← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100126.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 26 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100126.1 Rolnummer: 2006AR2466 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-01-27 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 21:17 Fiche Het komt aan diegene die schadevergoeding eist, toe het feit aan te wijzen dat, zijns inziens, zijn schade heeft veroorzaakt. De rechter hoeft niet te zoeken naar alle theoretisch mogelijke oorzaken van het schadegeval; hij hoeft enkel te onderzoeken of de door de eiser aangevoerde feiten (de beweerde fouten) de schade inderdaad hebben veroorzaakt. Andere theoretische oorzaken, waarvan vaststaat dat ze zich niet voordeden kunnen dan buiten beschouwing blijven. Het aspect ‘noodzakelijke voorwaarde', dat deel uitmaakt van het oorzaakbegrip, wordt in het aansprakelijkheidsrecht de relatief noodzakelijke voorwaarde, de in concreto - of post factum - noodzakelijke voorwaarde. Als oorzaak in het recht gaat derhalve door een handeling (met inbegrip van een nalaten tot handelen), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het schadegebeuren, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Dit betekent dat er rechtens geen oorzakelijk verband bestaat, wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het schadegebeuren. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt. Een noodzakelijke voorwaarde voor extracontractuele aansprakelijkheid bestaat erin dat de aangevoerde aansprakelijkheidsgrond (fout of tot foutloze aansprakelijkheid aanleiding gevend feit) een noodzakelijke voorwaarde moet zijn geweest voor de aangevoerde schade. Kan de gedaagde aantonen dat de schade zich ook zou hebben voorgedaan zonder zijn fout (of zonder het hem toe te rekenen feit), dan gaat hij vrij uit. Toepassing op een casus inzake de dioxinecrisis. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband - Conditio sine qua non-regel Vrije woorden: Dioxine- Dioxine crisis - Beweerd oorzakelijk verband tussen een beweerd foutief optreden van de Belgische Staat en de schade van een bedrijf. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2006/AR/2466 INZAKE VAN : De naamloze vennootschap EEG SLACHTHUIS VERBIST IZEGEM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 8870 IZEGEM, Gentse Heerweg 78, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 428.806.811, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder het nummer 110.079, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 juni 2006, vertegenwoordigd door Meester Ludo CORNELIS, advocaat te1050 BRUSSEL, Louizalaan 99, 1ste kamer TEGEN : 1) De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Eerste Minister, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 16, en 2) De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en leefmilieu, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1210 BRUSSEL, Kunstlaan 6 geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Peter EECLOO loco Meester Rik DEPLA, advocaat te 8310 SINT-KRUIS-BRUGGE, Karel van Manderstraat 123, 1. rechtspleging Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 8 september 2006 heeft de N.V. EEG SLACHTHUIS VERBIST IZEGEM (hierna "N.V. SLACHTHUIS VERBIST") hoger beroep ingesteld tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 juni 2006, waarbij haar vordering tegen de Belgische Staat ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard. Het vonnis was betekend op 8 augustus 2006. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn. Bij dagvaarding betekend op 12 juli 2002 heeft de N.V. SLACHTHUIS VERBIST de Belgische Staat in de persoon van twee ministers: enerzijds in de persoon van de Eerste Minister, anderzijds in de persoon van de Minister van Consumentenzaken, gedagvaard teneinde een veroordeling te bekomen tot het betalen van de som van euro 1.700.466,91 vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 1 juli 1999. Zij vorderde evenzo voorbehoud voor eventueel door het BIRB teruggevorderde exportvergoeding. In ondergeschikte orde vorderde de N.V. SLACHTHUIS VERBIST een veroordeling lastens de Belgische Staat tot het betalen van de som van euro 1.741.561,49 vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 18 oktober 2000. Voor het hof vordert de N.V. SLACHTHUIS VERBIST de veroordeling van de Belgische Staat tot het betalen van de som van euro 1.004.557,49 vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 1 juli 1999. In ondergeschikte orde vordert zij de veroordeling tot het betalen van de som van euro 1.081.919,27 vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 18 oktober 2000. De Belgische Staat vordert de afwijzing van het hoger beroep. Ondergeschikt vraagt hij dat de Belgische Staat in de persoon van de Eerste Minister buiten de zaak zou gesteld worden en dat N.V. SLACHTHUIS VERBIST gesommeerd wordt om aan te tonen op welke tijdstippen precies het vlees bij Daalimpex Coldstore (hierna "Daalimpex") in Nederland werd geleverd en opgeslagen en dat dit gebeurde onder goedkeuring van de keurders van de Belgische Staat. Hij vordert tevens dat de N.V. SLACHTHUIS VERBIST zou gesommeerd worden om de overeenkomsten door haar ondertekend met betrekking tot de aan haar reeds uitbetaalde schadevergoeding, voor te leggen. Ondergeschikt, indien de vorderingen gegrond zouden verklaard worden, vraagt de Belgische Staat dat een deskundige zou aangesteld worden om de schade in concreto te begroten. 2. korte samenvatting van de feiten: De N.V. SLACHTHUIS VERBIST baat een slachthuis uit in Izegem voornamelijk voor het slachten van runderen waarvan het vlees in hoofdzaak naar landen buiten de EU wordt geëxporteerd. Ingevolge het uitbreken van de dioxinecrisis in 1999 moest een voorraad geslacht rundvlees (353.487

  1. kg)die bestemd was voor de uitvoer en die in een entrepot in België was opgeslagen, naar diepvriezers van het douane-entrepot van Daalimpex in Nederland, worden overgebracht (om reden dat de diepvriescapaciteit in België volledig was benut). De opslag van het rundvlees gebeurde in het entrepot Daalimpex tussen 30 juni en 30 juli 1999. De N.V. SLACHTHUIS VERBIST laat gelden dat de opslag gebeurde onder de regeling "prefinanciering-entrepot". Zij verduidelijkt dit als volgt: "een stelsel van vooruitbetaling of prefinanciering van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten waarbij op verzoek van de uitvoerder een bedrag wordt uitbetaald gelijk aan de uitvoerrestitutie van zodra de landbouwproducten onder de regeling douane-entrepot zijn gebracht met het oog op uitvoer naar een land buiten de EU" (haar conclusie pagina 4 voetnoot 2). De N.V. SLACHTHUIS VERBIST laat gelden dat zij met het oog op de uitvoer van het rundvlees naar een Iraanse afnemer, de vennootschap State Livestock Affairs Logistic Inc. een overeenkomst had gesloten met de Nederlandse vennootschap AKHAB Europe BV. Deze overeenkomst dateert van 9 december 1998. Bij brief van 14 juni 1999 heeft de Nederlandse Rijksdienst voor de keuring van het vee en vlees aan de N.V. SLACHTHUIS VERBIST meegedeeld, dat die partij vlees vanwege de dioxineproblematiek moest worden geblokkeerd (appellante: Bundel I, stuk 2): het vlees kon aldus niet meer worden uitgevoerd. Bij faxbericht van 20 juli 1999 deelde de B.V. AKHAB Europe aan de N.V. SLACHTHUIS VERBIST mede dat volgens de veterinaire organisatie van Iran (the Veterinary Organisation of Iran), de invoer van Europees vlees in Iran niet meer toegelaten was, tenzij de Europese Commissie een verklaring zou afleveren volgens dewelke er geen probleem is met het vlees geproduceerd voor en uitgevoerd naar Iran (appellante: Bundel I, stuk 4). Bij faxbericht van 3 augustus 1999 deelde de B.V. AKHAB Europe aan de N.V. SLACHTHUIS VERBIST mede dat omwille van de dioxinecrisis en de beroering die omtrent het vlees en de vleesproducten in België was ontstaan de invoer van al het Belgische rundvlees door de Iranese Minister van Volksgezondheid werd verboden (appellante: Bundel I, stuk 5). De N.V. SLACHTHUIS VERBIST heeft dan de verdere beslissingen van de Belgische overheid af gewacht. Zij houdt voor dat zij er mocht op rekenen dat een gedegen en professionele aanpak van het probleem door de Belgische overheid de Iranese overheid op andere gedachten zou kunnen brengen. Volgens de N.V. SLACHTHUIS VERBIST is zulks, omwille van het beweerdelijk foutieve gedrag van de overheid niet gebeurd. Bij faxbericht van 5 oktober 1999 heeft de B.V. AKHAB Europe aan de N.V. SLACHTHUIS VERBIST meegedeeld dat de Iranese overheid nog steeds geen invoer van vlees van Belgische oorsprong toeliet en dat zij bijgevolg nog steeds geen rundvlees van de N.V. SLACHTHUIS VERBIST geproduceerd in België naar Iran kon uitvoeren (appellante: Bundel I, stuk 29). De beslissing van de Iraanse overheid werd overigens op 15 oktober 1999 nogmaals bevestigd (appellante: Bundel I, bijlage bij stuk 30: origineel document van het Minister van Jihad-eSazandegi van de Islamitische Republic Iran, Veterinaire Organisatie en de officiële vertaling ervan). De N.V. SLACHTHUIS VERBIST heeft een kopie van de mededeling van het invoerverbod van het Minister van Jihad-e-Sazandegi van de Islamitische Republic Iran, Veterinaire Organisatie en de officiële vertaling ervan bij brief van 3 december 1999 aan het Enig Loket Dioxine bezorgd (appellante: Bundel I, stuk 30 met bijlagen). De in entrepot Daalimpex gestockeerde vleesvoorraad van de N.V. SLACHTHUIS VERBIST bleef aldus onverhandelbaar. De N.V. SLACHTHUIS VERBIST laat gelden dat zij aldus belangrijke schade leed, nl. de kost van de voedingswaren, stockagekosten, behandelingskosten, transportkosten, palletkosten, verlies aan marge, supplementaire kosten enz..., die door experten van Troostwijk-Roux Expertises CVBA op 29 maart 2002 op gedetailleerde en gemotiveerde wijze op 1.700.466,91 euro werden begroot (appellante: Bundel I, stuk 27). Nadien is de N.V. SLACHTHUIS VERBIST er in geslaagd om het ingevroren vlees toch nog te verkopen, weliswaar aan veel lagere prijzen. Het betrof immers vlees geslacht tijdens de zgn. dioxinecrisis waarvan de mogelijkheden tot commercialisering zeer beperkt bleven. Het schadebedrag dat eerder door de, door de N.V. SLACHTHUIS VERBIST aangestelde experten was vastgesteld, werd bijgevolg geactualiseerd, waarbij onder meer met de opbrengst van de verkopen rekening is gehouden. De experten Troostwijk Roux hebben de schade aldus op 18 oktober 2006 opnieuw onderzocht en op 1.004.557,49 euro begroot (appellante: Bundel I, stuk 27 bis). De N.V. SLACHTHUIS VERBIST houdt voor dat de door haar geleden schade het gevolg is van meerdere fouten die de Belgische Staat in het kader van de opvang en afhandeling van de dioxinecrisis heeft gepleegd. De N.V. SLACHTHUIS VERBIST geeft bij conclusie (pagina 6 tot 19, randnummers 15 tot 42) een opsomming van de evolutie van de dioxinecrisis en van de wijze waarop door de Belgische Staat werd gereageerd. Zij verwijst inzonderheid naar het verslag van de Parlementaire Onderzoekscommissie waarbij de nadruk wordt gelegd op de zwakke wijze van communiceren van de Belgische overheden naar de Europese Commissie. Deze zwakke of slechts communicatie zou volgens de N.V. SLACHTHUIS VERBIST tot gevolg hebben gehad dat de Europese Commissie verregaande maatregelen voor de gehele sector heeft genomen namelijk een verhandelings- en uitvoerverbod. De N.V. SLACHTHUIS VERBIST verwijst naar de citaten uit het verslag van de Parlementaire Onderzoekscommissie alwaar gesteld wordt dat de gebrekkige crisis communicatie door de Belgische overheden als één van de redenen voor het streng optreden van de Europese Commissie wordt opgegeven. Ter nuance stelt hetzelfde verslag dat de Europese Unie inzake de samenstelling van veevoeder en contaminanten geen normerend kader bood dat performant genoeg zou zijn, dat de regelgeving inzake de meldingsplicht aan de EU-autoriteiten niet zou voldoen en dat de EU de chaotische ontwikkeling van de crisis zou hebben versterkt (conclusie appellante p. 17 nr 38). De N.V. SLACHTHUIS VERBIST stelt overigens dat de Parlementaire Onderzoekscommissie heeft geoordeeld dat zij niet kon oordelen over eventuele tekortkomingen en dat zulks tot de bevoegdheid van het Hof Justitie behoort (appellante bundel I, stuk 86, p. 283). Het verslag stelt (punt 36.9): "De klachten van de Europese Commissie inzake het niet tijdig melden van de contaminatie zijn enkel gebaseerd op de richtlijn van 11 december 1989 die de veterinaire controles in het intracommunautair handelsverkeer regelt. De artikelen 9 en 10 van deze richtlijn vormen de basis om België in gebreke te stellen. Of er werkelijk sprake is van gebreken, moet in laatste instantie worden beoordeeld door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (cf. advies professor Lambrechts (UIA) als bijlage)" . 3. bespreking: 3.1. De vordering van de N.V. SLACHTHUIS VERBIST is gebaseerd op de beweerde buitencontractuele aansprakelijkheid van de Belgische Staat. 3.2. Het hof onderzoekt vooreerst of er een causaal verband is bewezen tussen de beweerde fout(
  2. en)die door de organen van de Belgische Staat zouden zijn begaan en de schade zoals zij door de N.V. SLACHTHUIS VERBIST wordt voorgehouden (dit is het verschil tussen de prijs die de N.V. SLACHTHUIS VERBIST bij de uitvoer van de partij rundvlees aan Iran had kunnen bekomen en de prijs die zij effectief finaal heeft ontvangen op het moment dat de partij vlees werd vrijgegeven). Indien een causaal verband tussen de schade (zoals hiervoor omschreven) en de beweerde fouten die de Belgische Staat zou hebben begaan (en die zich alle situeren in de wijze van voorbereiding, opvang en aanpak van de dioxinecrisis zowel nationaal als op Europees en mondiaal niveau), niet wordt aangetoond, vertoont het betoog over het al dan niet begaan van fouten door de Belgische Staat geen belang voor de beslechting van het geschil. Hetzelfde geldt dan voor het betoog in verband met de begroting van de schade. 3.3. Het komt aan diegene die schadevergoeding eist, toe het feit aan te wijzen dat, zijns inziens, zijn schade heeft veroorzaakt. De rechter hoeft niet te zoeken naar alle theoretisch mogelijke oorzaken van het schadegeval; hij hoeft enkel te onderzoeken of de door de eiser aangevoerde feiten (de beweerde fouten) de schade inderdaad hebben veroorzaakt. Andere theoretische oorzaken, waarvan vaststaat dat ze zich niet voordeden kunnen dan buiten beschouwing blijven. Het aspect ‘noodzakelijke voorwaarde', dat deel uitmaakt van het oorzaakbegrip, wordt in het aansprakelijkheidsrecht de relatief noodzakelijke voorwaarde, de in concreto - of post factum - noodzakelijke voorwaarde. Als oorzaak in het recht gaat derhalve door een handeling (met inbegrip van een nalaten tot handelen), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het schadegebeuren, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Dit betekent dat er rechtens geen oorzakelijk verband bestaat, wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het schadegebeuren. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt. Een noodzakelijke voorwaarde voor extracontractuele aansprakelijkheid bestaat erin dat de aangevoerde aansprakelijkheidsgrond (fout of tot foutloze aansprakelijkheid aanleiding gevend feit) een noodzakelijke voorwaarde moet zijn geweest voor de aangevoerde schade. Kan de gedaagde aantonen dat de schade zich ook zou hebben voorgedaan zonder zijn fout (of zonder het hem toe te rekenen feit), dan gaat hij vrij uit. 3.4. Volgens de N.V. SLACHTHUIS VERBIST staat het oorzakelijk verband tussen de schade en de schending van de voorschriften van de Europese Richtlijnen en de algemene zorgvuldigheidsnorm, vast. Volgens de N.V. SLACHTHUIS VERBIST zou (bij correcte uitoefening van de meldingsplicht) de Europese Commissie veel beperktere maatregelen hebben getroffen die zich zouden beperkt hebben tot het blokkeren van de stallen die ? met dioxine besmet voeder waren beleverd en eventueel tot het opleggen naderhand van de vernietiging van de dieren uit de geblokkeerde stallen en dit vooraleer deze dieren konden worden geslacht. Nog steeds volgens de N.V. SLACHTHUIS VERBIST zou de Europese Commissie in staat zijn geweest om einde juli 1999 een verklaring af te leveren dat het Belgisch rundvlees niet met dioxine was besmet. Tijdig genomen maatregelen zou de rest van de voedselketen, volgens de N.V. SLACHTHUIS VERBIST, onaangetast hebben gelaten. Verder stelt de N.V. SLACHTHUIS VERBIST dat regelmatige controles die inzake dierenvoeding hadden moeten plaatsvinden, de besmetting hadden kunnen voorkomen. Zij houdt voor dat indien de Belgische Staat vóór juni 1999 aan efficiënt crisismanagement zou hebben gedaan, tot blokkering van de stallen die met dioxine besmet voeder waren beleverd, zou zijn overgegaan, alsmede aan snelle en correcte informatiedoorstroming zowel intern als naar buiten toe (de consument, Europese Commissie, derde landen en economische partners) had gedaan er voor de vleesverwerkende sector, geen dioxine"crisis" zou zijn geweest. Volgens de N.V. SLACHTHUIS VERBIST kregen de consument, de Europese Commissie en derde landen (waaronder ook Iran) echter de indruk dat de Belgische overheden de situatie niet meer in de hand hadden, met als gevolg o.m. de (internationale) economische sancties tegen Belgische vleesproducten en dit wereldwijd. De oorzaak van die beslissing was met andere woorden de dioxinecrisis die door het foutieve toedoen van geïntimeerde is kunnen ontstaan en Europees is afgestraft, zodat de Iranese overheidsinstanties in augustus 1999 hebben besloten om de invoer van Belgisch rundvlees gewoon te verbieden. Aldus houdt de N.V. SLACHTHUIS VERBIST voor dat indien de Belgische Staat (via haar organen en/of aangestelden) zijn mededelingsplicht correct had toegepast en op 19 maart, uiterlijk op 26 april 1999 de besmetting had gemeld, de nodige preventieve controles had uitgevoerd, de bedrijven waar er problemen waren of konden zijn had getraceerd, snel en efficiënt zou zijn opgetreden en overigens duidelijke informatie zou hebben verstrekt, er geen reden voorhanden was geweest voor de Europese Commissie om een volledig verhandelings- en uitvoerverbod uit te vaardigen. De N.V. SLACHTHUIS VERBIST laat gelden dat de Iranese Minister van Volksgezondheid de invoer van Belgisch rundvlees verbood "omwille van de dioxinecrisis en de beroering die daarover is ontstaan" (dit is de vertaling die de N.V. SLACHTHUIS VERBIST geeft van de tekst in het Engels "due to the dioxin crisis and the turnmoil on the meat and the meat products in Belgium") (appellante Bundel I, stukken 5 en 30). 3.5. Het stuk nr. 5 is in het Engels gesteld, er wordt geen vertaling bijgevoegd (de tekst luidt als volgt: "Dear Mr. Verbist, Further to our Telephone conversation of earlier today, concerning the above mentioned contract, we regret to inform you as follows: Due to the dioxin crisis and turmoil on the meat and meat products in Belgium as well as the total ban on Belgium Beef imposed by the Ministry of Health and Jahad of The Islamic Republic of Iran (IVO), we are obliged to hereby to declare the above mentioned contract as Null and Void. In order to continue our relationship for any eventual contract, we hereby request you to produce either whole or part of this contract in Germany. Should the situation changed otherwise, we shall renegotiate the contract. Hope to have informed you accordingly. Best regards, ../..."). Deze brief dateert van 3 augustus 1999 en gaat uit van de BV AKHAB EUROPE, zijnde de medecontractant van de N.V. SLACHTHUIS VERBIST. Deze brief bewijst enkel dat omwille van de beroering rond de dioxinecrisis, de koper van het rundvlees het contract wil verbreken (het woord ‘verbreken' wordt hier door het hof als een algemene term, te begrijpen conform zijn betekenis in de omgangstaal, gebruikt en niet in de specifieke wijze van beëindigen van een wederkerige overeenkomst door eenzijdige verbreking zoals dit begrip in het Belgisch recht een welomschreven inhoud heeft - de brief stelt dat de medecontractant het contract ‘null and void' aanziet hetgeen het hof vertaalt als ‘nietig'). Deze brief verwijst overigens naar de beslissing van het Iraanse Ministerie van Volksgezondheid om een invoerverbod voor vleesproducten uit België uit te vaardigen. Doch er blijkt niet dat dit Iraans verbod een andere oorzaak zou hebben dan "de dioxinecrisis en de beroering die daarover is ontstaan". Stuk 30, een brief daterende van 15 oktober 1999 (bundel I van appellante) luidt als volgt (volgens de bijgevoegde beëdigde Nederlandse vertaling) "Ministerie van Jihad-e-Sazandegi Van Islamitische Republic Iran - Veterinaire Organisatie - Aan: Dr. Nategh Vertegenwoordiger van de veterinaire organisatie verzonden naar Duitsland. Hierbij dient u te verzorgen dat alleen het vlees van Nederlandse oorsprong verscheept wordt. U dient te voorkomen dat elk soort vlees van Belgische oorsprong verscheept wordt. Tevens dient u voor de verscheping met de veterinaire organisatie contact op te nemen. (Handtekening) Dr. Abbas Ali Motallebi - Directeur Generaal van de veterinaire organisatie van Islamitische Republiek Iran". Deze brief geeft geen motief voor het weren van Belgisch rundvlees. De koper, de BV AKHAB EUROPE, heeft dus reeds op 3 augustus 1999 de overeenkomst ‘verbroken' omwille van de commotie van en rond de dioxinecrisis en een uitvoer naar Iran (naar een andere kandidaat koper) van de partij vleesproducten is niet kunnen doorgaan omdat de Iraanse autoriteiten geen vlees van Belgische bodem wensten in te voeren. 3.6. Volgens de N.V. SLACHTHUIS VERBIST zijn de maatregelen die de Europese Commissie heeft getroffen buiten verhouding met de werkelijke besmetting. Zij laat gelden dat zonder deze maatregelen de uitvoer door de Iraanse autoriteiten niet zou verboden zijn geworden. In ieder geval is hoegenaamd niet aangetoond dat de Europese Commissie precies "omwille van de beweerde fouten of onzorgvuldigheden van de Belgische Staat" de maatregelen ten overstaan van de Belgische vleesproducten heeft genomen en dat, indien deze fouten of onzorgvuldigheden niet zouden begaan geweest zijn, de Europese Commissie andere maatregelen zou hebben getroffen die het de N.V. SLACHTHUIS VERBIST zouden hebben mogelijk gemaakt de partij rundvlees zonder enig probleem naar Iran uit te voeren. De N.V. SLACHTHUIS VERBIST steunt zich hiervoor op volgende elementen (conclusie pagina 14 en volgende): "33. Bij beschikking van 3 juni 1999 van de EC werd het verhandelen van sommige voor menselijke consumptie of veevoeder bestemde producten, verkregen van pluimvee gefokt in België tussen 15 januari en 1 juni 1999, verboden en werd een tijdelijke bijkomende certificering voor het intracommunautaire handelsverkeer en bij uitvoer opgelegd (Bundel IIl, stuk 1.b.). In het motiverende gedeelte van de beschikking overwoog de Commissie dat "dringende maatregelen getroffen moesten worden om de volksgezondheid te beschermen" onder meer omdat: • De oorsprong van de verontreiniging nog niet was vastgesteld; • De Belgische autoriteiten nog niet alle dienstige maatregelen getroffen hadden om te garanderen dat de producten afkomstig van voor 1 juni 1999 betrokken bedrijven uit de markt zouden worden genomen; • Voeder, de daarmee gevoerde levende dieren en producten van die dieren aan andere lidstaten blijken geleverd te zijn; bovendien is het mogelijk dat het besmette voeder ook aan andere diersoorten gevoederd werd; • Het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie heeft aanbevolen dat de dagelijkse inname voor dioxine 1,4 pg/kg lichaamsgewicht niet mag overschrijden. Aangezien er geen internationale, communautaire of nationale maximumdioxinegehalten zijn vastgesteld moeten de gegevens over de achtergrondniveaus van de dioxineverontreiniging volgens de Commissie als referentiewaarden worden gehanteerd. 34. De Belgische autoriteiten hebben op 2 juni 1999 aan de Commissie meegedeeld dat zij beperkende maatregelen hadden vastgesteld ten aanzien van ongeveer 500 varkenshouderijbedrijven waaraan verontreinigd diervoeder kon zijn geleverd. Op 3 juni 1999 hebben zij de Commissie ook meegedeeld dat verontreinigd diervoeder aan een aantal rundveehouderijbedrijven kon zijn geleverd (zie Bundel I, stuk 26, Bijlage 1 p. 21 bij het PO-verslag). Op grond van deze inlichtingen van de Belgische autoriteiten besliste de Commissie op 4 juni 1999 tot de uitvaardiging van beschikking 1999/368 waarbij een verhandelings- en uitvoerverbod voor varkens en runderen, die in België zijn gehouden sinds 15 januari 1999, alsook voor alle daarvan afgeleide producten werd ingesteld. Aangezien de Belgische autoriteiten ten aanzien van runderen en varkens en daarvan verkregen producten nog geen soortgelijke maatregelen als ten aanzien van pluimvee hadden getroffen, was de Commissie van mening nog geen einddatum voor de toepasselijkheid van dit verbod te kunnen vaststellen (zie de vierde motivering in die beschikking). De Europese Commissie heeft die beslissing genomen zonder voorafgaande raadpleging van de Belgische veterinaire diensten (zie Bundel I, stuk 26, Bijlage 1 p. 22 bij het PO-verslag), nadat zij kennis kreeg van de positieve resultaten (0,15 tot 3,32 pg TEQ/
  3. g)van 6 vetmonsters die tussen 19 en 21 mei bij varkens werd genomen (zie Bundel I, stuk 26, Bijlage 1 p. 22 bij het PO-verslag). 35. Ten aanzien van de runderen werden pas op 7 juni monsters voor analyse afgenomen (Bundel I, stuk 26, PO-verslag p. 23), nadat ingevolge de uitbreiding door de Commissie van de beschermende maatregelen tot de varkens en de runderen een nieuw bemonsteringsplan was opgesteld (Bundel I, stuk 26, PO-verslag p.22). Op 8 juni 1999 heeft de Belgische regering een nieuwe lijst vastgesteld van pluimveebedrijven waaraan de mengveevoederbedrijven die van Verkest tussen januari 1999 en 1 juni 1999 vet ontvingen, veevoeder hadden geleverd. Op 9 juni 1999 was eveneens een nieuwe lijst voor varkens- en rundveebedrijven klaar. Op 11 juni 1999 stelde de Belgische regering de Commissie en de Lidstaten van deze lijst in kennis. Op 11 juni 1999 keurde de Commissie de beschikking 1999/389 goed (Bundel Ill, stuk 1.d.) waarbij het verhandelings- en uitvoerverbod voor melk en melkproducten, reeds opgenomen in de beschikking 1999/368 van 4 juni 1999 (Bundel Ill, stuk 1.c.) , werd bevestigd en de beschikking 1999/390 van 11 juni 1999 die o.m. naar aanleiding van de verwarring die was ontstaan als gevolg van de uiteenlopende rapporteringsmethoden die door de Belgische autoriteiten werden gebruikt, de beschikkingen 1999/363 van 3 juni 1999 en 1999/389 van 11 juni 1999 wijzigde door modellen vast te stellen voor de officiële verklaring en voor de officiële certificaten waarvan de levende dieren en de producten van oorsprong uit België, waarop de beschikkingen van de Commissie van toepassing waren, vergezeld moesten zijn (zie de desbetreffende motivering: "dat bij gebrek aan een uniforme certificeringsregeling, bij de lidstaten en derde landen verwarring lijkt te ontstaan als gevolg van de uiteenlopende rapporteringsmethoden die door de Belgische autoriteiten worden gebruikt; dat het, teneinde het vertrouwen in de door de Belgische autoriteiten gegeven garanties te vergroten, aangewezen is modellen vast te stellen voor de officiële verklaring en voor de officiële certificaten waarvan levende dieren en van producten van oorsprong van België, waarop deze beschikkingen van toepassing zijn, vergezeld moeten gaan"). Op 24 juni 1999 nam de Commissie beschikking 1999/419 aan die een regeling bevatte voor de terugzending van producten afkomstig uit België die tussen 15 januari en 3 juni 1999 waren geproduceerd, indien (
  4. i)niet met zekerheid was vast te stellen van welke bedrijven die producten afkomstig zijn en (
  5. ii)de producten niet op de aanwezigheid van dioxines waren getest. 36. Op 9 juli 1999 verving de Commissie de beschikkingen 1999/363 van 3 juni 1999 en 1999/389 van 11 juni 1999 door de beschikking 1999/449 (Bundel Ill, stuk 1. f.). Nieuwe overwegingen, waarop de Commissie zich baseerde, waren: · dat de Belgische autoriteiten ten aanzien van varkens en runderen en daarvan afgeleide producten soortgelijke maatregelen hebben vastgesteld als voor pluimvee en dat zij met name voor runderen en varkens een slachtverbod met ingang van 3 juni 1999 hadden ingesteld; · dat het onderzoek naar de verantwoordelijkheid van de verontreiniging nog steeds aan de gang was; · dat bij een communautair inspectieonderzoek aan België van 8 tot en met 11 juni 1999 en met name op basis van de beschikbare analyseresultaten is geconcludeerd dat zich een massale verontreiniging had voorgedaan in een beperkte periode en dat het niet zou gaan om een terugkerend probleem; · dat, voor het onderzoek op dioxines, gesofisticeerde methoden vereist zijn, die slechts in een beperkt aantal laboratoria in de lidstaten voorhanden zijn. Op grond van de oude en deze bijkomende gegevens bevestigde de Commissie dat, met het oog op de bescherming van de gezondheid van de consument, maatregelen moesten worden genomen voor kippen, runderen en varkens die in België sedert 15 januari 1999 waren gehouden, en voor daarvan verkregen producten. Er kon nog geen einddatum voor de toepassing van de maatregelen worden vastgesteld. Verder blijkt uit die beschikking dat het gebruik van PCB tests als een betrouwbaar alternatief voor de opsporing van dioxines werd aanvaard. 37. Tenslotte nam de Commissie op 23 september 1999 beschikking 1990/640 aan (Bundel Ill, stuk 1. j), welke de beschikking 1999/449 van 9 juli 1999 (zoals gewijzigd bij beschikking 1999/551 en 1999/601) verving (Bundel Ill, resp. stukken 1. f.). Deze heeft per 23 september 1999 het verhandelings- en uitvoerverbod opgeheven met betrekking tot de 9 melkveebedrijven die nog het voorwerp uitmaakten van beperkende maatregelen. Verder was het verhandelings- en uitvoerverbod evenmin nog langer van toepassing op runderen of magen, blazen en darmen die zijn gereinigd, gezouten of gedroogd en/of verhit (het vetgehalte van deze producten bedraagt immers minder dan 1%)." 3.7. Uit voornoemde feiten leidt de N.V. SLACHTHUIS VERBIST af "dat de Europese Commissie verregaande maatregelen voor de gehele sector heeft getroffen, omdat de Belgische overheid niet snel genoeg duidelijke, concrete en sluitende informatie kon geven over de bedrijven die bij de contaminatie waren betrokken (zie ook o.m. Bundel I, stuk 26, PO-verslag p. 191, p. 193, p. 245, p. 274, p. 280 en p. 282)". Evenwel, uit deze historiek van de beslissingen getroffen door de Europese Commissie blijkt niet dat deze beslissingen getroffen zijn "omdat" er een gebrek aan medewerking zou geweest zijn van de Belgische Staat, dan wel omdat er fouten zouden begaan zijn geworden in de behandeling van de crisistoestand, doch in tegendeel, uit de motieven blijkt dat hierna volgende motieven in ieder geval mede de besluitvormingen van de Europese Commissie hebben bewerkstelligd derwijze dat niet aangetoond is dat de Europese Commissie niet tot dezelfde beslissingen zou zijn gekomen op grond van deze motieven alleen. Het betreft het feit: · dat de oorsprong van de verontreiniging nog niet was vastgesteld; · dat het mogelijk was dat het besmette voeder ook aan andere diersoorten gevoederd werd; · dat bij gebrek aan een uniforme certificeringsregeling, bij de lidstaten en derde landen verwarring lijkt te ontstaan als gevolg van de uiteenlopende rapporteringsmethoden die door de Belgische autoriteiten worden gebruikt; · dat volgens de Wereldgezondheidsorganisatie de dagelijkse inname voor dioxine 1,4 pg/kg lichaamsgewicht niet mag overschrijden.en er geen internationale, communautaire of nationale maximumdioxinegehalten zijn vastgesteld; · dat de Belgische autoriteiten op 2 juni 1999 aan de Commissie meegedeeld hebben dat zij beperkende maatregelen hadden vastgesteld ten aanzien van ongeveer 500 varkenshouderijbedrijven waaraan verontreinigd diervoeder kon zijn geleverd en dat zij op 3 juni 1999 de Commissie ook hebben meegedeeld dat verontreinigd diervoeder aan een aantal rundveehouderijbedrijven kon zijn geleverd; zodat op grond van deze inlichtingen van de Belgische autoriteiten - waarvan niet is aangetoond dat zij foutief zijn - de Commissie op 4 juni 1999 besliste tot de uitvaardiging van beschikking 1999/368 waarbij een verhandelings- en uitvoerverbod voor varkens en runderen, die in België zijn gehouden sinds 15 januari 1999, alsook voor alle daarvan afgeleide producten werd ingesteld; · dat het onderzoek naar de verantwoordelijkheid van de verontreiniging nog steeds aan de gang was; · dat, voor het onderzoek op dioxines, gesofisticeerde methoden vereist zijn, die slechts in een beperkt aantal laboratoria in de lidstaten voorhanden zijn; · dat zelfs de Parlementaire Onderzoekscommissie (zonder dat zij beslissingsmacht heeft hieromtrent) stelt dat de gebrekkige crisis communicatie door de Belgische overheden als één van de redenen voor het streng optreden van de Europese Commissie wordt opgegeven, terwijl datzelfde verslag ter nuance stelt dat de Europese Unie inzake de samenstelling van veevoeder en contaminanten geen normerend kader bood dat performant genoeg zou zijn, dat de regelgeving inzake de meldingsplicht aan de EU-autoriteiten niet zou voldoen en dat de EU de chaotische ontwikkeling van de crisis zou hebben versterkt. Vermits aldus, de besluitvorming van de Europese Commissie, volgens de eigen motieven (zoals door de N.V. SLACHTHUIS VERBIST aangehaald - zie hiervoor) van de Commissie, steunt op een hele reeks feitelijkheden, elementen en consideransen die niet wijzen op enige fout of onzorgvuldigheid begaan door de Belgische Staat, faalt de stelling van de N.V. SLACHTHUIS VERBIST als zou de Europese Commissie de verhandeling en uitvoer van het rundvlees hebben verboden (en alzo de uitvoer van de partij rundvlees van de N.V. SLACHTHUIS VERBIST naar een Iran via de vennootschap BV AKHAB EUROPE) omwille (= oorzakelijk verband) van fouten of onzorgvuldigheden begaan door de Belgische Staat. 3.8. Het hof is van oordeel dat te dezen het oorzakelijk verband tussen eventuele fouten begaan door de Belgische Staat en de geleden schade wordt uitgesloten nu de schade zoals ze zich in concreto voordeed, op dezelfde wijze zou zijn ontstaan zonder die fouten . Er is niet aangetoond dat de eventuele fouten die zouden begaan zijn door de Belgische Staat gevolgen hebben gehad op de beslissingen die enerzijds de Europese Commissie heeft getroffen, anderzijds de medecontractant van de N.V. SLACHTHUIS VERBIST heeft getroffen door op 3 augustus 1999 de overeenkomst eenzijdig te ‘verbreken' ("declare the ( ...) contract as null and void"). Met andere woorden, zelfs al zou de Belgische Staat fouten hebben begaan (hetgeen het hof niet heeft onderzocht), dan nog hebben deze in de concrete omstandigheden van de zaak geen gevolg gehad op het litigieuze uitvoerverbod en verhandelingsverbod en de gevolgen ervan . Omwille van de hiervoor geciteerde motieven, door de Europese Commissie gehanteerd in de verschillende beslissingen, zou de Europese Commissie in de concrete omstandigheden van onderhavig geschil, dezelfde beslissingen hebben genomen met of zonder fouten begaan door de Belgische Staat . 3.9. Het causaal verband tussen beweerde fouten die zouden begaan zijn door de Belgische Staat en de schade is te dezen niet bewezen. Het hoger beroep is dienvolgens niet gegrond. Beide partijen zijn erover akkoord dat de rechtsplegingvergoeding in graad van hoger beroep op euro 15.000 moet begroot worden (zie de akkoordbesluiten neergelegd ter zitting van 10 november 2009). OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Veroordeelt de N.V. EEG SLACHTHUIS VERBIST IZEGEM tot de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van haarzelf op euro 15.186 (186 rolrecht + 15.000 rechtsplegingsvergoeding) en - in hoofde van de twee geïntimeerden samen op euro 15.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 26/1/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Marc BOSMANS, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE M. BOSMANS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.