← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100119.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 19 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100119.5 Rolnummer: 2006AR1154 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-01-25 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 21:15 Fiche Uit de motieven van de beslissing van 9 maart 1999 blijkt dus met zekerheid dat het criterium van de dienstanciënniteit het criterium is dat het REKENHOF gehanteerd heeft om de heer X boven Z te verkiezen. Welnu, dit criterium is onjuist toegepast, X had meer dienstanciënniteit dan de heer Z.e beslissing miskent dienvolgens het door het REKENHOF zelf ingeroepen criterium en is aldus foutief. Een overheid die zelfs wanneer zij geen gebonden bevoegdheid heeft en wanneer zij dus vrij, naar keuze kan beslissen welke kandidaat promoveert, begaat een fout wanneer zij het door haarzelf vooropgestelde criterium, door haar beslissing miskent of schendt.Dit is te dezen het geval. Het REKENHOF beging dienvolgens een fout. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid Vrije woorden: Rekenhof. Personeel. Bevorderng. Foutaansprakelijkheid. Onjuiste tepassing door het Rekenhof, van het crietrium van de dienstanciënniteit. Schade voor het slachtoffer ingevolge deze fout. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2006/AR/1154 INZAKE VAN : Het REKENHOF, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Regentschapsstraat 2, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 16 januari 2006, vertegenwoordigd door Meester Pierre SLEGERS loco Meester Eric GILLET, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 178, 1ste kamer TEGEN : De heer R. V., wonende te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Marc VANDENBEMPT, advocaat te 3001 LEUVEN, Van Arenbergplein 3, 1. de rechtspleging: 1.1. het hoger beroep: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 24 april 2006 heeft het REKENHOF hoger beroep ingesteld tegen een vonnis geveld door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 19 januari 2006 waarbij de vordering van R. V. deels gegrond werd verklaard en het REKENHOF werd veroordeeld tot het betalen van: - een schadevergoeding voor verlies aan wedde tot beloop van euro 25.676,83, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 15/05/2002, en de gerechtelijke interesten vanaf 08/03/2004; - een schadevergoeding voor het verlies van toekomstig pensioen tot beloop van euro 47.168,54, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf de datum van het vonnis; - een schadevergoeding voor morele schade tot beloop van euro 5.000, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 01/04/1999 en de gerechtelijke interesten vanaf 08/03/2004; alsmede tot het betalen van de gerechtskosten. Het bestreden vonnis werd niet betekend, het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn. 1.2. de oorspronkelijke vordering: Bij dagvaarding betekend op 8 maart 2004 vorderde R. V. de veroordeling van het REKENHOF tot het betalen van de sommen van euro 23.486,21 als weddenverlies, euro 44.195,17 als verlies van toekomstig pensioen, euro 15.000 voor verlies van een kans, euro 10.000 voor morele schade. Alle sommen te vermeerderen met de intresten en de kosten. 1.3. de vorderingen voor het hof: Bij conclusie neergelegd op 2 november 2006 vordert het REKENHOF in hoofdorde de afwijzing van de oorspronkelijke vordering omwille van verjaring. In ondergeschikte orde vordert het dat de vordering ongegrond zou verklaard worden, minstens dat ze zou herleid worden tot het netto verschil in wedde voor een duur van twee jaar. R. V. vraagt de bevestiging van het vonnis voor wat de vergoeding voor weddenverlies betreft. Hij stelt incidenteel hoger beroep in wat het overige betreft en vraagt dat de vergoeding voor verlies van toekomstig pensioen zou bepaald worden op euro 123.185,67, dat de schadevergoeding voor morele schade zou bepaald worden op euro 10.000 en de vergoeding voor verlies van een kans zou bepaald worden op euro 15.000, alle sommen te vermeerderen met de intresten en de kosten. 2. de feiten: R. V. werd op 1 mei 1968 aangeworven door het Rekenhof in de hoedanigheid van klerk. Na het slagen in een wervingsexamen, werd hij op 1 juni 1973 benoemd tot de graad van "Agréé". Na alweer te zijn geslaagd in een algemeen wervingsexamen voor Adjunct-auditeur, werd hij in die graad van niveau 1 benoemd op 1 juli 1981. Op 13 juni 1984 verkreeg hij van het Vast Wervingssecretariaat een tweetaligheidbewijs voor betrekkingen van niveau 1 in openbare besturen. Op 1 juli 1987 werd R. V. bevorderd tot de graad van Auditeur en tenslotte op 1 juli 1993 tot de graad van Eerste-auditeur. De gradenstructuur voor ambtenaren van niveau 1 bij het Rekenhof kent verder de graden van Eerste-auditeur-revisor en tenslotte Eerste-auditeur-directeur. Ambtenaren met de graad van Eerste-auditeur komen in aanmerking voor een bevordering tot de graad van Eerste-auditeur-revisor ingeval van openstaande betrekkingen in het personeelskader van Eerste-auditeur-revisor. Bij dienstorder nr. T04/1999 van 26 januari 1999 werd aan alle Eerste-auditeurs ter kennis gebracht dat er vier betrekkingen van Eerste-auditeur-revisor open werden verklaard. Op 12 februari 1999 stelde R. V. zich kandidaat voor deze functie. Zijn kandidatuur, samen met 16 andere kandidaturen, werd regelmatig bevonden door de Franse Kamer van het Rekenhof. Het resultaat van deze bevorderingsprocedure werd niet bekendgemaakt. Slechts eind april 1999 vernam R. V. dat er bevorderingen waren geschied. Bij brief van 30 april 1999 heeft hij afschriften opgevraagd van de handelingen die in deze bevorderingsprocedure door het Rekenhof waren gesteld. R. V. kreeg kennis van de beslissing van de Franse Kamer van het Rekenhof van 9 maart 1999, evenals van de beslissing van de Algemene Vergadering van het Rekenhof (Franse en Nederlandstalige Kamers verenigd) van 10 maart 1999 als bijlage aan de brief van 4 mei 1999. Bij de beslissing van de Franse Kamer van het Rekenhof van 9 maart 1999 werden vier keuzes in de te bevorderen kandidaten gemaakt en vervolgens bij beslissing van de Algemene Vergadering van het Rekenhof van 10 maart 1999 werden de voorgestelde bevorderingen bekrachtigd. Het betreft dhr. C., mevr. R., dhr. N. en dhr. V.N (zie stuk 1 dossier van geïntimeerde). R. V. legde op 11 juni 1999 (stuk 2 uit zijn dossier) een verzoekschrift tot vernietiging van de beslissing van de Algemene Vergadering van het Rekenhof van 10 maart 1999 neer voor de Raad van State. De zaak kreeg het rolnummer "G/A 84.685 / VIII - 1402". REKENHOF legde een memorie van antwoord neer op 7 oktober 1999. R. V. legde vervolgens een memorie van wederantwoord neer. Gedurende verschillende jaren werd niets meer vernomen van het verloop van de rechtspleging voor de Raad van State. R. V. dagvaardde aldus voor de burgerlijke rechter. R. V. is met pensioen gegaan op 1 juli 2005. Op 28 juli 2006 vroeg de auditeur bij de Raad van State aan R. V. om de actualiteit van zijn belang m.b.t. het annulatieberoep te willen rechtvaardigen. R. V. stelde dat hij wel degelijk nog een belang had in het verder zetten van de procedure voor de Raad van State. Bij arrest van 5 september 2006 stelde de Raad van State dat R. V. geen belang meer had bij het verder zetten van zijn annulatieberoepen (hij had inmiddels in totaal 8 annulatieverzoeken ingediend). De annulatieberoepen werden om deze reden verworpen. De Raad van State heeft inhoudelijk over de ingeroepen middelen tot nietigverklaring geen uitspraak gedaan. 3. bespreking: 3.1. de ontvankelijkheid van de initiële vordering: Het REKENHOF laat gelden dat de wetten op de Rijkscomptabiliteit toepasselijk zijn op hem en dat de vordering verjaard is ingevolge artikel 1 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van de schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën. Dit artikel bepaalt: "Verjaard en bepaald vervallen ten voordele van de Staat zijn, onverminderd de vervallenverklaringen uitgesproken door andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen :

  1. a)de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij ontstonden;
  2. b)de schuldvorderingen, die, hoewel ze werden overgelegd binnen de onder letter a bedoelde termijn, door de Ministers niet werden geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd;
  3. c)alle andere schuldvorderingen, die niet werden geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan.De schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijven evenwel onderworpen aan de dertigjarige verjaring; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas". R. V. betwist dat de voornoemde wet toepasselijk is opzichtens het REKENHOF. Deze discussie is evenwel zonder belang vermits artikel 3 van de wet van 25 juli 2008 "tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State" bepaalt: "Artikel 101 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit wordt vervangen als volgt: " Art. 101. De verjaring wordt gestuit overeenkomstig de regels van het gemeen recht ". Artikel 2 van deze wet stelt: "Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met twee leden, luidende: " Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken. Voor de toepassing van deze afdeling heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht" en art. 4 van dezelfde wet bepaalt: "Deze wet is van toepassing op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend vóór de inwerkingtreding ervan. Zij is evenwel niet van toepassing wanneer de vordering tot schadevergoeding vóór de inwerkingtreding van deze wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gedane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingediend". Deze wet is in werking getreden op 1 september 2008. Het staat buiten kijf dat R. V. een annulatieverzoek voor de Raad van State heeft ingesteld op 11 juni 1999, dat op dat ogenblik de vijfjarige verjaring niet was ingetreden vermits de betwiste beslissing dateert van 10 maart 1999 en dat de Raad van State pas uitspraak heeft gedaan op 5 september 2006, dit is lang nadat de burgerlijke vordering was ingesteld (8 maart 2004). Vermits de wet van 25 juli 2008 toepasselijk werd verklaard op aannulatieverzoeken ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wet, is deze wet op huidig geschil in ieder geval van toepassing. Het is daarbij zonder belang of de vordering een schuldvordering ten laste van de Staat uitmaakt, dit wil zeggen of het REKENHOF als een orgaan van de Staat of als een rechtspersoon die zich vereenzelvigt met de Staat of die er op één of andere wijze deel van uitmaakt of van hetzelfde statuut geniet, moet aangezien worden, dan wel of de vordering tegen het REKENHOF als een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering lastens een van de Staat onderscheiden rechtspersoon moet aangezien worden, in de veronderstelling dan dat de speciale wetgeving die op de Staat van toepassing is, niet van toepassing zou zijn op het REKENHOF. Vermits, zoals hiervoor gesteld, de vraag of het REKENHOF aldus, al dan niet tot de Staat behoort en of de wet van 6 februari 1970 of de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit van toepassing zijn op het REKENHOF zonder belang is geworden om reden dat hoe dan ook (in elk van de twee mogelijke hypothesen) de vordering van R. V. ingevolge de toepassing van de wet van 25 juli 2008 niet verjaard is, dient het hof geen antwoord te geven op de discussie gevoerd door het REKENHOF aangaande de kwestie van de onontvankelijkheid. Nu er geen verjaring is ingetreden, is de initiële vordering van R. V. in ieder geval ontvankelijk. Deze vordering steunt op artikel 1382 B.W. 3.2. het door het REKENHOF gehanteerde criterium ter rangschikking van de kandidaten - de fout: 3.2.1. R. V. houdt voor dat het REKENHOF een onrechtmatige daad beging door hem op 10 maart 1999 niet te benoemen tot Eerste-auditeur-revisor. De omstandigheid dat de promotie een zogenaamde ‘promotie naar keuze' uitmaakte staat er niet aan in de weg dat dergelijke promotie foutief kan zijn in het geval de overheid die promoveert een criterium hanteert om de kandidaten te onderscheiden en indien zou blijken dat het vooropgestelde criterium finaal zou zijn miskend. Zeer concreet: R. V. houdt voor dat het REKENHOF vooropstelde dat het zich voor de promotie liet leiden door het criterium van de meeste dienstanciënniteit doch dat dit criterium niet correct is toegepast om reden dat hijzelf ruim over de meeste dienstanciënniteit beschikte. 3.2.2. De vraag of door het arrest van de Raad van State waarbij de vordering van R. V. werd afgewezen al dan niet de burgerlijke vorderingsrechten van R. V. zouden beknot zijn, moet negatief beantwoord worden. Enerzijds stelt de Raad van State zelf in het arrest dat R. V. genoegdoening van zijn financieel nadeel tracht te bekomen via een hangend burgerlijk geding, anderzijds heeft een arrest van de Raad van State waarbij een vordering tot vernietiging wordt afgewezen wegens verlies van belang bij een annulatie van de bestreden bestuursbeslissing geen gezag van rechterlijk gewijsde voor de burgerlijke rechter die te beoordelen heeft of het bestuur al dan niet een fout heeft begaan in de zin van art. 1382 B.W. Immers, ook t.a.v. de arresten van de Raad van State geldt dat het gezag van het rechterlijk gewijsde beperkt is tot wat de rechter heeft beslist op een punt dat in betwisting is, en tot wat, om reden van het geschil dat voor de rechter is gebracht en waarover partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag van de beslissing uitmaakt . Trouwens, het gezag van gewijsde van een arrest van de Raad van State dat een tegen een individuele bestuurshandeling ingesteld beroep tot nietigverklaring afwijst, belet niet dat de hoven en rechtbanken recht doen op een door dezelfde eisende partij ingestelde vordering tot vergoeding van de schade die zij beweert te hebben geleden wegens die bestuurshandeling, aangezien het voorwerp van laatstgenoemde vordering verschilt van dat van het verzoek waarover de Raad van State uitspraak heeft gedaan (art. 107 G.W.; art. 159 G.W. 1994; art. 2, 23, 24 en 25 Ger.W.) . 3.2.3. Uit het verslag van de algemene vergadering van 10 maart 1999 (stuk 1 uit het dossier van geïntimeerde) blijkt dat "de verdiensten" van de 17 kandidaten voor de 4 vacante benoemingen werden "onderzocht en vergeleken" "op grond van de criteria vastgelegd in dienstorder T04/1999 van 26 januari 1999". Het hof stelt vast dat "dienstorder T04/1999 van 26 januari 1999" niet wordt voorgelegd. De beslissing van de Franse Kamer van het REKENHOF van 9 maart 1999 weegt de merites van de voorgedragen kandidaten af. Ten overstaan van Patrick N. stelt de kamer (vrij vertaald door het hof uit de Franse taal) "omdat hij eveneens de kwaliteiten en vereiste bekwaamheden bezit en dat bij gelijkheid van merites met de overblijvende kandidaten en thans in effectieve dienst bij het Hof, zijn anciënniteit groter is dan deze van de anderen". R. V. laat gelden dat hij een grotere dienstanciënniteit had dan de heer N.. Uit de voornoemde beslissing volgt niet dat wat de heer N. betreft, het REKENHOF enige andere kwaliteit of bekwaamheid in de verf zou hebben gezet, die de overige kandidaten (behalve de andere voorgedragen kandidaten te weten Jean-Claude C., Marie-Christine R. en Guy V.N) niet zouden bezitten. De beslissing verwijst naar "gelijkheid van merites". Het enige andere criterium dat gehanteerd wordt is dat de kandidaat in effectieve dienst is van het Hof, doch er is niet betwist dat dit voor R. V. evenzo het geval was. Uit de motieven van de beslissing van 9 maart 1999 blijkt dus met zekerheid dat het criterium van de dienstanciënniteit het criterium is dat het REKENHOF gehanteerd heeft om de heer N. boven R. V. te verkiezen. Welnu, dit criterium is onjuist toegepast, R. V. had meer dienstanciënniteit dan de heer N.. De beslissing miskent dienvolgens het door het REKENHOF zelf ingeroepen criterium en is aldus foutief. Een overheid die zelfs wanneer zij geen gebonden bevoegdheid heeft en wanneer zij dus vrij, naar keuze kan beslissen welke kandidaat promoveert, begaat een fout wanneer zij het door haarzelf vooropgestelde criterium, door haar beslissing miskent of schendt. Dit is te dezen het geval. Het REKENHOF beging dienvolgens een fout. 3.3. de schade: 3.3.1. principe: Op basis van het gehanteerde criterium (dienstanciënniteit bij gelijke verdienste) had R. V. in de plaats van de heer N. benoemd moeten worden. Het gevolg van de niet benoeming van R. V. bestaat er ook in dat deze zijn verdere promotiekansen verloor, hij niet de pensioenrechten geniet waarop hij aanspraak had mogen maken en een morele schade heeft geleden doordat hij niet de graad bereikte waarop hij aanspraak had moeten maken. 3.3.2. weddenverlies: Het loonverlies wordt door R. V. bepaald op euro 25.676,83 (stuk 9 uit zijn dossier) voor de periode tussen 1 april 1999 (datum waarop de nieuwe functie aanvang moest nemen) en 1 juli 2005 (datum van op pensioenstellen). Als verweer laat het REKENHOF middelen gelden die betrekking hebben op het foutcriterium en die dienvolgens niet dienstig zijn wat de begroting van de schade betreft. Het REKENHOF stelt dat de gedetailleerde tabel zoals zij door R. V. wordt voorgelegd rekening zou houden met bruto bezoldigingen en niet met het nettoverlies. Het REKENHOF blijft evenwel in gebreke om het bewijs van deze bewering bij te brengen (het REKENHOF schendt aldus zelf het principe van artikel 1315 B.W. en 870 Ger. W. - waarop zij zich steunt om de eis van R. V. te bekampen - immers indien de schuldenaar van oordeel is dat het gevorderde bedrag onjuist is, dan behoort het hem om het bewijs ervan te leveren). Het REKENHOF is best geplaatst om zelf de wedden voor te leggen en om de simulatie van wedden toegespitst op de toestand van R. V., voor te leggen . Nu de berekening van R. V. zoals zij aan de tegenspraak werd voorgelegd, niet concreet bekritiseerd en betwist wordt , dient de berekening voor correct aangenomen te worden. Het REKENHOF toont overigens niet aan dat het reeds voorkwam dat een ambtenaar die benoemd wordt in een bepaalde graad, na twee jaar geen hernieuwing bekwam indien hij zich niet aan tuchtrechtelijk gesanctioneerde feiten schuldig had gemaakt. De schade die R. V. heeft geleden wat het weddenverlies betreft, is dus zeker en vaststaand. 3.3.3. pensioenverlies: R. V. stelt incidenteel hoger beroep in wat dit punt betreft. Hij heeft thans concreet berekend welke de impact op zijn pensioenrechten is. Hij berekent het verlies op euro 680,69 op maandbasis en kapitaliseert op grond van een vermoedelijke levensduur van 20 jaar aan een rentevoet van 3 %. Het REKENHOF heeft bij conclusie niet geantwoord op deze uitbreiding van vordering zoals zij door R. V. bij conclusie neergelegd op 28 december 2006 was gemaakt. De middelen door het REKENHOF ontwikkeld hebben andermaal betrekking op het foutcriterium doch niet op de schadeberekening zelf. In stuk 19 uit zijn dossier heeft R. V. een gedetailleerde berekening gemaakt van het verschil tussen het pensioen van een eerste-auditeur en dat van een eerste-auditeur-revisor. De berekening, die niet concreet is bekritiseerd, komt correct over. De levensverwachting wordt door het REKENHOF aanvaard en de kapitalisatierentevoet van 3 % is passend te huidigen dage. Voor de schadepost verlies aan pensioen komt er aan R. V. dienvolgens een bedrag toe van euro 123.168,54. Het incidenteel hoger beroep, houdende uitbreiding van de vordering, is gegrond op dit punt. 3.3.4. verlies op een kans voor verdere promoties: R. V. kon niet met zekerheid aanspraak maken op verdere promoties. Wel heeft hij een kans op verdere promoties gemist. De schade kan dan ook niet punctueel berekend worden, enkel een ex aequo et bono begroting is mogelijk (zie hierna). 3.3.5. morele schade: R. V. heeft zeker een morele schade geleden doordat hij op pensioen is gesteld in de graad van eerste-auditeur daar waar hij minstens de graad van eerste-auditeur-revisor had dienen te bekleden. Hij lijdt aldus zeker een morele schade, doch deze schade kan ook niet punctueel berekend worden, enkel een ex aequo et bono begroting is mogelijk. Het hof raamt ex aequo et bono de schade voor de posten verlies van een kans en morele schade vermengd op euro 5.000 (zijnde euro 2.500 per schadepost). 3.3.6. de intresten: R. V. vordert de vergoedende intresten op de post weddenverlies vanaf de gemiddelde datum. Deze vordering is gerechtvaardigd. Voor wat de post verlies aan pensioenrechten betreft zou voor de intrestberekening de splitsingmethode moeten gebruikt worden tussen het gedeelte dat betrekking heeft op de periode voor de uitspraak en het gedeelte erna. Er wordt een kapitalisatie gehanteerd. Daarbij moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van zijn uitspraak. Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de tot dan geleden schade en de schade die voortloopt na de uitspraak. Enkel de vergoeding van deze laatste schade kan door kapitalisatie berekend worden. Nu R. V. deze splitsing niet berekent, kunnen hem slechts de intresten toegekend worden op deze post vanaf de datum van uitspraak van huidig arrest. In de mate dat de eerste rechter de intresten toegekend heeft vanaf de datum van het vonnis, is het hoger beroep op dat punt gegrond. Wat de posten kansverlies en morele schade betreft lopen de intresten vanaf het schadeverwekkende feit te weten 1 april 1999. 3.3. het oorzakelijk verband: Ten onrechte houdt het REKENHOF voor als zou er geen oorzakelijk verband zijn tussen de schadeposten die R. V. heeft geleden (zie hiervoor) en de fout die het REKENHOF heeft begaan. Indien het REKENHOF het door haarzelf naar voor gebrachte criterium van de dienstanciënniteit bij gelijke verdiensten, niet zou hebben miskend, dan zou zij wel degelijk R. V. benoemd hebben in de graad van eerste-auditeur-revisor. Het is dus omwille van de begane fout, dat deze benoeming niet is geschied. Het causaal verband tussen de schadeposten (weddenverlies en pensioenverlies omwille van de niet benoeming alsmede het verlies van de kans op verdere promotie en de morele schade omwille van de niet-promotie) en de niet benoeming, staat aldus vast. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk en gegrond in navolgende mate: Hervormt het bestreden vonnis waar het

(1)de schadevergoeding voor verlies van toekomstig pensioen bepaalt op euro 47.168,54,
(2)de aanvangsdatum van de intresten op deze post bepaalt op de datum van uitspraak van het bestreden vonnis en
(3)de morele schade raamt op euro 5.000, Opnieuw recht doende wat deze punten betreft: · Veroordeelt het REKENHOF om aan R. V. de som te betalen van HONDERD DRIEENTWINTIGDUZIEND HONDERD ACHTENZESTIG EURO VIERENVIJFTIG CENT ( euro 123.168,54) voor verlies van toekomstig pensioen, verhoogd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van uitspraak van huidig arrest; · Veroordeelt het REKENHOF tevens om aan R. V. te betalen de som van TWEEDUIZEND VIJFHONDERD EURO ( euro 2.500) voor verlies op promotiekansen en van TWEEDUIZEND VIJFHONDERD EURO ( euro 2.500) voor morele schade, beiden verhoogd met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 april 1999 en de gerechtelijke intresten aan dezelfde rentevoet ; Veroordeelt het REKENHOF tot de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van het REKENHOF op euro 5.186 (186 rolrecht + 5.000 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van V. OP euro 5.000 rechtsplegingvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 19/01/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Marc BOSMANS, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE M. BOSMANS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.