← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091215.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091215.5 Rolnummer: 2007AR2531 Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-18 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-02 20:48 Fiche De eindbeslissingen van de strafrechter hebben in principe gezag van gewijsde erga omnes. Wanneer de burgerlijke rechter derhalve moet oordelen over een vordering gebaseerd op een feit waarover de strafrechter reeds uitspraak deed, dan mag deze burgerlijke rechter niets meer beslissen wat in strijd zou zijn met datgene wat de strafrechter vroeger zeker en noodzakelijk daaromtrent heeft beslist. De burgerlijke rechter mag bijgevolg omtrent hetzelfde feit de beslissing van de strafrechter niet tegenspreken. Wanneer een beklaagde definitief vrijgesproken werd voor meineed staat zeker en noodzakelijk vast dat zijn verklaring die hij onder ede afgelegd heeft voor de burgerlijke rechter geloofwaardig is. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde - Gezag van gewijsde GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde - Gezag van gewijsde - Algemeen STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Meineed Vrije woorden: Draagwijdte van het gezag van gewijsde ivm een strafrechtelijk vonnis, op burgerlijk gebied, meer bepaald op het gebied van de verzekeringen. Strafrechtelijk vonnis houdende een vrijspraak voor meineed; impact op burgerlijk gebied. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2007/AR/2531 INZAKE VAN : De naamloze vennootschap KBC VERZEKERINGEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3000 LEUVEN, Waaistraat 9, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder het nummer 121, appellante tegen vonnissen uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 1 juni 1999 en 12 maart 2002, vertegenwoordigd door Meester Pascale ALAERTS loco Meester Kristiane HUBRECHTS, advocaat te 3010 KESSEL-LO, Tiensesteenweg 305, 1ste kamer TEGEN : Mevrouw X. Y., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Albert WERST, advocaat te 1570 GALMAARDEN, Geraardsbergsestraat 20, Gelet op de procedurestukken: · de voor eensluidend verklaarde afschriften van de vonnissen uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 1 juni 1999 en 12 maart 2002, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 13 juni 2002; · de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 25 september 2008; · de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 9 november 2009. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 9 november 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 640.000 BEF (= waarde van de boot ), bij conclusie uitgebreid tot 730.000 BEF (= waarde van de boot + trailer) of 18.096,23 euro , plus de gerechtelijke intresten. 1.2. De eerste rechter heeft bij tussenvonnis van 1 juni 1999 een getuigenverhoor bevolen. Getuige N. werd onder ede verhoord op de zitting van 13 oktober 1999. Bij tussenvonnis van 12 maart 2002 werd

(1)de beweerde diefstal bewezen geacht en
(2)de heer Martens aangesteld als deskundige met o.a. als opdracht de waarde van de gestolen boot te ramen. 1.
  1. Het hoger beroep van appellante beoogt de oorspronkelijke vordering ongegrond te horen verklaren. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde haar vordering ontvankelijk en gerond te verklaren en dienvolgens appellante te veroordelen tot betaling van het bedrag van 18.096,23 euro (= 730.000 BEF), plus de gerechtelijke intresten. Geïntimeerde vraagt tevens appellante te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.500 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep. II. De Feiten. 2.
  2. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  3. Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerde op 17 juni 1993 een boot kocht voor een bedrag van 200.000 BEF. Zij liet hieraan verschillende aanpassingen uitvoeren zodat die boot uiteindelijk geschat werd op 640.000 BEF. Op 18 juni 1993 kocht geïntimeerde een trailer voor de prijs van 161.325 BEF waarvan de waarde nadien geschat werd op 90.000 BEF. Deze boot werd bij appellante verzekerd tegen diefstal door middel van een polis pleziervaart ingaande op 23 mei 1995 tot 27 juli 1995 voor een verzekerde waarde van 750.000 BEF met een franchise van 7.500 BEF. Op 18 december 1995 stelde geïntimeerde vast dat haar boot met trailer - die in Zeebrugge lag - gestolen waren en de dag daarop legde zij klacht neer bij de Rijkswacht van Halle. III. Beoordeling. 3.
  4. Appellante weigert tussen te komen in het schadegeval omdat volgens haar de diefstal niet bewezen is. 3.
  5. De heer N. werd als getuige opgeroepen en verklaarde onder ede o.a. het volgende: " De boot werd vervolgens op de kaai geplaatst, afgedekt met een dekzeil. De boot zelf was niet beveiligd. Om reden dat er op die plaats in het verleden reeds boten gestolen waren, heb ik na enkele dagen het initiatief genomen om die boot te beveiligen met een ketting en slot, eigendom van de zaak. Een zekere tijd later, bemerkte ik op zekere dag dat de boot weg was, ketting en slot bevonden zich op de grond van de kaai. Het slot was open geforceerd." Appellante legde alsdan klacht neer wegens meineed. Bij vonnis uitgesproken door de correctionele rechtbank te Leuven dd. 11 oktober 2005 werd de heer N. voor dit feit vrijgesproken. Geïntimeerde ging tegen deze beslissing in beroep. Bij arrest uitgesproken door het hof van beroep te Brussel dd. 29 mei 2007 werd de heer N. voor dit feit andermaal vrijgesproken. Het hof van beroep steunde zijn beslissing o.a. op hierna volgend motief: " De ongerijmdheid van bepaalde elementen van de kwestieuze verklaring afgelegd voor de burgerlijke rechtbank, zoals vermeld in het eerste vervolg van het P.V. nr. 100.274 dd. 29 februari 1996 waarin inlichtingen vaag zijn, opgesteld naar aanleiding van een buurtonderzoek, legt de beklaagde aannemelijk uit door zijn vrees dat zijn verantwoordelijkheid in het gedrang zou komen. " Deze laatste beslissing is een definitieve eindbeslissing. De eindbeslissingen van de strafrechter hebben in principe gezag van gewijsde erga omnes. Wanneer de burgerlijke rechter derhalve moet oordelen over een vordering gebaseerd op een feit waarover de strafrechter reeds uitspraak deed, dan mag deze burgerlijke rechter niets meer beslissen wat in strijd zou zijn met datgene wat de strafrechter vroeger zeker en noodzakelijk daaromtrent heeft beslist. De burgerlijke rechter mag bijgevolg omtrent hetzelfde feit de beslissing van de strafrechter niet tegenspreken. Gezien de heer N. definitief vrijgesproken werd voor meineed staat zeker en noodzakelijk vast dat zijn verklaring die hij onder ede afgelegd heeft voor de burgerlijke rechter geloofwaardig is. 3.
  6. Ten onrechte houdt appellante voor dat er onduidelijkheid bestaat over de datum van de diefstal waardoor de versie van geïntimeerde ongeloofwaardig wordt. Geïntimeerde was de laatste keer op haar boot op 11 november en op 18 december stelde ze vast dat haar boot verdwenen was. Om deze reden werd op het P.V. vermeld dat de feiten zich voordeden tussen 11 november 1995 en 18 december
  7. Geïntimeerde kan dus niet precies weten wanneer de diefstal gepleegd werd gezien het "ergens" gebeurd is tijdens voornoemde periode. Het feit dat geïntimeerde klacht neerlegde in Halle i.p.v. Zeebrugge waar de boot lag, is ook geen element op zich om te twijfelen aan haar versie. Geïntimeerde woont immers in Halle en is dus met die streek meer vertrouwd. Zij legde overigens klacht neer de dag nadat ze de diefstal vaststelde. Het feit dat een onderzoek ter plaatse door de Rijkswacht van Zeebrugge niets opleverde, is opnieuw geen element waaruit kan besloten worden dat er geen diefstal plaatsvond. Uit het verslag van het gevoerde buurtonderzoek blijkt dat de verbalisanten via de uitbater en personeel bij Marine Technics vernamen dat zij zich niet herinnerden dat dergelijke motorboot aldaar zou hebben gestaan. Er werd van deze personen echter geen eigenlijk verhoor afgenomen en het is ook niet duidelijk wie juist ‘ondervraagd' werd. Het is niet onwaarschijnlijk dat tijdens dat onderzoek bepaalde "ondervraagden" niet betrokken wilden worden in een gerechtelijke procedure. Er kan enkel vastgesteld worden dat een eerder oppervlakkig buurtonderzoek werd uitgevoerd zodat de gegevens die hierin vermeld worden niet opwegen tegen een verhoor onder ede van diegene met wie geïntimeerde contact opzocht voor het plaatsen van haar boot, die zelf die boot beveiligde en waarvan diens verklaring voor de burgerlijke rechter als waarachtig moet aangenomen worden. De anonieme telefoon waarnaar appellante verwijst, heeft geen enkele bewijswaarde. 3.
  8. De eerste rechter heeft dan ook terecht besloten dat er geen afdoende gegevens voorhanden waren in het dossier om te twijfelen aan de waarachtigheid van de versie van geïntimeerde zodat deze de toetsing van oprechtheid en waarschijnlijkheid doorstaat. Alle overige door partijen ter zake ingeroepen middelen zijn niet dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
  9. Geïntimeerde vraagt in totaal 18.096,23 euro , zijnde de waarde van de gestolen boot en deze van de trailer. Uit de polisvoorwaarden blijkt dat enkel de boot verzekerd was bij appellante en niet de trailer . De waarde van de trailer kan bijgevolg niet gevorderd worden van appellante. Het staat vast dat de boot op 17 juni 1993 aangekocht werd voor de prijs van 200.000 BEF. Voor het overige legt geïntimeerde een factuur neer voor "herstellingswerken en revisie van de motor" uitgevoerd op 18 juni 1993 voor de prijs van 125.475 BEF. Het is niet duidelijk wat dient verstaan te worden onder "herstellingswerken". De aankoopfactuur van de trailer is niet ter zake. Op 10 juli 1995 werd de reële waarde van de boot geschat op 640.000 BEF. Het gaat echter om een eenzijdige vaststelling die niet tegenstelbaar is aan appellante. Rekening houdende met de initiële koopprijs en de vetusteit tussen de aankoop (= 1993) en de diefstal
(1995)wordt de waarde van de boot geschat op 180.000 BEF of 4.462,08 euro . Uit de gegevens van de polis blijkt verder dat de eerste 7.500 BEF van elk schadegeval niet verzekerd zijn. Appellante blijft derhalve verschuldigd: 4.462,08 euro - 185,92 euro = 4.276,16 euro . Gezien het hof beschikt over de nodige gegevens om zelf de schade te ramen, is het in die omstandigheden niet opportuun om desbetreffend een deskundige aan te stellen. 3.
  1. Geïntimeerde vraagt tevens schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep. Appellante heeft het recht hoger beroep in te stellen wanneer haar verweer afgewezen wordt. Geïntimeerde die schadevergoeding vraagt wegens tergend en roekeloos hoger beroep moet bewijzen dat appellante bij de uitoefening van haar recht om hoger beroep in te stellen een fout heeft begaan omdat zij dat recht misbruikt heeft of beroep aangetekend heeft met een schuldige lichtzinnigheid. Geïntimeerde blijft in gebreke dit bewijs te leveren zodat haar vordering tot schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep bijgevolg ongegrond is. 3.
  2. Partijen hebben ter zitting van 9 november 2009 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft . Zij hebben deze terecht begroot op 1.100 euro . Dit bedrag komt ten beloop van 2/3den toe aan geïntimeerde en ten beloop van 1/3de aan appellante. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Bevestigt het bestreden tussenvonnis uitgesproken op 1 juni
  3. Hervormt het bestreden tussenvonnis uitgesproken op 12 maart 2002 en opnieuw recht sprekende, na evocatie van de zaak door het hof, Verklaart de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt appellante om aan geïntimeerde het bedrag te betalen van VIERDUIZEND TWEEHONDERD ZESENZEVENTIG EURO ZESTIEN CENT (4.276,16 euro ) plus de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet. Verklaart de incidentele vordering van geïntimeerde tot het bekomen van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt appellante tot betaling van 2/3den van de kosten in beide aanleggen en geïntimeerde tot het overige 1/3de, deze van eerste aanleg zoals begroot in het vonnis a quo, en deze van het hoger beroep, in hun geheel begroot - in hoofde van appellante op euro 1.472 (186 rolrecht 2002/AR/1420 + 186 rolrecht 2007/AR2531 + 1.100 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.100 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 15/12/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.