← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100126.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 26 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100126.3 Rolnummer: 2007AR2824 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-01-27 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 21:17 Fiche Bij feitelijk samenwonen, worden de samenwoners geacht onverdeelde eigenaars te zijn met betrekking tot deze goederen ten aanzien waarvan geen van beide samenwoners zijn exclusief eigendomsrecht kan aantonen. Bij gebrek aan bewijs van het exclusieve eigendomsrecht worden litigieuze goederen aldus geacht in gemeenrechtelijke onverdeeldheid te zijn en kan artikel 815 BW toepassing vinden en kan de verdeling te allen tijde worden gevorderd. De eerste rechter heeft dan ook terecht bevolen dat zou overgegaan worden tot de onderscheiden bewerkingen van vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid conform de procedure voorzien in de artikelen 1207 e.v. Ger.W. en heeft hiertoe de nodige notarissen aangesteld. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling Vrije woorden: Feitelijk samenleven. Einde van het feitelijk samenleven. Vordering tot uitonverdeeldheidtreding op basis van artikel 1207 tot 1224 Ger. W.: vereiste van het bewijs van het bestaan van een onverdeeldheid. Bewijs van het eigen of gemene karakter van de goederen in geval van beëindiging van het feitelijk samenleven. Diverse taken en opdrachten van de boedelnotaris in het kader van de gerechtelijke verdeling. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2007/AR/2824 INZAKE VAN : Mevrouw M. V. appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 22 mei 2007, vertegenwoordigd door Meester Jean-Pierre WALRAVENS, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643, 1ste kamer TEGEN : De heer D.D, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Anne SIX, advocaat te1080 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 153, I. Voornaamste feiten Er was feitelijke samenwoning van D. D. en M V volgens D. D.: tijdens de periode van maart 1986 tot en met augustus 2001 en volgens M. V. : tijdens de periode van maart 1986, slechts tot en met begin 2000. II. Relevante procedurestukken Op 29 april 2005 dagvaardt D. D., M. V. De vordering strekt er in hoofdorde toe veroordeling tot betaling te bekomen van een som van 138.407, 68 euro, met de aanhorigheden. In ondergeschikte orde strekt de vordering tot het bekomen van: de vereffening-verdeling, erin begrepen de gerechtelijke aanstelling van notarissen zoals voorzien in artikel 1209 Ger.W. De bestreden beslissing van 22 mei 2007 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel:

  1. a)beveelt het uit onverdeeldheid treden, met gerechtelijke aanstelling van geassociëerd notaris Depuyt te Sint Jans Molenbeek tot boedelnotaris, en van notaris Van Achter te Halle als notaris in de zin van artikel 1209, derde lid Ger. W.
  2. b)het vonnis staat de voorlopige tenuitvoerlegging niet toe. Op 22 okotober 2007 stelt M. V. hoger beroep in tegen het vonnis. III. Respectieve stellingen van appellante V. en geïntimeerde D.: A. Stellingen van de appellante blijkens haar verzoekschrift hoger beroep dd. 22 oktober 2007 en blijkens haar conclusies neergelegd op 24 april 2008 1) Wat de toepassing van de artikelen 1207 e.v. Ger. W. inzake de gerechtelijke vereffening-verdeling betreft. Mevrouw V. vordert in hoofdorde de hervorming van het bestreden vonnnis op dit punt Mevrouw M. V. stelt:
  3. a)vermits er geen onverdeeldheid is, kon/vermocht de eerste echter de gerechtelijke vereffening-verdeling niet uit te spreken. Volgens haar mocht dus alleen uitspraak gedaan worden over de specifieke schuldvorderingen aangehaald in de dagvaarding.
  4. b)er is volgens haar in casu geen onverdeeldheid, omdat het enige waarover de twee partijen gemeenschappelijk beschikten, twee bankrekeningen waren die zij reeds vereffenden.
  5. c)er ontstaat volgens haar bij samenwoning geenszins een algehele onverdeeldheid; eventueel is er sprake van specifieke goederen die samen worden aangekocht en in die hypothese is er met betrekking tot die specifieke goederen sprake van een onverdeeldheid. Volgens haar bewijst D. De. op geen enkele wijze dat goederen gemeenschappelijk zouden zijn verworven.
  6. d)D. D. levert volgens haar geen enkel bewijs van enige onverdeeldheid. De eerste rechter zelf schijnt enkel te verwijzen naar "twee gemeenschappelijke rekeningen". Maar appellante bevestigde dat deze twee gemeenschappelijke rekeningen werden afgesloten (en het saldo integraal naar D. D. ging). 2) Mevrouw V., in ondergeschikte orde, de gerechtelijke aanstelling van een andere boedelnotaris dan notaris Depuyt Mevrouw V. vordert de gerechtelijke aanstelling van een andere boedelnotaris dan notaris Depuyt omdat deze familiale banden zou hebben met personen werkzaam op het kantoor van de advocaat van D. D. B. Stellingen van geïntimeerde D. D., blijkens de synthese-beroepsconclusies neergelegd op 28 maart 2008 D. wijst op een samenleven met appellante tot augustus 2001. Volgens hem brengt een samenleving een vermenging van vermogens mee. Hij stelt verder: "Bovendien geschiedde tussen partijen tot op heden geen enkele afrekening met verrekeningen en heeft geïntimeerde aan zijn recht hierop niet verzaakt, wel integendeel". D. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. IV. Bespreking:
  7. a)Wat de toepassing van de artikelen 1207 e.v. Ger. W. inzake de gerechtelijke vereffening-verdeling betreft; Terecht overwoog de eerste rechter dat "ingevolge hun concubinaatsverhouding er alleszins tussen partijen een zekere vermogensvermenging is ontstaan waarbij het hic et nunc geenszins is aangetoond dat partijen daarover een definitief akkoord hebben afgesloten, laat staan dat er tussen partijen geen enkele vergoedingsregeling zou dienen te worden opgemaakt" en dat het dan ook behoort dat de procedure van de gerechtelijke vereffening-verdeling (art. 1207 e.v. Ger. W.) volledig zou worden toegepast. Uit de feiten en dossierstukken blijkt dat een som geld voorkomende uit de erfenis van de grootvader van D. D. gestort werd op de gezamenlijke bankrekening van D. D. en M. V. M. V. bewijst niet ten genoege van recht dat de twee partijen onbetwistbaar gezamenlijk zijn overeengekomen over de slotverrichtingen m.b.t. deze gezamenlijke rekening. Er werd geen dading opgesteld evenmin als enig document waaruit zou kunnen blijken dat de partijen het eens zouden zijn geweest over het saldo van deze gezamenlijke bankrekening en hun respectieve aanspraken op het saldo. Uit dit feitelijk gegeven blijkt reeds dat er nog een niet-vereffende onverdeeldheid tussen de partijen bestaat. Er is ook de problematiek omtrent het eigendomsrecht van de meubelen aangekocht bij de inrichting van het appartement waar de partijen feitelijk hebben samengewoond., en waarop, volgens geïntimeerde D.D., appellante M.V. niet haar beweerd exclusief eigendomsrecht aantoont. D.D. stelt dat haar bezit niet deugdelijk is in de zin van artikel 2229 BW en dat dit "bezit" dus geen titel voor eigendomsrecht in de zin van artikel 2279 BW kan vormen. Hij stelt dat haar bezit dubbelzinnig is. De bestemming van de leveringsbons en facturen op naam van M.V. bewijst op zichzelf nog niet, op decisieve wijze, van wie deze meubelen zijn en wie deze meubelen daadwerkelijk betaalde, dit is met wiens gelden de aankopen effectief betaald werden. Kortom, het staat in de huidige stand van de zaken (hic et nunc) niet onomstootbaar vast.dat de meubelen geheel en uitsluitend aan M.V. zouden toehoren, en dat er niet de minste onverdeeldheid zou zijn met betrekking tot het geheel of een deel der meubelen. Dit gegeven alleen is voldoende om de gerechtelijke vereffening-verdeling tussen de partijen te bevelen. Geïntimeerde D.D. besluit derhalve terecht dat "ingevolge de vermogensvermenging tijdens het samenleven en de onverdeeldheden die tussen partijen zijn ontstaan naar aanleiding van de aankoop van meubilair en huisraad, die procedure van artikel 1207 e.v. Ger. W. dient toegepast te worden." Bij feitelijk samenwonen, worden de samenwoners geacht onverdeelde eigenaars te zijn met betrekking tot deze goederen ten aanzien waarvan geen van beide samenwoners zijn exclusief eigendomsrecht kan aantonen. Bij gebrek aan bewijs van het exclusieve eigendomsrecht worden litigieuze goederen aldus geacht in gemeenrechtelijke onverdeeldheid te zijn en kan artikel 815 BW toepassing vinden en kan de verdeling te allen tijde worden gevorderd. De eerste rechter heeft dan ook terecht bevolen dat zou overgegaan worden tot de onderscheiden bewerkingen van vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid conform de procedure voorzien in de artikelen 1207 e.v. Ger.W. en heeft hiertoe de nodige notarissen aangesteld. Overigens, sedert de invoering van het gerechtelijk wetboek staat vast dat het niet aan de rechtbank toekomt de concrete vereffening/verdeling op te maken maar uitsluitend aan de gerechtelijke aangestelde boedelnotaris . De partijen dienen bijgevolg alle tussen hen bestaande geschillen m.b.t. de vereffening/verdeling voor te leggen aan de door de rechter aangestelde boedelnotaris. Deze boedelnotaris heeft immers de wettelijke verplichtingen de partijen volledig in te lichten over al hun rechten en plichten zodat de betrokken partijen met kennis van zaken stelling zouden kunnen nemen. Bovendien heeft de boedelnotaris naast zijn wettelijke inlichtingsplicht, ook een verzoenende opdracht in die zin dat hij moet trachten de partijen in elke stand van het geding te verzoenen en te pogen een geheel akkoord of deelakkoorden te bewerkstelligen. In deze dienen de partijen dan ook al hun geschillen voor te leggen aan de boedelnotaris dewelke, bij gebrek aan akkoord van zijn ontwerp, desgevallend een tussentijds P.V. van beweringen en zwarigheden zal moeten opmaken waarin hij zijn eigen standpunt over die geschillen moet geven, waarna de rechtbank de eventuele nog bestaande en aldus voorgelegde geschillen zal dienen te beslechten. Vorderingen die ontstaan in het kader van een vereffening/verdeling kunnen bijgevolg enkel door de notaris aan de rechter worden voorgelegd door de neerlegging ter griffie van een tussentijds P.V. van beweringen en zwarigheden waaraan het advies van de boedelnotaris is gevoegd. De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld en beslist dat het behoort "dat de procedure van artikel 1207 e.v. Ger. W. volledig zou worden toegepast, waarbij partijen in eerste orde voor de aangestelde notaris de gelegenheid zullen krijgen hun wederzijdse aanspraken en vorderingen te stellen, en de eventuele vergoedingsregelingen zullen kunnen voorstellen, waarna de zaak, bij gebreke van akkoord door neerlegging van het PV van zwarigheden en antwoord van de notaris opnieuw aan de rechtbank zal kunnen worden voorgelegd." Het hoger beroep is op dat punt niet gegrond.
  8. b)Wat de vervanging van de door de eerste rechter aangestelde boedelnotaris, namelijk notaris Frank Depuyt met standplaats te Sint-Jans-Molenbeek betreft, gevraagd in ondergeschikte orde door Mevrouw M.V. Appellante M. V. levert niet het bewijs van een mogelijke schijn van partijdigheid in hoofde van deze notaris, nu trouwens geïntimeerde D.D. erop wijst dat notaris Depuyt en advocaat Depuydt geen familie zijn met een verwijzing naar een verschillende schrijfwijze van hun onderscheiden familienaam. Ook op dat punt is het hoger beroep ongegrond. Vordering tot schadevergoeding: De vordering van M.V. tegen D.D. tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloze procedure, ten beloop van 2.000,00 euro in hoger beroep, is ongegrond, nu er in hoofde van D.D. geen enkel misbruik van recht bewezen wordt en, integendeel het hoger beroep niet gegrond is. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk doch ongegrond. Begroot de kosten van het hoger beroep - in hoofde van appellante op euro 3.186 (186 rolrecht + 3.000 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 3.000 rechtsplegingsvergoeding. Houdt de kosten aan. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 26/1/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc BOSMANS, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. BOSMANS Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.