← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091215.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091215.1 Rolnummer: 2006AR2808 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-12-16 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 20:48 Fiche Artikel 1446 BW. De toewijzing bij voorrang van de gezinswoning en het aldaar aanwezige huisraad vereist een voorafgaande vereffening van de volledige gemeenschap. De vordering op basis van artikel 1446 BW kan in beginsel pas worden ingesteld in de loop van de vereffeningsprocedure, m.a.w. in de notariële fase vanaf het opstellen van het proces-verbaal van opening der werkzaamheden van de boedelnotaris. Waardebepaling: toestand bij de ontbinding van de gemeenschap en met inachtneming van de waarde op het tijdstip dat zo dicht mogelijk ligt bij de eigenlijke overname. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Artikel 1446 BW Toewijzing bij voorang van de gezinswoning en het aldaar aanwezige huisraad. Procedurale aspecten van een vordering op grond van artikel 1446 BW. Vereiste van voorafgaande vereffening van de gemeenschap.Artikel 1430 BW. Waardebepaling van de gezinswoning. Tekst van de beslissing ARREST N° Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, Arrest de dato 15 december 2009 A.R. nr. 2006/AR/2808 Artikel 1446 B.W. Vereffening-verdeling van een ontbonden gemeenschap na overlijden van de eerststervende echtgenoot. Toewijzing bij voorrang van de gezinswoning en het aldaar aanwezige huisraad aan de langstlevende echtgenoot. Procedurale aspecten van deze vordering tot toewijzing bij voorrang. Respectieve taak van de boedelrechter en van de boedelnotaris bij de toepassing van artikel 1446 BW. De toewijzing bij voorrang van de gezinswoning en het aldaar aanwezige huisraad overeenkomstig artikel 1446 B.W. Wetboek vereist de voorafgaande vereffening van de ontbonden gemeenschap. De reeds door de eerste rechter bevolen vereffening-verdeling van de opengevallen nalatenschap van de eerststervende echtgenoot kan niet volledig of correct doorgevoerd worden, zonder een voorafgaande vereffening-verdeling van de volledige gemeenschap. De vordering op basis van artikel 1446 BW kan in beginsel pas worden ingesteld in de loop van de vereffeningsprocedure van de ontbonden gemeenschap, met andere woorden vanaf de opstelling van het proces-verbaal van opening van werkzaamheden tot aan de afsluiting van de vereffening. Deze vordering wordt onderzocht door de boedelnotaris, die standpunt zal innemen als eerste rechter van de gerechtelijke vereffening-verdeling. INZAKE VAN : Mevrouw I. W., Appellante... vertegenwoordigd door Meester Alfons VASTERSAVENDTS, advocaat te 1730 ASSE, Steenweg 3, TEGEN : 1) Mevrouw G. A., 2) Mevrouw N. W., 3) De heer E. W., geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester A. LOUF loco Meester Patrick DUYCK, advocaat te 8900 IEPER, Mgr. De Haernestraat 27,

  1. De procedure ...
  2. De feiten I., N. en E. W. zijn de kinderen van de echtgenoten M. W. en G. A. M. W. is overleden op 8 januari
  3. Het onderwerp van de vordering 3.
  4. Voor de eerste rechter vorderden geïntimeerden de vereffening-verdeling te bevelen van de nalatenschap van M. W. en van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen hem en mevrouw A. en twee notarissen aan te stellen. In de dagvaarding maakten G. A. en E. W. voorbehoud om de overname te vragen van het onroerend goed (... te L.) met inboedel op grond van de wet op de kleine nalatenschappen. In conclusie vroeg G. A. toepassing van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de toewijzing bij voorrang van de gezinswoning en huisraad aan de langstlevende echtgenoot, en de aanstelling van een notaris-schatter. Appellante I. W. stelde in conclusie eerst dat zij zich niet verzette tegen de vereffening en verdeling van de nalatenschap voor wat betreft de blote eigendom en vroeg voor de rest de vordering niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren. Ondergeschikt vroeg zij de deskundige de opdracht te geven de waarde van het onroerend goed te bepalen op de dag van de overname. 3.
  5. De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk. Hij beval de vereffening en verdeling van het vermelde onroerend goed afhangend van de huwgemeenschap en de nalatenschap, en zegde dat G. A. gerechtigd is om zich bij toepassing van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek bij voorrang het onroerend goed te doen toewijzen. Hij stelde twee notarissen aan, en een deskundige landmeter om de waarde van het onroerend goed te ramen om de opleg te bepalen die G. A. moet betalen aan de andere mede-eigenaars. Hij overwoog daarbij dat de waarde van het onroerend goed moet geraamd worden volgens de toestand op het tijdstip van overlijden van M. W.. Hij legde de kosten ten laste van de massa. 3.
  6. In hoger beroep vraagt I. W. de vereffening en verdeling te bevelen van alle goederen van de huwgemeenschap en de nalatenschap. Zij vraagt te zeggen dat mevrouw A. afstand heeft gedaan van haar recht op preferentiële toewijzing. Ondergeschikt vraagt zij aan de deskundige de opdracht te geven de waarde te bepalen op de dag van de toewijzing. Geïntimeerden concluderen tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep.
  7. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  8. De ontvankelijkheid van het hoger beroep ..... 4.
  9. De grond van het hoger beroep 4.2.
  10. De vereffening en de verdeling van de gemeenschap en de vereffening en de verdeling van de nalatenschap Appellante laat gelden dat de eerste rechter ten onrechte de vereffening en verdeling heeft beperkt tot het onroerend goed. De eerste rechter overwoog dat partijen het er over eens zijn dat de roerende goederen van de huwgemeenschap als gevolg van de bepalingen van het huwelijkscontract volledig toekomen aan mevrouw A., en dat er geen andere roerende goederen zijn in de nalatenschap. Hieruit volgt dat partijen alleen in onverdeeldheid zijn met betrekking tot het (enige) onroerend goed. Het past het onderscheid te beklemtonen tussen een vereffening en een verdeling, en dus tussen de verrichtingen van vereffening en de verrichtingen van de verdeling. Vereffenen bestaat erin het eigendomsrecht (van de man, de vrouw of van de gemeenschap) op elk goed en elke schuld vast te stellen, en tevens de eventuele vergoedingsrekeningen en eventuele onderlinge schuldvorderingen en schulden met hun bedrag vaststellen en vereffenen, kortom aldus de verdeelbare massa vaststellen . Bij de eigenlijke verdeling wordt de aldus vastgestelde verdeelbare massa verdeeld volgens de wettelijke voorschriften inzake de verdeling (vergelijk: artikel 1430, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek), dat wil zeggen in principe volgens de voorschriften van artikel 815 en volgende van het Burgerlijk Wetboek , dus o.a. een verdeling in natura, of middels lottrekking, of middels de uitoefening van een wettelijk of conventioneel overnamerecht door een deelgenoot die de andere deelgenoten dan in geld hun aandeel betaalt. De verdeling volgt dus op de vereffening. Het overlijden van M. W., de eerst stervende echtgenoot, geeft ten eerste aanleiding tot de vereffening en verdeling van de ontbonden gemeenschap , waarbij onder andere de vergoedingen ten voordele van of lastens de ontbonden gemeenschap en elk van de eigen vermogens van de echtgenoten vastgesteld en vereffend worden (artikel 1430, tweede en derde lid van het Burgerlijk Wetboek) , gevolgd door de verrichtingen van de verdeling van de eventuele roerende en/of onroerende onverdeelde goederen afhangende van de ontbonden en vereffende gemeenschap, welke verdeling geschiedt, in natura, of middels lottrekking of middels een overname tegen schattingsprijs op grond van een wettelijk of conventioneel overnamerecht van een der deelgenoten (artikel 1430, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek). Het overlijden van M. W. geeft ten tweede en vervolgens aanleiding tot vereffening-verdeling van zijn nalatenschap , bevattende zijn deel van in de vereffende en verdeelde gemeenschap. De precieze samenstelling van de te vereffenen en te verdelen nalatenschap van M. W., is afhankelijk van de voorafgaande vereffening en verdeling van de ontbonden gemeenschap W.-A., met inbegrip van de vaststelling en berekening en regeling van de eventuele vergoedingen (artikel 1430, tweede en derde lid BW) . De reeds door de eerste rechter bevolen vereffening-verdeling van de nalatenschap kan dus niet volledig of correct doorgevoerd worden, zonder een voorafgaande vereffening-verdeling van de volledige gemeenschap . De eerste rechter vermeldt terecht dat partijen het eens zijn over de toepassing van de bepalingen van het huwelijkscontract, dat leidt tot de conclusie dat de vereffende maar nog niet verdeelde gemeenschap slechts één goed, het onroerend goed, bevat, dat onverdeeld toebehoort aan de vier partijen (de weduwe voor 5/8 volle eigendom + 3/8 vruchtgebruik, en aan de drie kinderen, elk slechts voor de 1/8ste blote eigendom). Dat akkoord over de beperking van de onverdeeldheid tot de blote eigendom van het onroerend goed volstaat echter niet om over te gaan tot vereffening en verdeling van dat onroerend goed. De overname op basis van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek is immers een verrichting die behoort tot de verdeling (en niet tot de vereffening) van de ontbonden gemeenschap (en niet van de opengevallen nalatenschap). Artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek volgt immers op artikel 1445 van het Burgerlijk Wetboek, en is een uitzondering louter op de regel van de verdeling in natura. De uitoefening van het wettelijk overnamerecht vervat in artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek is aldus een verdelingsverrichting, maar geen verrichting van de vereffening van de gemeenschap . De toewijzing overeenkomstig artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek vereist dus de voorafgaande vereffening van de ontbonden gemeenschap . Appellante vraagt dus terecht de vereffening en verdeling te bevelen van de gemeenschap en van de nalatenschap. De opdracht van de aan te stellen notarissen wordt hieronder in die zin verruimd. 4.2.
  11. Het beroep van mevrouw A. op artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek Ten onrechte houdt appellante voor dat mevrouw A. afstand heeft gedaan van haar recht op toepassing van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek door in de dagvaarding de overname te vragen van het onroerend goed met inboedel op grond van de wet op de kleine nalatenschappen. Mevrouw A. heeft aanvankelijk geen toepassing gevraagd, maar slechts voorbehoud gemaakt. Overigens zijn dit weliswaar verschillende figuren, maar is het duidelijk dat mevrouw A. telkens de eigendom van het onroerend goed beoogde. Uit haar aanvankelijk voorbehoud tot beroep op de wet op de kleine nalatenschappen kan in de omstandigheden van de zaak geen afstand vermoed worden van een recht op toepassing van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek. Overigens kan de vordering op basis van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek in beginsel pas worden ingesteld in de loop van de vereffeningsprocedure van de ontbonden gemeenschap, met andere woorden vanaf de opstelling van het proces-verbaal van opening van werkzaamheden tot aan de afsluiting van de vereffening . De vordering wordt vervolgens onderzocht door de boedelnotaris, die standpunt zal innemen als eerste rechter van de gerechtelijke vereffening-verdeling . De vordering die mevrouw A. pas bij conclusie formuleerde, kan dus niet aangezien worden als laattijdig . Partijen stellen geen hoger beroep in tegen de aanstelling op zich van een deskundige landmeter, zodat het hof zonder rechtsmacht is te beslissen dat het behoort tot de taak van de boedelnotaris de schatting te doen van het onroerend goed waarvan de overname wordt gevraagd op grond van de artikel 1446 B.W. inzake de preferentiële overname van de gezinswoning . De eerste rechter overwoog dat de schatting van de waarde van het onroerend goed met het oog op de preferentiële toewijzing moet gebeuren "volgens de toestand op het tijdstip van overlijden van de heer M. W.." Het hof sluit zich daarbij aan, maar verduidelijk als volgt: de waarde moet bepaald worden op het tijdstip van de vereffening-verdeling, of zo dicht mogelijk bij de daadwerkelijke verdeling of overname of van het onverdeelde goed . Daarbij moet echter de toestand in acht genomen worden van het onroerend goed op datum van het overlijden van de eerststervende der echtgenoten, en niet op de datum van de vereffening, in overeenstemming met de ratio van artikel 890 van het Burgerlijk Wetboek . De wijzigingen aan de toestand na het overlijden zijn irrelevant bij of voor de toepassing van artikel 1446 van het Burgerlijk Wetboek, maar de waardevermeerdingen van het goed (ingevolge de economische toestand of opleving van de immobiliënmarkt) komen dus wel in aanmerking.
  12. De kosten Partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR. Partijen zijn het erover eens dat de kosten ten laste kunnen gelegd worden van de massa. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk en gegrond als volgt: Hervormt het vonnis voor zover het de vereffening en verdeling beperkt tot het onroerend goed, en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering gegrond in volgende mate: beveelt de vereffening en de verdeling van de huwelijksgemeenschap die heeft bestaan tussen G. A. en M. W., en van de nalatenschap van M. W. Stelt aan: - Notaris X. om over te gaan tot de verrichtingen van vereffening en verdeling, - Notaris Y. om de mogelijk afwezige eisende of verwerende partijen te vertegenwoordigen overeenkomstig artikel 1209, 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek Bevestigt de aanstelling van landmeter M., die de waarde zal ramen op het tijdstip van de vereffening-verdeling, met inachtneming van de toestand van het onroerend goed op 8 januari
  13. ... Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 15/12/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Marc BOSMANS, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.