id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 19 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100119.6 Rolnummer: 2006AR790 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-01-25 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 21:15 Fiche Een fout wordt als oorzaak van een schadegeval beschouwd, zodra dit schadegeval, zoals het zich in concreto voordeed, zou zijn uitgebleven wanneer de fout niet was gepleegd. De fout moet m.a.w. in concreto de noodzakelijke voorwaarde uitmaken van het schadegebeuren. Noodzakelijk en voldoende voor de oorzakelijkheid van een fout is bijgevolg haar conditio sine qua non - karakter. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband - Conditio sine qua non-regel Vrije woorden: Bedreigingen van een leerling aan het adres van een leraar, later gevolgd door aanhoudende stress en ziekte van de leraar. Is er een oorzakeli!jk verband tussen de fout en voormelde ziektetoestand. In casu neen. Verjaringstermijn. Impact van artikel 26 V6T Sv. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2006/AR/790 INZAKE VAN : De FRANSE GEMEENSCHAP VAN BELGIË, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van haar Minister-Voorzitter, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Surlet de Chokierplein 15/17, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 27 november 2005, vertegenwoordigd door Meester Meral KALIN loco Meester Marie-Françoise DUBUFFET, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149/22, 1ste kamer TEGEN : De heer M. S., wonende te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Thomas DREIER, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/6, Gelet op de procedurestukken: · het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 27 oktober 2005, beslissing die betekend werd op 20 februari 2006; · het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 20 maart 2006; · de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 17 januari 2007; · de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 19 april
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 15 december 2009a en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk. I. In feite. 1.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 1.
- Samengevat komt het hierop neer dat op 15 november 1999 de heer H., leraar in de technische school C.E.S. Ernest Richard te Brussel, gesubsidieerd door appellante, verbaal bedreigd werd door geïntimeerde, alsdan 19 jaar en leerling van deze school. De hierop samengeroepen klassenraad besliste geïntimeerde uit te sluiten uit de school. Geïntimeerde kreeg kennis van deze beslissing op 18 november
- Op 19 november zou diezelfde leraar opnieuw bedreigd zijn geweest door geïntimeerde en ‘s namiddags stelde hij vast dat twee banden van zijn voertuig plat gestoken waren. Op 24 november legde de heer H. klacht neer tegen geïntimeerde wegens het uiten van doodsbedreigingen. Deze klacht werd zonder gevolg geklasseerd. De heer H. houdt voor dat hij door de aanhoudende stress veroorzaakt door de houding van geïntimeerde ziek werd en hij hierdoor werkonbekwaam werd verklaard van 22 november 1999 tot 16 juli
- Appellante betaalde de weddentoelagen verder voor een totaal bedrag van 16.074,80 en zij vordert thans dit bedrag terug vanwege geïntimeerde. II. Voorwerp van de vorderingen. 2.
- De oorspronkelijke vordering van appellante strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 16.074,80 euro plus de wettelijke en gerechtelijke intresten. Geïntimeerde stelde een tegenvordering in en vroeg de veroordeling van appellante tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding. 2.
- De eerste rechter heeft zowel de hoofd - als de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. 2.
- In hoger beroep herneemt appellante haar initiële vordering. 2.
- Geïntimeerde vraagt in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vordering. Hij herneemt bijgevolg zijn initiële tegenvordering niet in hoger beroep zodat het bestreden vonnis desbetreffend definitief is. In ondergeschikte orde vraagt hij, ingeval van veroordeling, de vordering van appellante te herleiden tot een provisie van 1 euro . III. Beoordeling. 3.1.De vordering van appellante is gesteund op artikel 1382 e.v. B.W. Zij vordert het loon terug dat zij uitbetaald heeft aan de heer H. tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid gaande van 22 november 1999 tot 16 juli
- Appellante ging over tot dagvaarding bij exploot betekend op 18 januari
- In haar eigen inleidend exploot stelt appellante dat haar vordering niet verjaard is overeenkomstig artikel 2262bis B.W. omdat de Procureur des Konings in het kader van het strafonderzoek op 19 januari 2000 - waardoor een nieuwe termijn van 5 jaar begint te lopen op strafrechtelijk gebied - nog een aanvraag deed naar een bijkomend verhoor van geïntimeerde. Geïntimeerde betwist dat blijkbaar niet gezien hij noch in eerste aanleg noch in hoger beroep enige grief opwierp/opwerpt die betrekking heeft op de verjaring. De eerste rechter raakte het middel m.b.t. de verjaring evenmin aan en hiertegen wordt evenmin enige grief geformuleerd door geïntimeerde. Gezien bij toepassing van artikel 26 V.T.Sv. de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf niet kan verjaren vóór de strafvordering is huidige vordering bijgevolg niet verjaard. 3.
- Het feit dat geïntimeerde een fout heeft begaan (= mondelinge bedreigingen met een aanslag op personen of op eigendommen) en dat de heer H. schade heeft geleden, staat vast. De enige vraag die overblijft is of er een noodzakelijk oorzakelijk verband bestaat tussen die fout en de geleden schade. 3.
- Een fout wordt als oorzaak van een schadegeval beschouwd, zodra dit schadegeval, zoals het zich in concreto voordeed, zou zijn uitgebleven wanneer de fout niet was gepleegd. De fout moet m.a.w. in concreto de noodzakelijke voorwaarde uitmaken van het schadegebeuren. Noodzakelijk en voldoende voor de oorzakelijkheid van een fout is bijgevolg haar conditio sine qua non - karakter. 3.
- Uit de medegedeelde stukken blijkt enkel dat de heer H. onder toepassing viel van de wetgeving inzake arbeidsongevallen en beroepsziekten in de openbare sector en dat hij zich tijdens zijn ziekteperiode in een toestand bevond van post - traumatische stress. Uit deze gegevens kan onmogelijk met zekerheid afgeleid worden dat de feiten die zich voordeden op 15 en 19 november 1999 enig uitstaans hebben met het ziekteverlof van de heer H. dat eerst goedgekeurd werd op 14 december 1999 . De onaanvaardbare uitlatingen geuit op 15 november 1999 waren bovendien blijkbaar niet van aard de heer H. uit zijn lood te slaan gezien hij op 19 november - wanneer geïntimeerde reeds geschorst was - op eigen initiatief nog naar geïntimeerde is toe gestapt - die zich in zijn wagen buiten de school op straat bevond - met de woorden dat betrokkene met een mooie wagen reed. Eén en ander legt niet uit waarom enkele dagen later de heer H. plots maanden arbeidsongeschikt wordt ingevolge bovenmatige stress die o.a. veroorzaakt zou geweest zijn door het incident van 15 november 1999 . Van de zogenaamde bedreigingen die zouden geuit zijn op 19 november 1999 is geen enkel bewijs. Het oorzakelijk verband wordt bijgevolg niet afdoend aangetoond. 3.
- Het bestreden vonnis wordt, binnen de perken van huidig beroep, integraal bevestigd. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
- Appellante vraagt de toekenning van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. Geïntimeerde vraagt de toepassing van het maximumtarief indien hij in het gelijk wordt gesteld omwille van het kennelijk onredelijk karakter van de vordering en van het minimumtarief indien hij in het ongelijk wordt gesteld omwille van zijn beperkte financiële draagkracht. In deze wordt geïntimeerde in het gelijk gesteld. Er bestaan echter geen gegronde redenen om af te wijken van het basistarief. Gelet op de omvang van het gevorderde hebben partijen de rechtsplegingsvergoeding terecht begroot op 1.100 euro . Deze komt toe aan geïntimeerde. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis binnen de perken van huidig beroep. Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot - in hoofde van haarzelf op euro 1.286 (186 rolrecht + 1.100 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.100 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 19/01/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Marc BOSMANS, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE M. BOSMANS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div