← België

ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091215.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2009:ARR.20091215.6 Rolnummer: 2006AR1287 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2009-12-18 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-02 20:48 Fiche Het behoort niet aan de kinesist om de patiënt aan een veel uitgebreider onderzoek te onderwerpen dan dat waaraan de voorschrijvende arts, de patiënt heeft onderworpen. Wanneer de arts op zijn voorschrift geen 'bijkomende informatie' verstrekt, wanneer hij ook geen 'opmerkingen' vermeldt en wanneer de patiënt zelf gezien de leeftijd en de algemene toestand waarin zij verkeert, niet doet blijken aan een speciaal risico te zijn blootgesteld, dan begaat de kinesist geen fout wanneer hij - rekening houdend met alle gegevens die hem door de arts en de patiënt worden verstrekt - een normale behandeling (volgens voorschrift) toedient (en nu - zoals hiervoor gesteld er geen elementen zijn die wijzen op een brutale of niet adequate manipulatie). De arts moet het medisch dossier van de patiënt onderzoeken en in functie van het globaal dossier hetzij behandelingen (voorbeeld kinesitherapie) hetzij gespecialiseerde onderzoeken voorschrijven. Deze fundamentele verplichting kan niet afgewenteld worden op de kinesist, wiens taak er zich toe beperkt om de voorgeschreven behandeling uit te voeren. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Kinesitherapeuten - Aansprakelijkheid BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Algemeen (medisch- en gezondheidsrecht) Vrije woorden: Beroepsaansprakelijkheid van een kinesist of kinesitherapeut. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2009/ A.R. nr. 2006/AR/1287 INZAKE VAN : 1) Mevrouw E. V., 2) De heer N. V., 3) Het NATIONAAL VERBOND DER SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, afgekort N.V.S.M., waarvan de zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Sint-Jansstraat 32/38, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 december 2005, vertegenwoordigd door Meester Rudi LOOS loco Meester Stéphane LIBEER, advocaat te 1040 BRUSSEL, Sint-Michielslaan 55 bus 10, 1ste kamer TEGEN : De naamloze vennootschap AG INSURANCE, voorheen FORTIS AG, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, E Jacqmainlaan 53, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester LAVIGNE loco Meester Paul MUYLAERT, advocaat te 1060 BRUSSEL, Defacqzstraat 73,

  1. Bij verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van het hof op 5 mei 2006 hebben Luc en N. V. en het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (hierna NVSM) hoger beroep ingesteld tegen een vonnis geveld door de rechtbank van eerster aanleg te Brussel op 21 december
  2. Het bestreden vonnis werd naar verklaring van de partijen niet betekend. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn.
  3. Voor het hof hebben de appellanten synthese beroepsbesluiten neergelegd op 12 september
  4. Geïntimeerde, de N.V. FORTIS INSURANCE BELGIUM thans N.V. AG INSURANCE, heeft synthese beroepsbesluiten neergelegd op 3 april
  5. Appellanten leggen een dossier neer, geïntimeerde niet.
  6. Appellanten geven volgend relaas van de feiten die aanleiding geven tot hun vordering: "Op 14 april 2000 werd Mevrouw B. V., 35 jaar, door haar huisarts, de groepspraktijk Dr. L. en Dr. D., verwezen naar een kinesist omwille van thorakaal discuslijden. (...) De huisarts schreef op 14.04.2000 een kine behandeling voor nl. een tractie en mobilisatie, tractie zijnde dat er getrokken wordt in de lengterichting van de wervelzuil. Ten onrechte stelt geïntimeerde dat er geen kopie wordt bijgebracht van het oorspronkelijke voorschrift. Het is juist dat dit oorspronkelijk zoek was, maar (appellanten) leggen dit (thans) (...) voor. Hierop staat vermeld "gewenste behandeling : distractie en mobilisatie thwz" (thwz = thoracale wervelzuil) — voorschrijvende arts : Dr. D. I.. Mevrouw V. consulteerde kinesist V., verzekerde van geïntimeerde. Tijdens de eerste behandeling dd. 19.04.2000 door kinesist V., voelde ze een plotse pijn in het linker ribbenrooster en hoorde ze ook een droge korte "krak". Mevrouw V. ging er echter van uit dat dit wel bij de behandeling zou horen en dat het om een kortstondige pijn zou gaan. Zij begaf zich huiswaarts, doch de pijn ter hoogte van haar linker flank werd dermate ondraaglijk dat ze het bed diende te houden. Mevrouw V. consulteerde `s anderendaags haar huisarts omdat de pijn zodanig uitgesproken was geworden dat dit haar belemmerde bij het ademhalen en bij gewone bewegingen. De huisarts verwees Mevrouw V. naar een radioloog. Deze stelde tot haar consternatie meerdere rib fracturen ter hoogte van het linker ribrooster vast nl. vier, mogelijks vijf ribben werden gebroken, en dit (volgens appellanten) door de kine behandeling. (appellanten) verwijzen naar hun stuk 2 waar radioloog C. aan Dr. D. bevestigt dat meerdere ribfracturen gevisualiseerd werden, niveau 4, 5, 6, 8ste rib, mogelijk ook 7de rib. (appellanten) zijn van oordeel dat kinesist V. in feite de voorgeschreven behandeling van de huisarts niet of/en verkeerd heeft uitgevoerd omdat hij onvoldoende voorzichtig en dus abnormaal te werk is gegaan. De verzekerde van geïntimeerde had inderdaad blijkbaar dermate manipulaties uitgevoerd dat Mevrouw V. bij de behandeling vier tot zelf vijf ribben gebroken had, hetgeen niet het geval kan zijn indien men enkel de gevraagde tracties voorzichtig en dus normaal zou hebben uitgevoerd. Mocht de kinesist inderdaad een normale uitvoering gedaan hebben van wat hem werd gevraagd, had van Mevrouw V. in geen enkele hypothese ribfracturen kunnen oplopen. (appellanten) zijn dan ook de mening toegedaan dat kinesist V. aansprakelijk is voor de ribfracturen en de schade die eruit is voortgevloeid. Volledigheidshalve preciseren (appellanten) dat na het herstel van de ribfracturen, Mevrouw V. opnieuw kine behandeling kreeg — uiteraard bij een andere kinesist — (zie stuk 5 in fine, verslag Dr. L.) in het kader waarvan het attest dd. 14.07.2000 van Dr. L. werd voorgeschreven en waarop staat "10 zittingen voorzichtige intermittente tracties, massage en oef." (stuk 21.2) Mevrouw V. heeft geen enkel letsel opgelopen t.g.v. deze tracties." Inmiddels is Mevrouw V. overleden ten gevolge van een verkeersongeval; appellanten zijn haar erfgenamen. Geïntimeerde is de aansprakelijkheidsverzekeraar van G. V., de kinesist die de litigieuze behandeling heeft uitgevoerd. Geïntimeerde benadrukt dat G. V. enkel kortstondige manuele tracties heeft uitgevoerd, dat op geen enkel ogenblik de patiënt gewag heeft gemaakt van enige pijn, dat de patiënte op eigen kracht van de behandelingstafel is gekomen, zich heeft aangekleed en probleemloos huiswaarts is gekeerd. Zij betwist dat "een droge korte krak" zou zijn gehoord tijdens de behandeling. Zij wijst er tevens op dat de patiënte leed aan osteopenie (een aandoening waarvan in ieder geval de kinesist niet op de hoogte gesteld werd). Kortom, geïntimeerde betwist dat G. V. een fout heeft begaan, daarenboven dat er geen causaal verband is tussen de uitgevoerde behandeling en de opgetreden breuken. Appellanten verwijzen in het bijzonder naar de verslagen die opgesteld werden door de raadsgeneesheer van het NVSM. Deze raadsgeneesheer Dr. Z. komt tot volgende besluitvorming (stuk 1): "Voor mij is het duidelijk dat kinesist V. de voorgeschreven behandeling van de huisarts niet heeft uitgevoerd. Wat zij heeft gedaan staat beschreven in haar brief van 12/12/
  7. Dit komt overeen met hetgeen patiënte ons tijdens het gesprek heeft meegedeeld. Bij deze manipulaties of mobilisaties zijn de ribben gebroken geweest. De osteopenie aan dewelke Mevrouw V. leed is een begunstige factor geweest. Het is inderdaad niet nodig veel druk uit te oefenen om ribben te breken. Nochtans meen ik mocht de kinesist zich gehouden hebben aan het voorschrift van de huisarts, namelijk het uitvoeren van voorzichtige tracties mevrouw V. geen ribfracturen hebben opgelopen. Zij is nadien lange tijd werkonbekwaam geweest en heeft tot haar dood restletsels van deze ribfracturen overgehouden. Dokter T., adviserend geneesheer van Fortis beschrijft in zijn brief van 29/01/2004 dat hij dit dossier opnieuw wenst te bespreken. Ik vraag mij af, 2 jaar na ons eerste contact met de verzekering en door het feit van het overlijden van Mevrouw V. of wij nog verder met de verzekering kunnen onderhandelen en of wij niet onmiddellijk deze zaak voor verder juridisch gevolg in aanmerking nemen." De kinesist, G. V. gaf bij brief van 2 mei 2003 volgend feitenrelaas: "*Manuele tractie of automatische tractie? Alle technieken werden manueel uitgevoerd * Werd de tractie plots of progressief aangelegd? De tracties werden uitgevoerd met het oog op pijndemping, ze werden binnen de pijngrens gevoerd, in een pijnvrije richting (patiënte gaf tijdens de behandeling geen pijn aan!). Het ritme was afwisselend oscillerend en kort aangehouden. Tracties werden steeds uitgevoerd met ogen open, en de tractie werd steeds voorzichtig opgebouwd. De mobilisaties die uitgevoerd werden, werden steeds manueel tot de grens van bewegingsbeperking gevoerd, er werd nooit een impuls gegeven dus die grens werd nooit bruusk overschreden (nooit gemanipuleerd). Ook hier gaf de patiënte geen pijn aan, ook onmiddellijk na de behandeling werd er door haar geen pijn gesignaleerd. *Anamnestische of klinische aanwijzingen voor de osteopenie die nadien werd teruggevonden. Ik heb tijdens de anamnese of klinisch onderzoek niets teruggevonden dat daarop wees."
  8. De bestreden beslissing heeft de vordering die ertoe strekte vooraleer verder recht te doen een geneesheer deskundige te horen aanstellen, als ongegrond afgewezen. Voor het hof herneemt E. V. (geboren op 22 oktober 1991 en dus thans meerderjarig) het geding dat door Luc V. namens haar was gevoerd in diens hoedanigheid van vertegenwoordiger van de minderjarige dochter. Voor het hof vorderen appellanten de aanstelling van een deskundige. Ter terechtzitting van 16 november 2009 werd het debat tot dit aspect van de vordering beperkt. Geïntimeerde vordert van haar kant de bevestiging van de bestreden beslissing. Zij verzet zich tegen de aanstelling van een deskundige.
  9. Het hof is niet bij machte om op basis van de stukken waarop het vermag acht te slaan, te oordelen of er al dan niet door de wijze waarop de kinesitherapie behandeling (tractie) werd uitgevoerd er een professionele fout werd begaan door kinesist G. V.. De vraag stelt zich of de arts - in het voorschrift van behandeling - zelf wel voldoende informatie heeft verstrekt aan de kinesist; of de predispositie van mevrouw V. ingevolge haar osteopenie van die aard was dat zelfs de meest voorzichtige kinesist de breuken niet zou hebben kunnen vermijden; of de breuken wel degelijk zijn opgetreden ter gelegenheid van de behandeling door kinesist G. V. of reeds aanwezig waren voordien, of zelfs mogelijk kort nadien pas zijn opgetreden; dan wel of er andere oorzaken zijn voor de opgetreden breuken. Omtrent de oorzaak van het optreden van breuken aan de ribben is het hof niet bij machte zelf de feitelijke situatie te beoordelen daar deze wetenschappelijk en deskundige technische en medische kennis en onderzoek vereist. De versies zoals zij door de respectieve procespartijen worden voorgehouden zijn alle mogelijk. Geen van deze versies is ongeloofwaardig. Alvorens echter een deskundig onderzoek te bevelen moet nagegaan worden of appellanten voldoende plausibel maken dat G. V. een fout zou hebben begaan.
  10. Uit het feitenrelaas zoals het wordt voorgelegd in het verslag van de raadsgeneesheer van het NVSM (stuk 1 - zie hiervoor) blijkt niet dat mevrouw V. ter gelegenheid van de behandeling een abnormale pijn (van één of meer breuken) zou hebben gevoeld dan wel een abnormaal geluid zou hebben gehoord of in het algemeen enig abnormaal gevoel zou hebben gehad. In het voorschrift van Dr. D. van 14 april 2000 worden 6 behandelingen tegen thoracaal discuslijden voorgeschreven te weten: "distractie en mobilisatie ThWZ ". De eerste sessie ervan greep plaats op 19 april 2000 (uitgevoerd door kinesist G. V.). Op 14 juli 2000 schrijft Dr. L. andermaal een behandeling via intermittente tracties, massage en oefeningen voor. Nu stelt het voorschrift duidelijk dat het moet gaan om "voorzichtige" tracties. Het voorschrift van 14 april 2000 (stuk 21.1) bevat deze melding niet. Onder het vak "bijkomende informatie" is niets ingevuld. Enkel de gewenste behandeling wordt vermeld. De arts geeft aan de kinesist geen enkele informatie die deze laatste moet toelaten na te gaan dat de patiënt een risico op breuken vertoont. Meer nog, het onderzoek naar de vraag of mevrouw V. al dan niet leed ofwel aan osteopenie ofwel aan osteoporose, werd pas in mei 2000 onderzocht (stuk 3). De voorschrijvende arts kende dus zelf dit gegeven niet wanneer hij zijn patiënt een behandeling door een kinesist voorschreef.
  11. Zeer terecht laten appellanten gelden dat de rechter moet nagaan wat éénzelfde zorgverstrekker in gelijke omstandigheden behoorde te doen. Appellanten bewijzen niet dat G. V. een fout zou hebben begaan. Een deskundig onderzoek kan dan wel desgevallend bewijzen hoe en in welke omstandigheden de breuken van de ribben zijn opgetreden doch het hof is van oordeel dat een dergelijk onderzoek, in de gegeven omstandigheden niets kan bijbrengen om te beoordelen of G. V. al dan niet een fout zou hebben begaan.
  12. Hiervoor werd reeds gesteld dat er zich geen feiten hebben voorgedaan die van aard zijn aan te tonen dat een brutale of pijnlijke of op enigerlei wijze abnormale manuele tractie zou zijn uitgevoerd (zie de verslagen van Dr Z.) Er is dus op zich geen enkel gegeven dat wijst op een abnormaal (en dus foutief) uitvoeren van de manuele tractie op de patiënt.
  13. Blijft dan de vraag of G. V. buitengewoon voorzichtig had moeten omgaan met de patiënt en of zij, door de normale behandeling te verstrekken, een fout kan hebben begaan. Het antwoord is negatief. Het behoort niet aan de kinesist om de patiënt aan een veel uitgebreider onderzoek te onderwerpen dan dat waaraan de voorschrijvende arts, de patiënt heeft onderworpen. Wanneer de arts op zijn voorschrift geen "bijkomende informatie" verstrekt, wanneer hij ook geen "opmerkingen" vermeldt en wanneer de patiënt zelf gezien de leeftijd en de algemene toestand waarin zij verkeert, niet doet blijken aan een speciaal risico te zijn blootgesteld, dan begaat de kinesist geen fout wanneer hij - rekening houdend met alle gegevens die hem door de arts en de patiënt worden verstrekt - een normale behandeling (volgens voorschrift) toedient (en nu - zoals hiervoor gesteld er geen elementen zijn die wijzen op een brutale of niet adequate manipulatie). De arts moet het medisch dossier van de patiënt onderzoeken en in functie van het globaal dossier hetzij behandelingen (voorbeeld kinesitherapie) hetzij gespecialiseerde onderzoeken voorschrijven. Deze fundamentele verplichting kan niet afgewenteld worden op de kinesist, wiens taak er zich toe beperkt om de voorgeschreven behandeling uit te voeren.
  14. Waar Dr Z. stelt dat de kinesist volgens hem een fout beging moet opgemerkt worden dat Dr Z. er verkeerdelijk van uit gaat dat de arts de kinesist heeft gewezen op de precaire toestand van het beendergestel van de patiënt. Enerzijds vermeldde de arts niet dat de behandeling ‘voorzichtig' moest worden uitgevoerd hetgeen dr Z. ten onrechte aanneemt, anderzijds had de arts blijkbaar zelf nog niet onderzocht of laten onderzoeken hoe de toestand van het beendergestel (BMD onderzoek van de lumbale wervels 2, 3 en 4) van mevrouw V. er uit zag (dit onderzoek dateert van mei 2000, dus na de behandeling door de kinesist). Dat Dr Z. in een later opgesteld verslag (lopende de rechtspleging voor het hof) heeft getracht om aan het niet vermelden van het woordje ‘voorzichtig' onderuit te komen door te melden dat elke behandeling voorzichtig moet uitgevoerd worden, is niet van aard deze besluitvorming te ontkrachten. Immers, zoals er hiervoor werd op gewezen, blijkt uit geen enkel gegeven uit het feitenrelaas dat de tractie onvoorzichtig zou uitgevoerd zijn. Dat er een geluid gehoord wordt is normaal.
  15. Er blijkt niet dat G. V. de behandeling brutaal of op enigerlei wijze zou hebben uitgevoerd die de patiënt, op het moment van de behandeling, als abnormaal, onzorgvuldig of foutief heeft ervaren. De patiënt betwist niet dat zij op eigen kracht van de behandelingstafel is gekomen, zich zelf heeft aangekleed en op eigen kracht huiswaarts is gekeerd. Er is aldus geen enkel element dat plausibel maakt als zou door G. V. een behandeling zij uitgevoerd die afwijkt van de wijze waarop een normale voorzichtige kinesist deze zelfde behandeling (mobilisatie en manuele tractie) uitvoert. Er was geen enkele aanleiding opdat G. V. een speciale voorzichtigheid aan de dag zou hebben dienen te leggen nu noch de anamnese van de patiënt (leeftijd en door de patiënt verstrekte inlichtingen) noch het voorschrift van de arts enige informatie aanreikte die tot dergelijke buitengewoon voorzichtige uitvoering van de behandeling zou hebben moeten aanzetten.
  16. Kortom, er is niet aangetoond dat G. V. een fout heeft begaan. Een deskundig onderzoek zou dan wel misschien kunnen bewijzen welke de oorzaak is van de breuken die mevrouw V. heeft opgelopen doch zelfs indien zou bewezen worden dat deze breuken toch tijdens en ter gelegenheid van de behandeling door G. V. zouden zijn opgetreden, zou dit gegeven nog niet van aard zijn te bewijzen dat G. V. een fout zou hebben begaan en dit precies om reden dat zij de instructies van de arts heeft uitgevoerd en dat zij geen rekening kon en moest houden met predispositie of met speciale opmerkingen of voorschriften van voorzichtigheid, nu deze haar niet werden verstrekt door de voorschrijvende arts. Het hoger beroep is dienvolgens ongegrond.
  17. Het past de rechtsplegingvergoeding te begroten op het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen nu appellanten hun vordering hebben beperkt tot de vraag tot aanstelling van een deskundige. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Geeft aan Emillie V. akte van de hervatting van geding; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt appellanten tot de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van henzelf op euro 1.386 ( 186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 15/12/2009 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc BOSMANS, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. BOSMANS Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.