← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100119.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 19 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100119.3 Rolnummer: 100119-2007na3 Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-25 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 21:15 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Termijn hoger beroep PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATUURRAMPEN - Tegemoetkomingsaanvraag Vrije woorden: I. Aanvankelijk hoger beroep. Nakomend hoger beroep. Termijnen. Voorwaarden voor instellenvan een nakomend hoger beroep. II. Natuurramp. Tegemoetskomingaanvraag. Hoger beroep tegen de beslissing van de provinviegouverneur. Termijn. Overmacht: begrip. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2007/NA/3 INZAKE VAN : De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 2, woonstkiezende op het adres van zijn raadsman Meester Daniël CRABEELS, advocaat te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106, eiser tot cassatie van een arrest gewezen op 14 oktober 2003 door het hof van beroep te Antwerpen, appellant tegen een beslissing van de Gouverneur van de Provincie Antwerpen d.d. 19 augustus 1999, beslissing bekend onder het rampenschadedossiernummer CAL/98A/14144/005983, vertegenwoordigd door Meester Samuel DE BRUYNE loco Meester Daniël CRABEELS, advocaat te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer E. C., en zijn echtgenote 2) Mevrouw Y. V., samenwonende te verweerders in cassatie, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Wim VAN DER DONCKT loco Meester Joris MATTIJS, advocaat te 2500 LIER, Donk 54, Gelet op de procedurestukken: - het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen dd. 1 oktober 1999; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest uitgesproken door het hof van beroep te Antwerpen op 14 oktober 2003, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; - het arrest van het Hof van Cassatie dd. 2 maart 2006; - de akte van betekening en dagvaarding na cassatie dd. 14 maart 2007; - de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 19 maart 2008; - de aanvullende en hernemende conclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 30 mei

  1. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 30 november 2009 en gelet op de stukken die zij neerlegden. I. De feiten en procedurele voorgaanden. 1.
  2. Geïntimeerden baten in de streek rond Lier een landbouwbedrijf uit alwaar o.a. maïs wordt geteeld. Op 13, 14 en 15 september 1998 werd o.a. de streek waar het landbouwbedrijf van geïntimeerden is gevestigd geteisterd door hevige regens. Bij K.B. van 18 september 1998, zoals gewijzigd door het K.B. van 13 oktober 1998 werd dit natuurfenomeen erkend als algemene ramp. Op 26 juli 1999 kwam een expert, aangesteld door de Provinciegouverneur van de provincie Antwerpen, ter plaatste en stelde zijn bevindingen vast. 1.
  3. Op 19 augustus 1999 besliste de Provinciegouverneur aan geïntimeerden een financiële tegemoetkoming te verlenen van 1.237.408 BEF of 30.674,54 euro en bepaalde hij het maximum van het eventueel herstelkrediet tegen verlaagde rentevoet op 376.112 BEF of 9.323,57 euro . Deze beslissing werd op 1 september 1999 betekend aan appellant en geïntimeerden. 1.
  4. Op 1 oktober 1999 tekende appellant hoger beroep aan tegen deze beslissing. Appellant meende dat de schade 1.173.060 BEF of 29.079,40 euro bedroeg, dat het herstelkrediet 212.040 BEF of 5.256,33 euro bedroeg en dat de schade slechts voor 50% vergoedbaar was omdat ingevolge de felle regens slechts 50% van de maïs verloren was gegaan. Op 11 oktober 1999 ging appellant over tot uitbetaling van het niet betwiste bedrag van 1.173.060 BEF of 29.079,40 euro en werd voormeld herstelkrediet t.b.v. 5.256,33 euro ter beschikking gesteld van geïntimeerden. Bij conclusie neergelegd op 10 oktober 2000 vroeg appellant het uitgekeerde bedrag terug en was zij van oordeel dat geïntimeerden geen recht meer hadden op een herstelkrediet, dit alles op grond van het motief dat de schade die vastgesteld werd door de expert van de Provinciegouverneur niet rechtstreeks door de erkende ramp veroorzaakt zou geweest zijn. 1.
  5. Bij arrest gewezen door het hof van beroep te Antwerpen dd. 14 oktober 2003 werd(en)

(1)het beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard,
(2)gezegd voor recht dat aan geïntimeerden een herstelvergoeding van 29.079,40 euro werd toegekend en dat het maximumbedrag van het herstelkrediet aan verlaagde rentevoet vastgesteld werd op 5.256,33 euro en
(3)de kosten ten laste gelegd van de Belgische Staat. Het hof overwoog hierbij dat er in deze zaak duidelijk een schending voorhanden was van het vertrouwensbeginsel aangezien eiseres in voorziening in haar verzoekschrift duidelijk een deel van de schade erkend had en een gedeelte van de vergoeding die door de Provinciegouverneur was toegekend, erkend en uitbetaald had, weliswaar ten provisionele titel in afwachting van een eindarrest, waarbij de bedragen dan definitief zouden bepaald worden. 1.
  1. Voornoemd arrest werd door het Hof van Cassatie verbroken bij arrest van 2 maart 2006 en de zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Brussel. Het Hof van Cassatie was van oordeel dat de appelrechters zonder vast te stellen dat de eiser bij conclusie zijn hoger beroep niet meer kon uitbreiden omdat hetzij de termijn van hoger beroep verstreken was, hetzij dat de eiser berust had, hun beslissing dat eiser het vertrouwensbeginsel had geschonden niet naar recht hadden verantwoord. 1.
  2. Appellant vraagt thans andermaal te zeggen voor recht dat geïntimeerden geen recht hebben op enige herstelvergoeding en herstelkrediet en vraagt opnieuw de terugbetaling van het uitgekeerde bedrag van 30.674,54 euro . Geïntimeerden vragen de vordering van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de voordien door de Provinciegouverneur toegekende schadevergoeding als wettelijk te beschouwen. III. Beoordeling. 3.
  3. Aanvankelijk stelde appellant een beperkt hoger beroep in stellende dat de schade aan de maïs op de percelen in Lier enkel voor 50% vergoedbaar was omdat alleen die schade het rechtstreeks gevolg was van de hevige regens die als natuurramp werden erkend, stelde zij de schade vast op 1.173.060 BEF of 29.079,40 euro en het herstelkrediet op 212.040 BEF of 5.256,33 euro en ging op 11 oktober 1999 over tot uitbetaling van het niet betwiste bedrag van 1.173.060 BEF. Op 10 oktober 2000 werd door appellant bij conclusie een nakomend hoger beroep ingesteld waarbij terugbetaling werd gevraagd van het uitgekeerde bedrag van 1.173.060 BEF om reden dat de vastgestelde schade niet in aanmerking kon worden genomen gezien deze niet rechtstreeks door een erkende ramp veroorzaakt werd. 3.
  4. Wanneer een beperkt hoger beroep ingesteld wordt tegen een rechterlijke beslissing, kan er door de appellant een nakomend hoger beroep worden ingesteld bij conclusie overeenkomstig artikel 1056, 4° Ger.W. tegen de overige beslissingen waartegen hij geen hoger beroep had ingesteld op voorwaarde dat de termijn van hoger beroep niet verstreken is en in zoverre hij niet berust heeft in die beslissingen. Bij toepassing van artikel 22, §1 van de wet van 12 juli 1976 moet, op straffe van verval, hoger beroep aangetekend worden binnen de maand na de ontvangst van de in artikel 19, §2 bedoelde aangetekende brief (= betekening van de beslissing van de Provinciegouverneur). De beslissing van de Provinciegouverneur werd in deze aan appellant betekend op 1 september
  5. 3.
  6. Het aanvankelijk hoger beroep ingesteld door appellant op 1 oktober 1999 is derhalve tijdig ingesteld. Het nakomend hoger beroep ingesteld door appellant bij conclusie neergelegd op 10 oktober 2000 is manifest laattijdig. 3.
  7. Partijen hebben zich desbetreffend kunnen verdedigen op de zitting van 30 november 2009 . Appellant beriep zich alsdan op overmacht. Hij wierp op dat hij zeer laattijdig (= begin 2000) kennis kreeg van nieuwe stukken op grond waarvan hij besliste over te gaan tot een nakomend hoger beroep . De stukken waarvan appellant gewag maakt, is een document, opgesteld in algemene bewoordingen , uitgaande van de C.I.P.F., zijnde blijkbaar een studiedienst die afhangt van de UCL en die gedateerd is op 12 januari
  8. Dit document werd opgesteld n.a.v. een vraag gesteld door appellant op 10 januari
  9. Op basis hiervan werd een nieuw - niet gedateerd - rapport opgesteld door de heer Pletinckx. Die "algemene" informatie waarover de UCL beschikte, kon te allen tijde opgevraagd worden door appellant. Hij legt overigens niet uit waarom hijzelf wachtte tot 10 januari 2000 om die informatie op te vragen - die binnen de 2 dagen ter beschikking werd gesteld - terwijl hij reeds sedert 2 september 1999 op de hoogte was van de beslissing van de Provinciegouverneur. Overmacht houdt in een onoverwinnelijke hindernis die een absolute onmogelijkheid tot handelen tot gevolg heeft. Dit begrip moet echter zeer strikt worden uitgelegd . De situatie waarnaar appellant refereert, maakt geen overmachtsituatie uit. Hieruit volgt dat het nakomend hoger beroep ingesteld bij conclusie van 10 oktober 2000 niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid. 3.
  10. Gelet op het voorwerp van het ontvankelijk verklaard hoger beroep kan er bijgevolg geen betwisting meer gevoerd worden over het feit of de gehele schade aan de maïs, geteeld door geïntimeerden, rechtstreeks veroorzaakt werd door een erkende ramp en of hieruit materiële en zekere schade is voortgevloeid in hoofde van geïntimeerden . De discussie desbetreffend beperkt zich hoogstens tot 50% van de maïs op de percelen te Lier. Geïntimeerden vragen de voordien door de Gouverneur van de provincie Antwerpen toegekende schadevergoeding als wettelijk te beschouwen. De berekening zoals vooropgesteld door de Belgische Staat in zijn verzoekschrift in hoger beroep neergelegd op 1 oktober 1999 is correct en wordt degelijk onderbouwd. Geïntimeerden brengen geen concrete gegevens naar voren die deze berekening in twijfel kunnen trekken. Het aanvankelijk ingesteld hoger beroep is derhalve deels gegrond. 3.
  11. Ter zitting van 30 november 2009 heeft appellant enerzijds afgezien van het vorderen van gerechtskosten en heeft geïntimeerde anderzijds om de toepassing gevraagd van het basistarief conform de gevorderde bedragen. Het basistarief in deze bedraagt 2.000 euro . De kosten, waaronder de rechtsplegingsvergoeding, zijn bij toepassing van artikel 55 van de wet van 12 juli 1976 ten laste van de Belgische Staat ten beloop van 4/
  12. OM DEZE REDENEN : HET HOF, rechtdoende na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift in hoger beroep d.d. 1 oktober 1999 ontvankelijk en deels gegrond. Verklaart het bijkomend hoger beroep ingesteld bij conclusie neergelegd op 10 oktober 2000 niet ontvankelijk. Doet de bestreden beslissing teniet en opnieuw recht doende, Zegt voor recht dat aan geïntimeerden een herstelvergoeding toekomt van 29.079,40 euro (=1.173.060 BEF) en dat het maximum van het herstelkrediet aan verlaagde rentevoet wordt vastgesteld op 5.256,33 euro (= 212.040 BEF). Legt de kosten ten beloop van 4/5den ten laste van de Belgische Staat, in hun geheel begroot - in hoofde van de Belgische Staat op euro 2.813,95 (0 rolrecht + 364,40 rechtsplegingsvergoeding beroep Antwerpen + 0 rolrecht + 226,67 exploot betekening voorziening in cassatie + 0 rolrecht + 2.000 rechtsplegingsvergoeding beroep Brussel) - in hoofde van geïntimeerden op euro 2.364,40 (364,40 rechtsplegingsvergoeding beroep Antwerpen + 2000 rechtsplegingsvergoeding beroep Brussel). Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 19/1/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER Alleenzetelend Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.