id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 26 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100126.2 Rolnummer: 2007AR1520 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-01-27 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 21:18 Fiche Anders dan de eerste rechter oordeelde, moet onder patiënt worden begrepen iedere persoon die aan de verzorgingsinstelling de in artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verstrekkingen moet betalen, wanneer de verjaring jegens hem niet door een bijzondere bepaling geregeld is . Er is geen enkele reden om de schuldenaar van de kosten van de verstrekkingen in die zin te beperken tot natuurlijke personen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - 2 jaar - Verzorgingsverstrekkers (verjaring) Vrije woorden: Artikel 2277bis BW - Verjaringstermijn van twee jaar. Verzorgingsverstrekkers: begrip. Patiënt: begrip. Wet van 26 juni 1990 op de bescherming van de persoon van de geesteszieke. Procureur des Konings. Vrederechter. Psychiatrische verpleeginstelling. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2007/AR/1520 Verjaring kosten geneeskundige verstrekkingen - artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek INZAKE VAN : Het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WERK van VILVOORDE, afgekort O.C.M.W. VILVOORDE, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1800 VILVOORDE, Kursaalstraat 40, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 maart 2007, vertegenwoordigd door Meester Annick HERMANS, advocaat te 1800 VILVOORDE, F. Rooseveltlaan 70, 1ste kamer TEGEN : De V.Z.W. VERPLEEGCENTRUM JEAN TITECA, waarvan de zetel gevestigd is te 1030 SCHAARBEEK, Luzenestraat 11, geïntimeerde, niet verschijnende, noch iemand voor haar;
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 21 maart
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Geïntimeerde is regelmatig opgeroepen met toepassing van artikel 747 §2 van het Gerechtelijk Wetboek voor de zitting van 11 januari 2010 maar is niet verschenen; zij had wel conclusies genomen. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Appellante verklaart dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Verweerster op verzet [geïntimeerde ] baat een psychiatrische verpleeginstelling uit. In het kader van de Wet van 26 juni 1990 op de bescherming van de persoon van de geesteszieke was in uitvoering van de beslissingen van de procureur des Konings te Brussel van 27 april 2000 en van de vrederechter te Schaarbeek van 2 mei 2000 en 29 mei 2000, de heer J. van 27 april 2000 tot 17 november 2000 en van 24 januari 2001 tot 19 juni 2001 opgenomen in een gesloten afdeling van de instelling van verweerster op verzet. Bij schrijven van 28 april 2000 en 25 januari 2001 werd eiseres op verzet [appellant] door verweerster op verzet op de hoogte gebracht van deze opname ten taste van eerstgenoemde (stuk 5-6 van verweerster op verzet). " Bij schrijven van 16 augustus 2000 deelde eiseres op verzet mee in te gaan op het verzoek namens de heer J. tot het bekomen van financiële hulp (verweerster op verzet - stuk 9). In een sociaal verslag van 07 maart 2003 bevestigde eiseres op verzet dat de heer J. niet over financiële middelen beschikte, zodat zij adviseerde tot de tussenkomst van het Speciaal Onderstandsfonds (verweerster op verzet - stuk 10). Bij Ordonnantie van 13 mei 2004 werd voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met ingang van 1 januari 2005, het Speciaal Onderstandfonds afgeschaft. Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 23 september 2005 bekwam verweerster op verzet lastens eiseres op verzet veroordeling tot betaling van haar facturen uit hoofde van de hospitalisatie van de heer J. ten belope van 5.069,96 EUR in hoofdsom."
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderde appellant het verstekvonnis te hervormen en de vordering niet ontvankelijk te verklaren. Appellant concludeerde tot de ongegrondheid van het verzet. 3.
- De eerste rechter verklaarde het verzet ongegrond. 3.
- In hoger beroep herneemt appellant zijn oorspronkelijk verweer. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen Zoals voor de eerste rechter beroept appellant zich op de verjaring met toepassing van artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek. Dit bepaalt: "De rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daar inbegrepen de vordering wegens bijkomende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van 2 jaar te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt. Dezelfde bepaling is van toepassing voor geneeskundige verstrekkingen, diensten, goederen en bijkomende kosten welke door de verplegings- en verzorgingsinstelling of door derden werden geleverd of gefaktureerd." Anders dan de eerste rechter oordeelde, moet onder patiënt worden begrepen iedere persoon die aan de verzorgingsinstelling de in artikel 2277bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verstrekkingen moet betalen, wanneer de verjaring jegens hem niet door een bijzondere bepaling geregeld is . Er is geen enkele reden om de schuldenaar van de kosten van de verstrekkingen in die zin te beperken tot natuurlijke personen. De vordering van geïntimeerde ingesteld op 1 augustus 2005 voor prestaties van 2000 en 2001 was dus verjaard, en dus niet ontvankelijk.
- De kosten Partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 900,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond als volgt: Hervormt het vonnis behalve voor zover het het verzet ontvankelijk verklaart en de kosten begroot, en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart het verzet gegrond en hervormt het vonnis van 23 september 2005 als volgt: verklaart de vordering van geïntimeerde niet ontvankelijk. Het veroordeelt geïntimeerde tot de betaling van de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter bij vonnis van 23 september 2005 en 21 maart 2007, en die in hoger beroep begroot - in hoofde van appellant op euro 1.086 (186 rolrecht + 900 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 900 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 26/1/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div