmacht van het hof een hervormingsbevoegdheid in. Ondergeschikt betoogt UPS dat de bestreden handeling de uitoefening van een gebonden bevoegdheid impliceert en dat het hof zich in dat geval in de plaats kan stellen van het BIPT en haar beslissing kan hervormen. UPS meent dat de bestreden handeling niet inhoudelijk kon worden getroffen zodat de inwilliging van het beroep er alleen maar toe kan leiden dat het BIPT het tegenovergestelde had moeten beslissen en het hof bijgevolg geen opportuniteitsoordeel hoeft te vellen. UPS is van oordeel dat de beslissing van 27 augustus 2007 een definitieve beslissing uitmaakt daar het BIPT daarin voor het eerst definitief en duidelijk haar standpunt heeft vastgelegd met betrekking tot het bestaan van een overtreding en een sanctie (administratieve boete) aankondigt indien geen gevolg wordt gegeven aan haar aanmaning. De informatievergadering georganiseerd door het BIPT was volgens UPS geen vergadering specifiek gericht op UPS maar voor operatoren die een vergunning nodig zouden hebben of een melding zouden moeten doen. De briefwisseling van BIPT gericht aan UPS beperkte zich tot het aanhalen van de relevante regelgeving en een beschrijving van de concrete situatie, zonder een formele ingebrekestelling te vermelden. De beoordeling door het hof 27. Wat de reikwijdte van het verhaal betreft dat tegen de bestreden handeling kan worden ingesteld, bepaalt de Wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbeslechting in artikel 2 §1 dat bij het hof beroep met volle rechtsmacht kan worden ingesteld. Wat betreft de hervormingsbevoegdheid van het hof in het kader van een annulatieberoep tegen een beslissing van een administratieve overheid zoals het BIPT, geldt het beginsel volgens hetwelk het hof geen regulator is in hoger beroep en desgevallend geen eigen beslissing in de plaats moet stellen van deze die het onwettig heeft bevonden. Ingeval het hof de onwettigheid van een beslissing van het BIPT vaststelt, komt het in beginsel aan het BIPT toe om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen door het hof werd beslist. Het hof heeft geen standpunt in te nemen over grieven die slechts een beleids- of opportuniteitsvraag aan de orde stellen. Dit beginsel lijdt uitzondering wanneer het hof de zaak zelf met inachtnmening van alle vereiste feitelijke en juridische elementen kan afdoen zonder miskenning van een aan het BIPT toekomende beoordelingsmarge. De voorwaarden hiertoe zijn voorhanden indien in de beoordeling van de grieven de nieuw te nemen beslissing besloten ligt, alle relevante feitelijke gegevens voorhanden zijn waarop de beslissing moet worden gesteund en de appreciatie van deze feiten geen beoordelingsmarge laat die binnen de uitsluitende bevoegdheid van het BIPT als administratieve overheid valt. Enkel wanneer door de inwilliging van één of meer grieven van verzoekster de beslissing van het BIPT om haar aangifte- of vergunningsplichtig te verklaren wordt vernietigd en er geen wettelijke grondslagen meer overblijven op basis waarvan het BIPT deze beslissing kan verantwoorden, zal het hof haar beslissing in de plaats van het BIPT kunnen stellen en kunnen besluiten dat verzoekster niet aangifte- of vergunningsplichtig is. 28. Wat de vernietigbaarheid van de bestreden handeling betreft dient opgemerkt dat de aangetekende brief van het BIPT aan UPS van 27 augustus 2007 beantwoordt aan alle voorwaarden die vermeld zijn in artikel 21, § 1, van de Wet van 17 januari 2003 betreffende het statuut van de regulator : - de Raad van het BIPT stelt in hoofde van UPS een overtreding vast op artikel 148sexies van de Wet van 21 maart 1991, - de Raad van het BIPT richt een gemotiveerde ingebrekestelling aan UPS, - de Raad van het BIPT verzoekt UPS binnen een termijn van 15 dagen de vergunning aan te vragen. De bestreden handeling maakt een aanmaning of ingebrekestelling uit waarin het BIPT, na het doorlopen van een administratieve procedure waarbij informatie wordt opgevraagd en in het kader van een recht op antwoord, argumenten worden uitgewisseld met UPS, op gemotiveerde wijze een definitief en ondubbelzinnig standpunt inneemt met betrekking tot (
  1. i)de aangifte- of vergunningsplicht in verband met (post)diensten die door UPS geleverd worden en (
  2. ii)een overtreding vaststelt in hoofde van UPS van artikel 148 sexies van de Wet van 21 maart 1991. Het BIPT heeft met de bestreden handeling UPS tevens aangemaand een einde te stellen aan deze overtreding onder bedreiging van een sanctie in de volgende bewoordingen: Gelet op reeds gevoerde briefwisseling, zien we ons in de gegeven omstandigheden bijgevolg genoodzaakt om u, op grond van artikel 21 van de Wet van 17 januari 2003, in gebreke te stellen om binnen een termijn van 15 dagen vanaf de kennisgeving van deze brief een einde te stellen aan de overtreding op artikel 148sexies van de Wet van 21 maart 1991 door het overmaken van een vergunningsaanvraag. 29. De bewering dat een dreiging met sancties niet vatbaar is voor vernietiging, is niet relevant vermits het eigenlijke voorwerp van het beroep niet de dreiging met sancties is maar wel de administratieve beslissing van het BIPT dat UPS aangifte- en/of vergunningsplichtig is, die verplichting heeft overtreden en zich moet regulariseren binnen een opgelegde termijn. 30. De bewering dat de administratieve procedure met voormelde ingebrekestelling niet is afgelopen, vermits, al naargelang het geval, administratieve boeten kunnen opgelegd worden (artikel 21, § 2) of gehele of gedeeltelijke stopzetting kan worden bevolen (artikel 21, § 3) onder de in de wet bepaalde voorwaarden, doet niets af aan de vaststelling dat de aangetekende brief van 27 augustus 2007 van het BIPT aan UPS een zelfstandige, in rechte aanvechtbare administratieve rechtshandeling is vermits zij de rechtspositie van UPS in die mate wijzigt dat (
  3. i)zij vergunningsplichtig (of minstens aangifteplichtig) wordt geacht (
  4. ii)in hoofde van UPS een overtreding vastgesteld wordt en (iii) UPS in gebreke wordt gesteld om haar toestand te regulariseren. 31. De bewering ten slotte dat het BIPT al eerder dan in de aangetekende brief van 27 augustus 2007 haar standpunt duidelijk en definitief kenbaar had gemaakt, vindt in de stukken die door het BIPT ter staving worden ingeroepen geen steun. Het gaat hier slechts om de progressieve formulering van een standpunt in antwoord op de argumenten van UPS (in het kader van een "juridisch gesprek") waarbij telkens om bijkomende informatie wordt verzocht door het BIPT zonder vaststelling van een overtreding of formele ingebrekestelling. Ondermeer uit stukken 24 en 26 BIPT blijkt integendeel afdoende dat het BIPT zich in de voorbereidende briefwisseling impliciet maar zeker het recht voorbehield haar standpunt te herzien op grond van nadere door haar opgevraagde informatie in verband met de internationale postactiviteit van UPS. Na het schrijven van 6 juni 2007 van UPS met de weigering om zoals gevraagd overeenkomsten met internationale postbedrijven mee te delen (stuk 27 BIPT) heeft de Raad van het BIPT, kennelijk op 22 augustus 2007, een definitief standpunt bepaald door zich akkoord te verklaren met het voorstel van ingebrekestelling aan UPS (zie stuk 28 en 29 BIPT). V. DE VERTALING VAN STUK 12 32. UPS steunt haar incidentele vordering tot omzetting van de taal van het stuk 12 van het BIPT (dat lijsten met gegevens bevat van licentiehouders en aangiftes gepubliceerd door de Duitse, Griekse, Britse, Luxemburgse, Hongaarse, Ierse en Portugese regulator) naar de taal van de rechtspleging op artikel 8 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. 33. UPS is in sommige van deze lijsten opgenomen en het BIPT baseert zich ondermeer op het feit dat UPS in sommige van die landen wel vergunning heeft aangevraagd om daaruit te besluiten dat UPS dus kennelijk ook vergunningsplichtig is in België. UPS meent dat om op dit argument te kunnen antwoorden de vertaling van dit stuk nodig is. 34. Het feit zelf dat UPS vergunningen heeft in sommige van die landen wordt als dusdanig door haar niet betwist. Wel betwist UPS dat zij in België vergunningsplichtig is. 35. Artikel 8 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken verplicht het hof niet elk verzoek om vertaling van stukken in te willigen. De vertaling van dit stuk 12 is in casu voor de rechten van de verdediging van UPS niet onontbeerlijk. UPS maakt het niet aannemelijk dat zij dit stuk niet zou begrijpen. Verder is stuk 12 niet essentieel voor de beslechting van het geschil aangezien de eventuele vergunningsplicht waaraan UPS in andere landen onderworpen zou zijn in casu niet relevant is voor de toepassing van de Belgische wetgeving. 36. De vordering tot taalomzetting van stuk 12 wordt om die reden verworpen. VI. MIDDELEN TEN GRONDE EN BEOORDELING A. Eerste grief betreffende de schending van de regels van het vrij verkeer van diensten in het EG-Verdrag en van de Postrichtlijn 37. De grief van UPS bestaat uit twee onderdelen. Enerzijds schendt volgens UPS de Belgische wetgever artikel 49 e.v. van het EG-Verdrag (vrij verkeer) en artikel 2, 1° en artikel 9 van de Postrichtlijn door een ruimere definitie van postdiensten te hanteren dan in de Postrichtlijn is bepaald. In tegenstelling tot de Postrichtlijn voorziet de Wet van 21 maart 1991 en haar uitvoeringsbesluiten een niet cumulatieve opsomming van de verrichtingen die als postdiensten in aanmerking komen. UPS betoogt in dit verband dat het geen end-to-end postdiensten verstrekt d.w.z. die bestaan uit het geheel van het collecteren, sorteren, vervoeren én distribueren van postzendingen aan bestemmelingen. In een tweede onderdeel betoogt UPS dat het invoeren van een systeem van aangiften niet noodzakelijk is om de naleving van de essentiële eisen te waarborgen. UPS meent dat het invoeren van een aangifteplicht in de gegeven omstandigheden niet kan gerechtvaardigd worden door de essentiële vereisten en dus niet verenigbaar is met de Postrichtlijn. Het eerste onderdeel. 38. Het eerste onderdeel van de grief komt er op neer dat het BIPT in haar bestreden handeling ten onrechte op basis van de Wet van 21 maart 1991 en haar uitvoeringsbesluiten, want in strijd met artikel 49 e.v. van het EG-Verdrag en artikel 2, 1° en artikel 9 van de Postrichtlijn, die directe werking zou hebben, de diensten van UPS en met name de UPS Mail Logic dienst als een "postdienst" kwalificeert. UPS steunt zich hoofdzakelijk op een textueel argument. Postdiensten in de zin van artikel 2, 1°, van de Postrichtlijn zouden, luidens de Nederlandse, Franse, Engelse en Duitse tekst van dat artikel en luidens aangehaalde rechtsleer een complex karakter hebben en bestaan uit de cumulatie van de vier opgesomde handelingen : het ophalen, het sorteren, het vervoeren en het bestellen van postzendingen. UPS leidt dit cumulatief karakter af uit de betekenis van het woord "en" dat niet "of" betekent en uit het ontbreken van de vermelding "of uit een combinatie ervan". Deze definitie moet daarenboven strikt worden toegepast want de Postrichtlijn is een uitzondering op het vrij verkeer van diensten en op de vrijheid van handelen. Volgens UPS is er dus enkel sprake van een postdienst indien een dienst alle voormelde verrichtingen omvat. Postdiensten in de zin van artikel 131 van de Wet van 21 maart 1991 daarentegen zijn gedefinieerd als diensten met betrekking tot geadresseerde zendingen die uit één van de volgende verrichtingen of uit een combinatie ervan bestaan: de lichting, het sorteren, het vervoer, de distributie. Zelfs wanneer UPS geen end-to-end diensten levert maar slechts één van deze verrichtingen uitvoert is er volgens de Belgische wetgeving al sprake van een postdienst. De Wet van 21 maart 1991 heeft bijgevolg, aldus UPS, een ruimer toepassingsgebied dan de Postrichtlijn, wat neerkomt op een niet-conforme omzetting van die richtlijn in het Belgisch recht. 39. Het BIPT betwist dat de Belgische wetgeving niet conform de Richtlijn zou zijn doordat de definitie van het begrip postdienst ruimer (niet-cumulatie van de afzonderlijke verrichtingen) wordt ingevuld. De beoordeling door het hof 40. Het BIPT wijst er terecht op dat het voegwoord "en" in het algemeen taalgebruik tot doel heeft om, zoals in dit geval, afzonderlijke verrichtingen op te sommen en bij elkaar te voegen zonder dat de aanwezigheid van het voegwoord "en" er noodzakelijk op wijst dat de afzonderlijke verrichtingen dienen verenigd te zijn opdat sprake zou zijn van een "postdienst". 41. In de tekst van de Postrichtlijn is er geen aanwijzing te vinden dat het voegwoord "en" wijst op de noodzakelijke combinatie van de opgesomde, vier verrichtingen. Zo ontbreken bijvoorbeeld de accentuering van het voegwoord "en", de precisering dat de vier diensten cumulatief of gezamenlijk voorhanden dienen te zijn en, in het algemeen, om het even welke vermelding waaruit die noodzakelijke cumulatie zou moeten blijken. Bij gebreke aan dergelijke bijzondere aanduidingen, dient de algemeen gebruikelijke betekenis van de woorden te worden aangenomen. In dit geval betekent dit dat de opsomming van de vier diensten die deel uitmaken van de "postdienst" niet cumulatief is en dat de Belgische wet de conforme omzetting is van de Postrichtlijn. Het feit dat in de richtlijn van 2008 een uitzondering wordt gemaakt voor het louter "vervoer" wijst er niet op dat de andere verrichtingen samen dienen aanwezig te zijn om van een postdienst te kunnen spreken. 42. Bovenstaande interpretatie vindt daarenboven steun in de beslissing van de Europese Commissie van 7 oktober 2008 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 86, lid 3, van het EG-Verdrag inzake de Slowaakse postwetgeving met betrekking tot hybride postdiensten (Zaak COMP/F-1/39.562). De Commissie stelt in randnummer 123 uitdrukkelijk dat de verrichtingen van het ophalen en verdelen, zelfs afzonderlijk genomen, postdiensten uitmaken in de zin van de Postrichtlijn. Anderzijds legt de Commissie er ook de nadruk op dat de lidstaten niet verplicht zijn de definitie van de Postrichtlijn over te nemen zolang zij de geharmoniseerde regels vervat in artikel 1 van de Postrichtlijn maar correct omzetten (o.a. in verband met de beperking van de voorbehouden diensten). Dit betekent dat het begrip "postdienst" door de Postrichtlijn niet werd geharmoniseerd en dat de nationale wetgever de vrijheid heeft om een andere definitie van "postdienst" te hanteren zolang de doelstellingen van de richtlijn worden gerespecteerd. 43. Uit wat vooraf gaat dient besloten te worden dat hoewel de Belgische wetgever binnen de hiervoor aangeven grenzen een andere eventueel ruimere definitie van het begrip postdienst kon hanteren hij de facto niet is afgeweken van de definitie die de Postrichtlijn hanteert. Hieruit volgt dat het BIPT rechtmatig kon oordelen dat de UPS Mail Logic dienst een postdienst uitmaakt op grond van de definitie vervat in artikel 131, 1° van de Wet van 21 maart 1991 zelfs indien deze dienst geen end-to-end postdienst uitmaakt d.w.z. niet alle verrichting vermeld in artikel 131 omvat. Dat deze dienst één of meer verrichtingen (lichting, sorteren en vervoer) omvat welke in artikel 131 worden opgesomd wordt door UPS trouwens niet ontkend. UPS betoogde in haar besluiten (randnr. 59) immers dat deze dienst geen end-to-end dienst is omdat één component ontbreekt met name de distributie die verzorgd wordt door buitenlandse postbedrijven. 44. Aangezien UPS Mail Logic wel degelijk als een postdienst gekwalificeerd kan worden op basis van één of meer verrichtingen die een postdienst uitmaken is er geen noodzaak meer om verder te onderzoeken of UPS postdiensten presteert die alle verrichtingen cumulatief omvatten (collecteren, sorteren, vervoeren, distribueren). Er is ook geen nood om na te gaan of UPS voor de distributie instaat en hoe de door UPS overgelegde typeovereenkomst in dit verband begrepen dient te worden. Er is in de gegeven omstandigheden evenmin nood omtrent deze kwestie nog een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie. Het eerste onderdeel van de eerste grief is dan ook niet gegrond. Het tweede onderdeel. 45. Het tweede onderdeel van de eerste grief komt er op neer dat UPS, ondergeschikt, voorzover haar koerrierdiensten al als postdienst kunnen gekwalificeerd worden, van oordeel is dat de aangifteplicht die het BIPT haar wil opleggen niet strookt met de Postrichtlijn om de hierna vermelde redenen. De lidstaten kunnen slechts algemene machtigingen (waaronder de aangifteplicht ressorteert) instellen voor niet-voorbehouden diensten die buiten het toepassingsgebied van de universele dienst vallen ‘voor zover dit noodzakelijk is om de naleving van de essentiële eisen te waarborgen'. De "essentiële eisen" zijn in artikel 2, 19° van de oorspronkelijke Postrichtlijn gedefinieerd als: niet-economische redenen van algemeen belang die een lidstaat ertoe kunnen bewegen voorwaarden inzake de levering van postdiensten op te leggen. Deze redenen zijn het vertrouwelijke karakter van de brievenpost, de veiligheid van het functioneren van het netwerk op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen en, in gerechtvaardigde gevallen, de bescherming van gegevens, de bescherming van het milieu en de ruimtelijke ordening. 46. Volgens UPS is de aangifteplicht voorzien in artikel 148bis van de Wet van 21 maart 1991 evenwel niet noodzakelijk om de naleving van voormelde essentiële eisen te waarborgen om de volgende redenen: (
  5. i)de aangifteplicht biedt geen enkele meerwaarde noch een concrete maatregel die het naleven van de essentiële eisen waarborgt en is ook niet verbonden aan enige goedkeuring of verbod door het BIPT; (
  6. ii)de aangehaalde wetsbepaling verplicht enkel om de essentiële eisen na te leven, maar die verplichting bestaat ook zonder de aangifte, vermits zij volgt uit de wetgeving zelve (de Wet van 21 maart 1991, de wettelijke bepalingen met betrekking tot het grondwettelijk gegarandeerd briefgeheim, de milieuregelgeving, de politiewetten, de arbeidswetgeving, ...); (iii) de sancties voor overtredingen in artikel 21 van de Wet van 17 januari 2003 betreffende het statuut (administratieve boete, stopzetting van activiteit) en in artikel 144duodecies van de Wet van 21 maart 1991 (mogelijkheid om de overtreder van de lijst van de operatoren die een aangifte hebben gedaan, te schrappen) rechtvaardigen in se niet de noodzaak om in een aangifteplicht te voorzien. De sancties van artikel 21 betreffen enkel de overtreding op de wetgeving of reglementering waarvan de naleving door het Instituut wordt gecontroleerd met name de controle van de naleving van de kwaliteitsnormen voor de universele dienst. Artikel 144duodecies betreft enkel de postdiensten die als universele dienst aan een vergunning onderworpen zijn. De vervolging van de overtreding van de essentiële eisen is daarenboven volstrekt mogelijk op grond van de al bestaande wetgeving; (
  7. iv)het BIPT verstrekt geen concrete inhoudelijke verantwoording omtrent het argument dat een overzicht over de postmarkt door middel van aangiften, noodzakelijk is om de essentiële eisen te waarborgen; (
  8. v)de bewering van het BIPT, gesteund op overweging 27 van de Richtlijn 2008/6/EG, dat de noodzaak van aangifte samenhangt met de verplichting voor de operatoren van niet-universele postdiensten om financieel bij te dragen tot de universele dienst, heeft geen uitstaans met de essentiële eisen; minstens bestaat dergelijke financieringsplicht op dit ogenblik niet in concreto zodat zij de aangifteplicht niet kan verantwoorden; (
  9. vi)het is ook niet aangetoond dat ook maar één onderneming die aangifteplichtig zou zijn, zich schuldig maakt aan enige schending van de essentiële eisen. 47. Het BIPT houdt voor dat UPS enkel het aangiftesysteem in vraag stelt en niet het vergunningensysteem en leidt hieruit af dat UPS het vergunningensysteem noodzakelijk acht voor UPS Mail Logic. UPS spreekt dit echter uitdrukkelijk tegen (conclusies UPS, voetnoot 39). 48. Het BIPT meent dat het aangiftesysteem in concreto wel degelijk noodzakelijk is om de naleving van de essentiële eisen door leveranciers van niet-universele postdiensten te verzekeren. Het BIPT wijst er in haar argumentatie ondermeer op dat het vergunningen - en aangiftesysteem een manier is om van operatoren een engagement te verkrijgen dat zij bepaalde regels die van essentieel belang zijn, zullen naleven; hierdoor wordt een concretere band gecreëerd tussen operator en overheid; dit systeem heeft in talrijke Europese landen zijn nut bewezen; dankzij dit systeem heeft het BIPT een goed zicht op de totaliteit van de postsector in België (de marktspelers zijn gekend, de gegevens vermeld in de aangifte - of vergunningsaanvraag zijn nuttig en zelfs noodzakelijk; zij worden intern gebruikt voor studies en statistieken); regulatoren krijgen steeds meer en meer opdrachten, die zij enkel kunnen waarnemen wanneer zij over de nodige informatie beschikken. 49. Het is, volgens het BIPT, ook niet noodzakelijk - alvorens een aangifteverplichting op te leggen - dat eerst moet worden aangetoond dat UPS bepaalde essentiële eisen niet naleeft. Het is immers inherent aan ex ante wetgeving dat de overheid voorwaarden stelt alvorens een operator toetreedt tot de markt. Het zou zeer onlogisch zijn om een aangifte of vergunning op te leggen aan die operatoren die inbreuken plegen op de postwetgeving. 50. De keuze van het beleidsinstrument vindt zijn oorsprong in artikel 9 van de Postrichtlijn; artikel 9.1 van de Postrichtlijn is omgezet in artikel 148bis van de Wet van 21 maart 1991. De Belgische aangifteprocedure is zelfs soepeler dan de richtlijn, aldus het BIPT: de aangifteprocedure resulteert niet in een machtiging maar slechts in een aangifte. 51. Volgens het BIPT wijst overweging 27 van de Richtlijn 2008/6/EG er op dat ondernemingen die aangifteplichtig zijn kunnen gedwongen worden om bij te dragen tot de financiering van de universele dienst wanneer zij diensten presteren die niet noodzakelijkerwijze alle kenmerken van de universele dienst vertonen. Indien de kost van de universele dienst na compensatie met het voorbehouden deel, niet gedekt is kan de Lidstaat ook beslissen om voor de financiering naast de vergunninghouders ook andere postoperatoren aan te spreken die niet alle kenmerken van universele dienst hebben. De beoordeling door het hof 52. Met betrekking tot het presteren van postdiensten buiten de werkingssfeer van de universele postdienst kunnen lidstaten op grond van artikel 9 lid 1 van de Postrichtlijn algemene machtigingen (als onderscheiden van individuele machtigingen of vergunningen) instellen en daaraan machtigingsvoorwaarden inzake de levering van postdiensten verbinden die de naleving van de "essentiële eisen" van algemeen belang moeten garanderen. De "essentiële eisen" van algemeen belang verwijzen naar fundamentele verplichtingen en voorwaarden van dwingende aard die postoperatoren bij de behandeling van postzendingen moeten respecteren, zoals bijvoorbeeld de vertrouwelijkheid van de brievenpost, de veiligheid van het netwerk, de bescherming van persoonsgegevens en het milieu of het vertrouwelijke karakter van de informatie (artikel 2 lid19 Postrichtlijn). Aan deze lijst werden recent nog maatregelen van sociale aard toegevoegd (Richtlijn 2008/6/EG van 20 februari 2008, PB L 52/3 van 27 februari 2008 die de Postrichtlijn wijzigt). De Commissie preciseert dat dergelijke beschermende maatregelen uitzonderingen vormen op het vrij verkeer van postdiensten en dus restrictief dienen te worden uitgelegd. Zij zijn slechts toegelaten op grond van dwingende verplichtingen, indien hiermee niet-economische essentiële eisen van algemeen belang worden voldaan, deze zonder discriminatie worden toegepast en passend en proportioneel zijn aan het ermee beoogde doel . Artikel 9 lid 1 werd in de Belgische rechtsorde omgezet door artikel 148bis, §1, 2° van de Wet van 21 maart 1991. Het begrip "essentiële eisen" wordt conform de Postrichtlijn gedefinieerd in artikel 131, 17° van dezelfde wet. De Belgische wetgever heeft met artikel 148bis, § 1, 2° de aangifteplicht daarenboven uitdrukkelijk gekoppeld aan "de verbintenis vanwege de aangever (...) om hetgeen volgt na te leven en te doen naleven door de onderaannemers en door elke persoon die hem personeel levert : - de essentiële eisen (...)". Door een uitdrukkelijke verbintenis vanwege de leveranciers van postdiensten tot naleven van de essentiële eisen te koppelen aan de aangifteplicht heeft de Belgische wetgever een beleidskeuze gemaakt. Hierdoor heeft hij enerzijds het naleven van de essentiële eisen als een machtigingsvoorwaarde opgelegd aan de leveranciers van postdiensten en anderzijds de Belgische regulator gemachtigd na te gaan of een verstrekker van postdiensten zich houdt aan de door hem aangegane verbintenis de essentiële eisen na te leven. Deze beleidskeuze die in beginsel verenigbaar is met de bepalingen van de Postrichtlijn moet niettemin getoetst worden in haar concrete invulling en toepassing in het licht van de noodzakelijkeidsvoorwaarde van artikel 9.1 en de doelstellingen van de Postrichtlijn (zie ondermeer overwegingen 8 en 9 van de oorspronkelijke Postrichtlijn) en de door de Commissie, op basis van de Europese rechtspraak inzake beperkende maatregelen ten aanzien van het vrij verkeer, aangegeven criteria. Met name moet deze aangifteplicht, de daarmee samenhangende machtigingsvoorwaarden en het aansluitend toezicht door het BIPT (
  10. i)noodzakelijk zijn om de naleving van de essentiële eisen te waarborgen, (
  11. ii)zonder discriminatie worden toegepast en (iii) passend en proportioneel zijn aan het ermee beoogde doel (d.i. de naleving van de essentiële eisen vrijwaren). 53. UPS meent dat niet voldaan is aan deze voorwaarden. Zoals hiervoor uitvoeriger uiteengezet betwist UPS de noodzakelijkheid van de aangifteplicht als instrument om de naleving van de essentiële eisen te waarborgen. UPS voert ondermeer aan dat essentiële eisen reeds door andere wetgeving worden opgelegd zodat het aangaan van de verplichting door een operator om de essentiële eisen na te leven overbodig is. Verder betoogt UPS dat de aangifteplicht op zich niet kan bijdragen tot het waarborgen van de naleving van de essentiële eisen daar zij niet verbonden is aan enige concrete maatregel waardoor het naleven van de essentiële eisen beter kan gewaarborgd worden. UPS betwist tenslotte dat de mogelijkheid tot het opleggen van specifieke sancties de aangifteplicht zou kunnen rechtvaardigen. 54. Het hof stelt vooreerst vast dat de aangifteplicht en de opgelegde machtigingsvoorwaarde van het naleven van de essentiële eisen door de wetgever kennelijk principieel noodzakelijk geacht werd om de regulator in staat te stellen in het kader van de uitvoering van de Postrichtlijn toezicht uit te oefenen op de postmarkt en met name om het naleven van de essentiële eisen door de postoperatoren te garanderen middels specifieke sancties. 55. UPS betoogt dat dit toezicht en de daarmee samenhangende aangifteplicht in werkelijkheid overbodig zou zijn aangezien de essentiële eisen reeds door andere wetgeving worden opgelegd. UPS verwijst daarbij met name naar het bij de Grondwet gegarandeerde briefgeheim, de milieuwetgeving, de politiewetten, de Wet van 21 maart 1991 en betoogt dat de vervolging van de essentiële eisen reeds gebeurt op grond van de bestaande wetgeving (door openbaar ministerie, milieu-inspectie, sociale inspectie). 56. UPS toont vooreerst niet aan dat alle verplichtingen en voorwaarden waaraan postoperatoren onderworpen zijn op grond van de essentiële eisen vervat zijn in de door haar in algemene bewoordingen aangehaalde wetgeving. Daarenboven toont UPS evenmin aan dat de toepassing in de praktijk van deze wetgeving de naleving van de essentiële eisen door de postoperatoren afdoende garandeert. De wetgever heeft geoordeeld dat deze naleving op basis van de bestaande wetgeving niet afdoende is gegarandeerd en dat bijgevolg in het algemeen belang een bijkomend specifiek toezicht in de postsector vereist is. UPS voert nog aan dat er geen misbruiken zijn die dit bijkomend toezicht zouden kunnen verantwoorden. De afwezigheid van duidelijke misbruiken betekent evenwel nog niet dat de wetgever het gevaar van misbruiken kennelijk onjuist heeft beoordeeld vanuit een preventief oogmerk. 57. Het gegeven dat essentiële eisen reeds gedeeltelijk in andere wetgeving zijn vervat en gesanctioneerd staat trouwens de nadere concrete invulling van de aan de essentiële eisen verbonden machtigingsvoorwaarden en verplichtingen en een bijzonder markttoezicht door de regulator binnen de reeds vermelde limieten opgelegd door de Europese rechtsregels en rechtspraak niet principieel in de weg. Deze essentiële eisen zijn immers in abstracte bewoordingen geformuleerde doelnormen die niet zondermeer toelaten de concrete verplichtingen en voorwaarden die hieruit voortvloeien exhaustief te identificeren.. De Belgische wetgever heeft de specifieke wettelijke en reglementaire verplichtingen en voorwaarden die onder de noemer "essentiële eisen" vallen ook niet nader aangewezen of opgelijst. Het garanderen van hun naleving vraagt daarom allereerst om een nadere invulling en verduidelijking met het oog op de rechtszekerheid zodat de operatoren ook weten waartoe zij zich door een aangifte verbonden hebben, mede gelet op de mogelijkheid tot het sanctioneren van de niet-naleving ervan (zie hierna). Hoewel de wetgever deze bevoegdheid niet expliciet aan de regulator heeft verleend dient men er gelet op voorgaande overwegingen van uit te gaan dat in het kader van het aan regulator toevertrouwde toezicht op naleving van de machtigingsvoorwaarden door de postoperatoren het ook aan het BIPT toekomt om - binnen de reeds vermelde limieten opgelegd door de Europese rechtsregels en rechtspraak - de concrete wettelijke en reglementaire verplichtingen en voorwaarden aan te wijzen die onder de noemer essentiële eisen vallen bijvoorbeeld aan de hand van richtlijnen ter verduidelijking van de door de wetgever vastgestelde machtigingsvoorwaarden. Het reeds bestaan van relevante wetgeving met eigen sanctiemechanismen belet evenmin dat het BIPT - binnen de limieten opgelegd door de Europese rechtsregels en rechtspraak - waar nodig de concrete inhoud van de aan deze essentiële eisen verbonden machtigingsvoorwaarden en verplichtingen lastens de operatoren van niet-universele postdiensten verduidelijkt of aanvult indien de bestaande wetgeving op dit punt leemten vertoont. 58. UPS kan evenmin gevolgd worden waar zij van oordeel is dat de aangifteplicht niet vereist is voor de toepassing van specifieke sancties door het BIPT. De wetgever bepaalde dat het BIPT een specifieke sanctie kan opleggen die tot de uitsluitende bevoegdheid van de regulator behoort en die niet door een andere instantie kan worden opgelegd in het raam van de bestaande wetgeving waarnaar UPS verwijst. Zo kan het BIPT, krachtens artikel 144duodecies, § 2, van de wet van 21 maart 1991, "onverminderd artikel 21, § 2, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut (van het BIPT) (...) de postoperator schrappen van de lijst" van de aangiften bedoeld in artikel 148bis, opgesteld op grond van artikel 148ter van die wet. De wetgever heeft het BIPT dus belast met het toezicht op en het afdwingen door middel van specifieke sancties van het naleven van de machtigingsvoorwaarden (met name de essentiële eisen) door operatoren van postdiensten die geen deel uitmaken van de universele dienst. Met name het schrappen van een operator van de lijst (met als gevolg het verlies van de machtiging ) als sanctie veronderstelt noodzakelijk een voorafgaande registratie of aangifte door de betrokken operatoren. Het toepassen van deze specifieke sanctie teneinde het naleven van de essentiële eisen af te dwingen maakt een aangifteplicht bijgevolg onontbeerlijk. Dat de wetgeving aan deze operatoren geen specifieke kwaliteitsnormen oplegt zoals aan de operatoren die een universele dienst verlenen doet hieraan geen afbreuk. 59. Het opleggen van een aangifteplicht aan een operator van een niet-universele postdienst door het BIPT is dan ook in casu passend en niet strijdig met de Postrichtlijn gezien het enkel om een registratie gaat in het kader van een algemene machtiging waarbij conform artikel 2, 14° van de Postrichtlijn de aanbieder van postdiensten geen uitdrukkelijk voorafgaand toelatingsbesluit van de regulator behoeft om zijn activiteit te kunnen uitoefenen. 60. Het is op zich ook niet vereist dat het BIPT eerst zou aantonen dat er daadwerkelijk marktverstorende misbruiken bestaan om de aangifteplicht te kunnen verantwoorden zoals het UPS ten onrechte betoogt. Er moet evenwel, op grond van de voorrang van de Europeesrechtelijke rechtsregels, aangenomen worden dat het BIPT de terzake geldende Belgische wetgeving slechts effectief mag doen handhaven (en een aangifteplicht afdwingen met sancties) op voorwaarde dat en voorzover deze in haar praktische toepassing tot nuttige gevolgen leidt die met de doelstellingen van de Postrichtlijn en de regels van het vrij verkeer in overeenstemming zijn. 61. Het BIPT kan daarom niet gevolgd worden waar zij in conclusie (p. 35) in twijfel trekt dat het haar toekomt de noodzaak te verduidelijken van de naleving van de wetgeving eens deze gepubliceerd is. Het BIPT is wel degelijk gehouden in het kader van de uitoefening van haar wettelijke bevoegdheden als regulator om te handelen in overeenstemming met de geldende Europeesrechtelijke bepalingen en haar handelingen in dit licht met het oog op mogelijke betwistingen te verantwoorden en te motiveren. Het komt immers toe aan het BIPT om, in het kader van de uitoefening van het haar toevertrouwde markttoezicht, er zorg voor te dragen dat het naleven van de aangifteplicht door de postoperatoren, het nader invullen van aansluitende machtigingsvoorwaarden door het aanwijzen, verduidelijken en eventueel aanvullen van de concrete wettelijke en reglementaire verplichtingen en voorwaarden die onder de noemer essentiële eisen vallen en het sanctioneren ervan verantwoord is op grond van een daadwerkelijk gevaar van niet-naleving van essentiële eisen. Een toezicht gesteund dat enkel gesteund zou zijn op een louter theoretisch risico is immers overbodig en niet proportioneel aan het beoogde doel en bijgevolg niet in overeenstemming met de Postrichtlijn en het vrij verkeer van goederen. Het passend en proportioneel karakter van de aangifteverplichting veronderstelt in concreto dan ook dat er ook actief en effectief toezicht wordt uitgeoefend door het BIPT op de naleving door de operatoren van de aan de essentiële eisen verbonden machtigingsvoorwaarden en verplichtingen en dat overtredingen worden opgespoord en gesanctioneerd waar nodig voor het vrijwaren van de essentiële eisen (en de universele dienst). Het BIPT geeft in conclusie (p. 35) zelf toe dat dit toezicht in België nog in de kinderschoenen staat en dat men er eerst tracht voor te zorgen dat alle postoperatoren over een aangifte en/of vergunning beschikken "waarna een verdere concretere invulling kan gegeven worden aan de te respecteren essentiële eisen". Het BIPT voegt er verder nog aan toe dat het noodzakelijk is "om alvorens regels op te leggen, zoals bijvoorbeeld essentiële eisen, te weten welke de marktspelers zijn". Het BIPT geeft dus zelf aan dat aan de voorwaarden en verplichtingen die voortvloeien uit de essentiële eisen en dus aan het toezicht op de naleving ervan tot op heden nog geen concrete inhoud werd gegeven, dit ondanks het gegeven dat de betreffende regelgeving al bestaat sinds 1999 en de uitvoeringsbesluiten met de praktische regels inzake de aangifte reeds dateren van 11 januari 2006. Uit het stilzitten van de regulator op dit punt, zou men kunnen afleiden dat de aangifteplicht geen onontbeerlijk karakter heeft voor het waarborgen van de naleving van de essentiële eisen en dat het BIPT in elk geval de niet-naleving van de essentiële eisen door een postoperator niet kan vervolgen en sanctioneren zolang zij niet heeft aangegeven welke concrete voorwaarden en verplichtingen er uit deze essentiële eisen voortvloeien. Het hof is niettemin van oordeel dat men er redelijkerwijs mag van uitgaan, althans gedurende een noodzakelijke overgangsperiode vereist voor het opstarten van het toezicht, dat de betwiste aangifteplicht voor de uitbouw van dit toezicht onontbeerlijk is zoals het BIPT betoogt en daarin bijgevolg een voorlopige verantwoording vindt. Het BIPT maakt het aannemelijk dat teneinde beter te kunnen beoordelen welke concrete voorwaarden en verplichtingen aan de naleving van de essentiële eisen verbonden moeten worden zij over een voldoende marktkennis dient te beschikken en met name eerst voldoende zicht moet hebben op het aantal spelers en hun activiteiten in België. Het feit dat het BIPT kennelijk alle postoperatoren systematisch opspoort en aanmaant om zich te registreren wijst alleszins op het begin van een actief toezichtbeleid. 62. Het BIPT meent tenslotte dat de aangifteplicht voor niet-universele postdiensten ook verantwoord kan zijn door de mogelijke verplichting van de postoperatoren die geen universele dienst presteren om ook bij te dragen aan het compensatiefonds voor de universele postdienst (artikel 144nonies van de Wet van 21 maart 1991). Deze rechtvaardiging kan echter slechts worden in aanmerking genomen voor zover dit compensatiefonds ook daadwerkelijk bestaat en voorzover het duidelijk is dat ook postoperatoren die een niet-universele dienst verlenen tot een bijdrage verplicht zouden zijn, wat momenteel niet het geval is (cfr.artikel 144decies). Verder toont het BIPT ook niet aan dat een aangifteplicht de enige manier is om statistieken op te stellen of studies te maken. 63. De administratieve last en financiële kost (250 EUR) verbonden aan een éénmalige aangifteplicht lijkt in het licht van de beoogde doelstellingen ook niet onevenredig evenmin als het aangaan van de verbintenis om de essentiële eisen van algemeen belang na te leven vermits de aangifteplicht juist het vrijwaren van de naleving beoogt. De overige elementen van de aangifteplicht vervat in artikel 148bis van de Wet van 21 maart 1991 en het uitvoeringsbesluit staan hier niet ter discussie. De aangifteplicht is ook niet discriminerend in de mate dat alle betrokken operatoren die postdiensten verstrekken er effectief aan onderworpen worden, wat volgens het BIPT het geval is, zonder daarin te worden tegengesproken door UPS. 64. Er is in de gegeven omstandigheden ook geen noodzaak om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie. Het tweede onderdeel van de eerste grief is eveneens ongegrond. B. Tweede grief: betreffende de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de formele en materiële motiveringsplicht, en het beginsel ‘patere legem quem ipse fecisti' 65. De tweede grief betreft in feite de vraag of sommige postale activiteiten van UPS - dat in hoofdzaak een pakket- of expressdienst verzorgt - de kenmerken hebben van een basispostdienst of universele dienst dan wel voor de gebruikers een toegevoegde of extra waarde vertonen in vergelijking met die basisdienst en zich bijgevolg daarvan aanmerkelijk onderscheiden. Dat onderscheid is relevant voor de toepassing van de individuele vergunningsplicht ingevoerd door artikel 148sexies van de Wet van 21 maart 1991 voor het verlenen door een postoperator van een niet-gereserveerde, universele postdienst. Deze vergunningsplicht geldt dus niet voor de postdiensten die onderscheiden zijn van de universele dienst waarvoor enkel een aangifteplicht geldt. De Europese Commissie onderscheidt in het verlengde van de rechtspraak van het Hof van Justitie (oa. de zaak Corbeau ) de expressdienst als een afzonderlijke dienstenmarkt wegens de toegevoegde waarde ervan in vergelijking met de basispostdiensten en definieert de expressdienst in haar Mededeling van 6 februari 1998 (98/C39/02) over de toepassing van de mededingingsregels op de postsector en over de beoordeling van bepaalde overheidsmaatregelen met betrekking tot postdiensten, als volgt: ,,exprespostdienst'': naast hogere snelheid en grotere betrouwbaarheid bij ophaling, distributie en bezorging van zendingen, biedt deze dienst alle of enkele van de navolgende bijkomende elementen: garantie van bezorging binnen een gestelde termijn, ophaling op het punt van oorsprong, bezorging bij de geadresseerde persoonlijk, de mogelijkheid om de in de loop van het vervoer bestemming en geadresseerde te wijzigen, bevestiging van de ontvangst van de verstuurde zending aan de afzender, het volgen, traceren en lokaliseren van verzonden stukken, persoonlijke dienstverlening aan de cliënt en dienstverlening "à carte'', wanneer en voor zover zulks wordt verzocht. Cliënten zijn in principe bereid om voor deze dienst een hogere prijs te betalen. 66. Het hoger vermelde onderscheidingscriterium van "toegevoegde waarde" werd ook vermeld in overweging 18 van de oorspronkelijke Postrichtlijn nr. 97/67/EG en werd op 5 november 2007 herhaald door de Europese Commissie: De Commissie bevestigt dat expres- en koeriersdiensten in overeenstemming met overweging 18 van Richtlijn 97/67/EG en overeenkomstig de vaste jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (bijvoorbeeld zaak C-320/91 [Corbeau]) specifieke diensten zijn die als kenmerk hebben dat zij wezenlijk verschillen van universele postdiensten . Datzelfde onderscheidingscriterium komt ook terug in het verslag aan de Koning bij het Koninklijk Besluit van 11 januari 2006 tot toepassing van titel IV van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven maar is alsdusdanig nergens wettelijk omschreven. 67. Het BIPT heeft in haar Mededeling van 11 februari 2004 "inzake diensten duidelijk onderscheiden van de universele postdienst" (hierna "Mededeling van februari 2004") zelf een aantal criteria aangegeven die postoperatoren moeten toelaten te oordelen of een postdienst al dan niet sterk verschilt van de basisdienst. Het objectief van deze mededeling blijkt uit de volgende toelichting: Een welomschreven definitie van diensten die sterk verschillen van de universele dienst is niet voorhanden. Het opstellen van een dergelijke definitie is bijgevolg een moeilijke opgave, rekening houdende met het feit dat die diensten van verschillende aard blijken en ook voortdurend in ontwikkeling zijn. Ondanks dit obstakel is het Instituut overtuigd van de dringende noodzaak om aan de sector duidelijkheid te verschaffen over de precieze inhoud van het begrip "diensten duidelijk onderscheiden van de universele postdienst". Het oogmerk van de voorliggende mededeling is dan ook om ten aanzien van de marktdeelnemers alsook ten aanzien van de consument klaarheid te brengen en een referentiekader te creëren. De mededeling beoogt de benadering toe te lichten die het Instituut hanteert bij de beoordeling van postdiensten die ogenschijnlijk duidelijk onderscheiden zijn van de universele postdienst en bevat als dusdanig een weergave van de bestuurlijke praktijk van het Instituut dienaangaande.(...) De definitie van diensten duidelijk onderscheiden van de universele postdienst heeft tot doel te vermijden dat, bij gebrek aan een exacte definitie, een aantal diensten buiten het toepassingsveld van dit voorbehouden gedeelte zouden gebracht worden (onderlijning door het hof). 68. UPS betoogt met name dat op dit punt van het onderscheid tussen de universele dienst en haar eigen diensten de bestreden handeling niet afdoende gemotiveerd is terwijl het BIPT gehouden is door een formele en materiële motiveringsplicht. UPS voert aan dat het BIPT een administratieve overheid is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen toepasselijk is en dat het BIPT is gehouden haar beslissingen te motiveren, ook indien de bestreden handeling een ingebrekestelling is die als definitieve beslissing moet beschouwd worden. 69. De bestreden handeling schendt de motiveringsplicht, aldus UPS, met name door lapidair te stellen dat de diensten van UPS deel uitmaken van de universele dienst; deze motivering is geen motivering die duidelijk, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet, precies en volledig is. Het gaat in feite om loutere vaststellingen zonder verdere motivering. Zelfs indien er sprake zou zijn van een formele en materiële motivering van de bestreden handeling, dan nog zijn volgens de UPS de opgegeven redenen onvoldoende en niet in overeenstemming met het redelijkheids - en evenredigheidsbeginsel . 70. Het BIPT moet volgens UPS haar ingebrekestelling inhoudelijk motiveren door het te bewijs te leveren dat UPS een universele dienst presteert. UPS betwist immers dat zij de bewijslast draagt dat haar diensten niet onder de universele dienst ressorteren zoals het BIPT volhoudt zowel in de bestreden ingebrekestelling als in haar conclusies. UPS meent dat het BIPT ten onrechte de bewijslast die wettelijk bij het BIPT ligt, omkeert door een vermoeden in het leven te roepen dat alle diensten die een postoperator levert, tot bewijs van het tegendeel, geacht moeten worden onder de universele dienst te ressorteren en dus gereguleerd kunnen worden. Dit zou strijdig zijn met de liberalisatie doelstelling van de Postrichtlijn en een beperking inhouden van de principes van het vrij verkeer van goederen. 71. Niettegenstaande voorgaand uitgangspunt geeft UPS in conclusies diverse elementen die het BIPT zouden moeten toelaten te besluiten dat de UPS postdiensten wel degelijk een meerwaarde vertonen. Met name bespreekt UPS in het licht van de indicatoren opgenomen in de Mededeling van februari 2004 de kenmerken van de diensten waarop het BIPT zich heeft geconcentreerd met name de UPS Mail Logic en Standard Mail diensten. De dienstverlening onderscheidt zich volgens UPS duidelijk van de universele dienst door haar geïndividualiseerd karakter en door haar toegevoegde waarde : - de mogelijkheid om zendingen online te beheren en zo de verwerking van zendingen te versnellen; - de gepersonaliseerde afhaaldienst voor te verzenden pakketten; de zending kan op locatie worden opgehaald, waarbij de klant kan kiezen om ofwel dagelijks een chauffeur van UPS langs te laten komen ofwel de afhaalservices online te regelen en aan te vragen; de klant kan ook telefonisch contact opnemen met UPS om een ophaling te regelen; - inzake verzending wordt aan de klant een bijzonder uitgewerkte ‘visibility service' aangeboden: zo biedt UPS onder meer
(1)een tracking-systeem dat het mogelijk maakt zendingen te traceren, 24 uur op 24 uur, 7 dagen op 7,
(2)‘quantum view notification' waarbij een e-mail wordt gestuurd bij bezorging,
(3)de mogelijkheid voor de klant om verzendingsinformatie te downloaden in het eigen softwareprogramma,
(4)de mogelijkheid om tot op zekere hoogte (afhankelijk van het moment van het verzendingsproces) de mogelijkheid om de bestemming van een postpakket te wijzigen tijdens het vervoer,
(5)verschillende formules met betrekking tot de verzendingsduur (een zeer efficiënte en stipte verzending, die verdeling op een vooraf overeengekomen datum veronderstellen, vaak binnen een uiterst korte termijn),
(6)specificatie op de UPS website over bezorgingstijden per bestemming,
(7)een aantal belangrijke diensten van geld-teruggarantie indien UPS binnen de afgesproken tijdsperiode geen poging tot aflevering heeft ondernomen,
(8)de mogelijkheid om bevestiging en/of bewijs van aflevering te bekomen, via signature-tracking. UPS meent daarenboven dat, zelfs indien het BIPT van oordeel zou zijn dat niet alle indicatoren (die, met betrekking tot de verzending, wijzen op het niet-universeel karakter van de dienst) cumulatief verenigd zijn, de dienstverlening door UPS dan nog minstens gekenmerkt wordt door bijzondere omstandigheden die, ook naar het oordeel van het BIPT, aanleiding zouden moeten geven tot de kwalificatie van voormelde diensten als niet - universele diensten, met door UPS aan haar klanten geboden bijkomende diensten, zoals cash-on-delivery, een retourzendingsdienst en een redirectdienst. Het feit dat klanten van UPS bij verschillende diensten eventueel de mogelijkheid hebben om al dan niet voor bepaalde opties te kiezen, doet geen afbreuk aan de toegevoegde meerwaarde van elk van de diensten van UPS, omdat eventuele opties immers enkel de grootte van de meerwaarde bepalen. Bovendien getuigt de mogelijkheid van de klant om de expresdienst te modelleren in functie van zijn concrete wensen, juist van de meerwaarde van het dienstenaanbod van UPS in vergelijking met de gewone postdiensten.
  1. Volgens UPS komt haar dienstverlening in het algemeen aldus tegemoet aan de door het BIPT zelf uitgezette, niet - cumulatieve, indicatoren: zij biedt een duidelijke en belangrijke toegevoegde waarde ten opzichte van een loutere basisdienstverlening en valt om die reden niet onder de universele dienstverlening. UPS is dus niet vergunningsplichtig en het BIPT schendt, door het opleggen van een vergunningsplicht, het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur ‘patere legem quam ipse fecisti' door zijn eigen richtlijnen niet toe te passen.
  2. UPS geeft vervolgens ook nadere toelichting omtrent ‘UPS Mail Logic', waarmee bedrijven hun internationale brieven, drukwerk of pakjes kunnen laten verzamelen in één zending - sorteren volgens bestemming, wegen of frankeren is niet nodig -. UPS komt alles - op vraag van de klant - ophalen samen met eender welk ander klein pakket dat klaar is voor verzending en vervoert de internationale post vervolgens naar gerenommeerde postbedrijven, die alles op hun beurt sorteren en verzenden naar de posterijen van het land van bestemming of een andere erkende dienst voor aflevering op de eindbestemming. Deze dienst voldoet, volgens UPS, niet aan de definitie van postdiensten in de zin van artikel 2, 1°, van de Postrichtlijn : UPS staat immers niet zelf in voor het afleveren van de opgehaalde post, maar laat dat over aan lokale postbedrijven. De dienstverlening van UPS is derhalve geen (universele) postdienst en bijgevolg ook niet vergunningsplichtig. De zinsnede in de typeovereenkomst (‘UPS Mail Logic is a service providing international mail distribution') doet daaraan geen afbreuk, omdat UPS geenszins erkent dat het een dienst verricht die het collecteren, sorteren, vervoeren én distribueren in de zin van artikel 2, 1°, van de Postrichtlijn omvat. UPS staat immers niet in voor de distributie zodat een noodzakelijke component ontbreekt om de dienst als een postdienst te beschouwen in de zin van de Postrichtlijn. Deze dienst biedt volgens UPS bovendien de nodige meerwaarde in vergelijking met basispostdiensten en is dus ook geen universele postdienst, om de volgende redenen : - de klant betaalt een minimumbedrag voor Mail Logic (een zogenaamd ‘Minimum Value Charge'), ongeacht of hij voor tenminste dat minimumbedrag gebruik heeft gemaakt van Mail Logic; - overweging 18 van de Richtlijn 97/67/EG geeft de extra prijs die de gebruiker bereid is te betalen aan als indicator van die meerwaarde; - de substantieel hogere prijs die de klant bereid is te betalen bevestigt de meerwaarde die de klant ervaart ten aanzien van de universele postdienst; - de klant geniet van een aanzienlijk flexibeler ophaaltijdstip vermits hij het gewenste ophaaltijdstip overeenkomt met UPS; dit is een onmiskenbaar duidelijke meerwaarde; - het BIPT geeft zelf in zijn Mededeling van februari 2004 een soepel ophaalregime op als één van de indicaties voor kwalificatie als niet - universele postdienst; - Mail Logic is niet onbeperkt toegankelijk en wordt slechts aangeboden aan bepaalde door UPS geselecteerde klanten met name (potentiële) klanten die reeds beroep doen op UPS voor andere diensten; - door de keuze tussen Priority of Saver leveringsopties kunnen klanten die gebruik maken van Mail Logic ook de aankomst van hun items binnen een verwacht tijdskader regelen.
  3. Het BIPT houdt voor dat de Wet van 29 juli 1991 enkel toepasselijk is op administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; vermits de beslissingen van het BIPT aan het toezicht van de Raad van State zijn onttrokken, is het BIPT geen overheid als bedoeld in voormeld wetsartikel. Het BIPT houdt ook voor dat de Wet van 29 juli 1991 niet toepasselijk is op ingebrekestellingen die aan een definitieve beslissing voorafgaan, zoals hier het geval is.
  4. Het BIPT betoogt verder dat in de bestreden handeling op precieze wijze aangegeven wordt welke elementen het BIPT tot de conclusie hebben geleid dat UPS niet - voorbehouden diensten presteert die deel uitmaken van de universele dienst. De ingebrekestelling van 27 augustus 2007 vermeldt duidelijk de essentiële reden waarom UPS in gebreke werd gesteld, met name de volgehouden weigering om terdege aan te tonen waaruit zou moeten blijken dat haar diensten een toegevoegde waarde hebben zodat ze zich onderscheiden van de universele dienst en UPS niet vergunningsplichtig is, evenals om UPS ertoe aan te zetten, indien zij het bewijs levert dat haar diensten wel een toegevoegde waarde hebben ter onderscheiding van de universele dienst, om aangifte te doen. De redenen waarom het BIPT van mening is dat UPS postdiensten presteert, blijken verder uit de ingebrekestelling; daarin worden feiten als volgt aangegeven waarop de wettelijke definitie van postdiensten wordt toegepast, met als conclusie dat UPS universele postdiensten levert: Uit de gegevens in ons bezit blijkt dat u niet-voorbehouden diensten levert die deel uitmaken van de universele dienst. Wij wijzen in het bijzonder op volgende elementen : - activiteiten volgens uw website : verzending van pakketten, drukwerk en internationale post - het ledenblad van UPS ‘Forum' (nr. 18, voorjaar 2006) omschrijft internationale post (UPS Mail Logic) als volgt ‘U hoeft uw post alleen maar in een envelop te stoppen en op de normale manier te adresseren. Wij halen uw post en pakketten in één keer af. Vervolgens wordt de post in onze sorteercentra verwerkt en afgeleverd bij een erkend internationaal postbedrijf dat uw brieven overal snel en efficiënt bestelt.' (ledenblad UPS ‘Forum'). Het feit dat de betaling van UPS Mail Logic gebeurt via een betaalsysteem van minimumvalue charge, wijst niet op een meerwaarde. Het feit dat de ophaling plaatsvindt op verzoek van cliënten laat evenmin toe een dienst te kwalificeren als niet-universeel. De ophaling vindt immers plaats op het ogenblik dat andere stukken worden opgehaald. Voor alle volledigheid vestigen we uw aandacht op het feit dat het niet zo is dat enkel internationale diensten mogelijks universeel zijn. - RSZ nace-code : 64.120 (koerierdiensten) - rubriek gouden gids : koerierdiensten - lidmaatschap van Belgian Courier Association (BCA).
  5. Volgens het BIPT blijft UPS in gebreke aan te tonen dat de geleverde postdiensten over toegevoegde waarde beschikken. Het komt niet aan het BIPT toe om te bewijzen dat een postdienst universeel is, maar wel aan de operator om te bewijzen dat de postdienst niet - universeel is, omdat de uitgangspositie is dat postdiensten universeel zijn. De Mededeling van februari 2004 is volgens het BIPT conform met de geest van de Postrichtlijn: het behoud van de universele dienst. UPS zou volgens het BIPT met name ook niet aantonen dat UPS Mail Logic of enige andere dienst van UPS niet - universeel is, vermits de ingeroepen argumenten niet beantwoorden aan de cumulatieve criteria van de Mededeling van februari 2004 met name: [Het ophalen] Indicatoren die de dienst duidelijk onderscheiden maken van de universele postdienst: - ophaling bij de afzender persoonlijk of op een andere door de cliënt aangewezen plaats en dit op een door de cliënt aangegeven voorafbepaald uur, afhankelijk van zijn specifieke behoeften; OF - de ophaling op een door de cliënt aangewezen plaats "on call" van de cliënt wat de mogelijkheid tot meerdere ophalingen per dag impliceert. [Het sorteren en het vervoer...] [De distributie] Indicatoren die de dienst duidelijk onderscheiden maken van de universele postdienst:
  6. Het effectieve volgen van de zendingen, wat resulteert in de mogelijkheid om voor elk stuk afzonderlijk de identiteit van de geadresseerde, diens adres of andere voorwaarden te wijzigen op uitdrukkelijk en individueel verzoek van de afzender tijdens het vervoer. EN
  7. Een snellere en geïndividualiseerde behandeling van de zendingen wat resulteert in: - De bestelling van de poststukken op een voorafbepaald uur of datum; OF - De bestelling van de poststukken op de dag zelf van ophaling; OF - De bestelling van de opgehaalde poststukken binnen de 12 uur na ophaling∗.
  8. Een contractueel gegarandeerde bestelling op het volgens punt 2 overeengekomen tijdstip.
  9. Desgewenst kan de afzender een bewijs van bestelling verkrijgen. De beoordeling door het hof
  10. Het hof heeft zich reeds eerder uitgesproken over het statuut van het BIPT als administratieve overheid in lijn met de rechtspraak van de Raad van State. Als administratieve overheid is het BIPT onderworpen aan een formele en een materiële motiveringsplicht.
  11. In tegenstelling tot wat het BIPT aanvoert is de bestreden ingebrekestelling, zoals hiervoor het hof oordeelde onder randnr. 27 e.v., geen louter voorbereidende handeling maar een definitieve beslissing die de rechtstoestand van UPS wijzigt, en dient zij formeel en inhoudelijk afdoende gemotiveerd te zijn. De ingebrekestelling bevat een aantal redenen waarop het BIPT zich steunt om UPS een vergunningsplicht of aangifteplicht op te leggen. De bestreden handeling is dus formeel gemotiveerd. Een eventueel gebrek aan inhoudelijke motivering van de bestreden handeling hoeft echter niet noodzakelijk tot de vernietiging ervan te leiden. De inhoudelijke motivering van de bestreden handeling kan door het bestuur verder worden aangevuld in het kader van onderhavig beroep waarover het hof in volle rechtsmacht oordeelt. In de mate dat alle juridische en feitelijke elementen (zoals opgenomen in de ingebrekestelling en in de conclusies van het BIPT) juist zijn en de conclusie ondersteunen dat sommige diensten van UPS niet-voorbehouden diensten zijn die deel uitmaken van de universele dienst, is de beslissing feitelijk en juridisch afdoende gemotiveerd in formele en materiële zin.
  12. Wat de bewijslast betreft kan het hof het BIPT echter niet bijtreden. De essentiële doelstelling van de toepasselijke regelgeving is niet alleen het financieel en kwalitatief waarborgen van de universele dienst maar evenzeer de progressieve en gecontroleerde liberalisering van de markt van de postdiensten. Welke verrichtingen buiten de werkingssfeer van de universele dienst vallen werd echter niet geharmoniseerd of gedefinieerd in de Postrichtlijn zodat de lidstaten over een zekere beleidsmarge beschikken om te bepalen wat al dan niet onder de werkingssfeer van de universele postdienst valt en gereguleerd kan worden via een individueel vergunningssysteem. Deze beleidsmarge impliceert echter niet dat het hanteren van een vermoeden dat alle postdiensten, tot bewijs van het tegendeel door de operator, universele diensten zijn die onderworpen zijn aan een vergunningsplicht verenigbaar is met de doelstelling van marktvrijmaking vervat in de Postrichtlijn en met het feit dat beperkingen op het vrij verkeer van postdiensten restrictief moeten worden geïnterpreteerd (zie hiervoor ondermeer het arrest van het Hof van Justitie van 11 maart 2004 in de zaak Asempre, C-240/02, Jur. 2004 blz. I-02461, met name randnr. 24 en 25). Het BIPT toont niet aan dat het voor het vrijwaren van de kwaliteit en de financiële leefbaarheid van de universele dienst noodzakelijk zou zijn om te werken met een weerlegbaar vermoeden dat een postdienst behoudens tegenbewijs tot de universele dienst behoort. Het BIPT toont evenmin aan en maakt ook niet aannemelijk dat door de bewijslast niet bij de operator te leggen de universele dienstverlening in het gedrang zou komen of het openbaar belang zou verwaarloosd worden . Zodoende mag het BIPT bij de toepassing van het regelgevend kader en in haar eigen praktijk er niet zondermeer van uitgaan, eens is vastgesteld dat de verstrekte diensten postdiensten zijn (zoals in casu het geval is), dat deze diensten vallen onder de universele dienst, met als gevolg dat, indien een operator beweert dat zijn diensten niet onder de universele dienst vallen, hij daarvan het bewijs moet leveren. Het BIPT verwijt dan ook ten onrechte aan UPS dat het in gebreke blijft aan te tonen dat de geleverde postdiensten over toegvoegde waarde beschikken. Anderzijds dient het BIPT te beschikken over alle relevante gegevens nodig om de toegevoegde waarde van de Mail Logic dienst van UPS te kunnen beoordelen met name in het licht van de indicatoren van de Mededeling van februari 2004, desgevallend in het kader van een case study zoals omschreven in de Mededeling wanneer niet voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden om te genieten van een automatische vrijstelling. Op basis van de zelf ingezamelde gegevens en de informatie verkregen van UPS heeft het BIPT kennelijk geoordeeld dat niet voldaan is aan de voorwaarden om van een automatische vrijstelling van de vergunningsplicht te genieten. Zij bevestigt minstens in haar conclusies dat op basis van de bijkomende door UPS in haar conclusies opgenomen bijkomende gegevens zij nog niet kan besluiten dat aan de criteria van de Mededeling van februari 2004 voldaan is. Zij besluit hieruit dat UPS vergunningsplichtig is. Het BIPT ziet daarbij echter over het hoofd dat zij gehouden is aan de door haarzelf uitgevaardigde richtlijn en bijgevolg alvorens een beslissing te nemen over het bestaan van een vergunningsplicht in hoofde van UPS, gehouden is een grondige "case study" te verrichten en m.a.w. op grond van het geheel van de specifieke eigenschappen van de betrokken dienst te oordelen of de diensten van UPS aanmerkelijk verschillen van de universele postdienst. Het BIPT betoogt niet dat zij een dergelijke case study reeds heeft verricht en produceert evenmin het resultaat van een dergelijke studie.
  13. Dat postdiensten niet vermoed kunnen worden universeel te zijn tot het tegenbewijs ervan door de operator, blijkt nogmaals ten overvloede uit het verslag aan de Koning gevoegd bij het Koninklijk Besluit van 11 januari 2006 tot toepassing van titel IV van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven waarbij de vergunningsprocedure nader wordt beschreven : De procedure die moet worden gevolgd voor de toekenning van een dergelijke vergunning omvat een aangifte van de postdiensten door de aanvrager van een vergunning, ongeacht of hij reeds diensten verstrekt of voornemens is te verstrekken. Afhankelijk van de modaliteiten van de postdienst die zij aanbieden dienen aanbieders van pakketdiensten een vergunning aan te vragen. Het is namelijk zo dat de universele postdienst een basisdienst is, zoals bij voorbeeld het Kilopost-product van De Post. Vaak zal een aanbieder van pakketdiensten bijkomend bij deze basisdienst toegevoegde waarde diensten leveren. Zo kan hij bijvoorbeeld een uitzonderlijk snelle levering garanderen, het ophalen buiten de kantooruren aanbieden, enz... De geleverde postdienst kan aldus sterk verschillen van de basisdienst en als dusdanig geen onderdeel uitmaken van de universele postdienst in welk geval het niet nodig is om een licentie te bezitten alvorens de dienst mag aangeboden worden. Concreet zal de betrokken aanbieder zich tot het BIPT dienen te richten om een aangifte te doen dan wel om een vergunning aan te vragen. De aanbieders van pakketdiensten dienen na te gaan of de door hen geleverde dienst voldoende verschilt van de universele basisdienst. I.f.v het resultaat van deze afweging vraagt de aanbieder in kwestie een vergunning aan of doet hij een aangifte. Het BIPT gaat op dat ogenblik na of de juiste optie (vergunning of aangifte) gekozen wordt. Bij de bovenvermelde beoordeling kan de betrokken aanbieder een beroep doen op de mededeling van het BIPT van 11 februari 2004 en de adviezen van het BIPT aangaande de universele dienst. De mededeling van februari 2004 bevat een aantal criteria die toelaten om te oordelen of een postdienst al dan niet sterk verschilt van de basisdienst. Deze criteria zijn o.a. een individuele behandeling van de zending, een snellere behandeling ten gevolge van een individuele behandeling, een contractueel gegarandeerde levering van de bestelling of de mogelijkheid om een bewijs van levering te bekomen (onderlijning door het hof). Het is met andere woorden aan de operator van postdiensten zelf om een eerste een afweging te maken en te beoordelen of hij aangifteplichtig dan wel vergunningspichtig is en vervolgens het juiste formulier in te dienen. Het is vervolgens aan het BIPT om deze keuze te beoordelen. Het BIPT moet indien zij de keuze om geen vergunning aan te vragen onterecht acht, aantonen dat het wel degelijk om een universele dienst gaat.
  14. Het loutere feit dat UPS in casu niet spontaan of op het verzoek van het BIPT alle nuttige concrete informatie heeft overgemaakt kan het nemen van een definitieve beslissing tot het opleggen van een vergunningsplicht niet verantwoorden nu het BIPT niet alleen deze informatie kan bekomen via de aangifte waartoe UPS verplicht is (zie hierboven) maar deze ook kan opvragen op grond van artikel 14, §2, 2° van de Wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator eventueel te sanctioneren met een boete op grond van artikel 21 van dezelfde wet. Daarenboven blijkt prima facie uit de inlichtingen die UPS over haar dienst Mail Logic verstrekt heeft ondermeer dat de klant bereid is een aanzienlijke meerprijs te betalen onder de vorm van een "Minimum value charge" (zie randnr. 73) wat in overeenstemming is met interpretatie van de Europese Commissie met name verwoord in Mededeling van 6 februari 1998 over de toepassing van de mededingingsregels op de postsector en over de beoordeling van bepaalde overheidsmaatregelen met betrekking tot postdiensten (randnr. 2.4 en 5.3 met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaal Corbeau) en in overweging 18 van de oorspronkelijke Postrichtlijn. Dit feit wettigt reeds het vermoeden dat er sprake is van een reële meerwaarde waardoor de dienst aanmerkelijk verschilt van de universele dienst. BIPT betoogt dat er geen concrete gegevens over prijzen worden verstrekt door UPS maar betwist niet het bestaan van deze meerprijs en beweert evenmin dat gebruikers van de universele basisdienst ook gehouden zouden zijn tot het betalen van een dergelijke minimum waarde. Het BIPT voert alleen aan dat een meerprijs geen doorslaggevend criterium is om een meerwaarde vast te stellen. Zij gaat daarmee zonder specifieke verantwoording regelrecht in tegen de hiervoor aangegeven interpretatie van de Commissie.
  15. Om de vergunningsplicht van UPS te staven verwijst het BIPT in conclusie tenslotte nog naar de standaarddienst van UPS (UPS Standard) waarvan het niet-universeel karakter ook niet zou zijn aangetoond. Het BIPT baseert zich daarbij uitsluitend op de informatie beschikbaar op de website van UPS. Opnieuw gaat het BIPT er verkeerdelijk van uit dat UPS het bewijs zou moeten leveren dat al haar diensten zich aanmerkelijk onderscheiden van een basispostdienst om vrijgesteld te zijn van de vergunningsplicht. Het BIPT heeft ook in dit geval kennelijk geen case study uitgevoerd overeenkomstig haar eigen richtlijnen.
  16. Uit het voorgaande volgt dat, in de mate dat de bestreden handeling van 27 augustus 2007 voorhoudt dat de dienstverlening van UPS behoort tot de universele dienst en vergunningsplichtig is, inhoudelijk niet deugdelijk gemotiveerd is en deze motivatie evenmin afdoende wordt aangevuld in haar conclusie.
  17. De bestreden behandeling wordt op dit punt vernietigd.
  18. De vordering van UPS om te zeggen voor recht dat zij niet vergunningsplichtig is valt in casu evenwel buiten de rechtsmacht van het hof om de hiernavolgende redenen. Het BIPT geeft vooreerst aan zelfs op basis van de additionele gegevens door UPS in haar conclusie vermeld geen volledige duidelijkheid te hebben over het al dan niet universeel karakter van de diensten van UPS. Het BIPT dient bijgevolg, desnoods op grond van haar onderzoeksbevoegdheid, de vereiste informatie te bekomen en grondig te onderzoeken vooraleer een definitief standpunt in te nemen dat bepaalde postdiensten van UPS onder de werkingssfeer van de universele postdienst vallen. Het BIPT beschikt terzake (zoals zij zelf stelt) en in het licht van de door haar vooropgestelde standaardindicatoren weliswaar slechts over een beperkte beoordelingsmarge. Niettemin zal zij conform de door haar opgestelde Mededeling van februari 2004, zelfs indien zij tot het besluit komt dat de postdiensten van UPS niet voldoen aan de daarin vervatte cumulatieve standaardindicatoren, moeten overgaan tot een grondig individueel onderzoek ("case study") waarbij alle relevante aspecten dienen in acht te worden genomen en afgewogen en waartoe het hof niet gemachtigd is om zich in de plaats te stellen. Deze afweging impliceert, mede gelet op het door het BIPT in haar Mededeling van februari 2004 aangehaalde evolutieve karakter van de materie, dat het BIPT na individueel onderzoek van het dossier in het licht van alle relevante elementen dient te beoordelen en te motiveren of de betrokken dienst op grond van zijn specifieke eigenschappen in concreto onvoldoende verschilt van de universele postdienst zodat een individuele vergunningsplicht eerder dan een algemene machtiging noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Postrichtlijn. VII. DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
  19. Uit de beoordeling door het hof van de grond van de zaak blijkt dat het beroep van UPS gegrond is in zoverre het ertoe strekt de beslissing te vernietigen waarbij zij vergunningsplichtig wordt geacht. Om die reden worden de kosten ten laste gelegd van het BIPT als partij die in het ongelijk is gesteld. UPS is bijgevolg gerechtigd op betaling van 186,00 euro rolrechten en 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding zoals door haar gevorderd; OM DEZE REDENEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het beroep ontvankelijk. Verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond in de mate dat de bestreden handeling vaststelt dat UPS vergunningsplichtig is voor het leveren van niet-voorbehouden, universele postdiensten, en vernietigt de bestreden handeling in die mate. Verwerpt het voor het overige. Veroordeelt BIPT tot de kosten, voor UPS vereffend op 186,00 euro en 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding. ******** Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de kamer 18 van het Hof van Beroep te Brussel op waar aanwezig waren : - Dhr. P.BLONDEEL Voorzitter - Mevr. S. GADEYNE Raadsheer - Dhr. E. BODSON Raadsheer - Mevr. D. VAN IMPE Griffier D. VAN IMPE E. BODSON S. GADEYNE P. BLONDEEL Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.