← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100202.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 02 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100202.1 Rolnummer: 2007AR2195 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 21:20 Fiche Uit al de in het arrest opgesomde elementen samen blijkt enkel dat C zijn hond had ondergebracht bij zijn moeder om er voor te zorgen in de periode na zijn hospitalisatie. Hij had dus de materiële bewaring over de hond overgedragen. De beperkte opdracht om een tijdje voor de hond te zorgen impliceerde in de omstandigheden van de zaak echter niet dat hij de bewaring over de hond had overgedragen. Het blijkt niet dat moeder T op het ogenblik van de feiten zonder inmenging van haar zoon C het dier leidde en het toezicht erover uitoefende, en dat zij dezelfde macht had als haar zoon C om het te gebruiken. Het feit dat C zelf een verzekering voor de aansprakelijkheid voor de hond behield, bevestigt dit. De eerste rechter heeft dus terecht geoordeeld dat Tniet de bewaarder was van de hond, en dat C als eigenaar gehouden is met toepassing van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Dieren Vrije woorden: Aansprakelijkheid voor dieren. Hond. Eigenaar verblijft tijdelijk in ziekenhuis en vertrouwt de materiële bewaring van zijn hond toe aan zijn moeder. Hond bijt een persoon. In casu: geen overdracht van de juridische bewaring van de hond. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2007/AR/2195 Onrechtmatige daad - bewaarder dier INZAKE VAN : De heer S. C., , appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 17 oktober 2001, vertegenwoordigd door Meester Franky VANDEVOORDE, advocaat te 1200 BRUSSEL, Georges Henrilaan 431, 1ste kamer TEGEN : 1) Mevrouw A. B., 2) De heer J. B., , 3) Mevrouw V. B., 4) Mevrouw M. A., de derde handelend in eigen naam, de vierde handelend als gerechtigde in de thans ontbonden huwelijksgemeenschap, alle handelend als wettige erfgenamen en rechtsopvolgers van wijlen de heer J. B., hun respectievelijke vader en echtgenoot, eerste tot en met vierde geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Pascale ALAERTS loco Meester Kristiane HUBRECHTS, advocaat te 3010 LEUVEN, sectie Kessel-Lo, Tiensesteenweg 305, 5) De heer J. B., advocaat te 1300 WAVER, Leuvensesteenweg 43/2, in zijn hoedanigheid van curator van de onbeheerde nalatenschap van wijlen mevrouw S. T., vijfde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Philippe DE COCK, advocaat te 1750 LENNIK, Karel Keymolenstraat 22,

  1. De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 17 oktober
  2. De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 5 maart 2002; geïntimeerden leggen kopie voor van de akte van betekening. C. heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 3 april
  3. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
  4. De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: "V. B. werd op 21/5/88 het slachtoffer van een hondenbeet toen zij aan het fietsen was op de openbare weg te X.. De hond in kwestie liep vrij rond op de openbare weg en viel haar zonder aanleiding aan. Deze hond behoorde toe aan de Heer C. en verbleef op het ogenblik van de feiten bij diens moeder, zijnde Mevrouw T.. Het ongeval zou zijn aangegeven door Mevrouw T. aan haar verzekeraar, doch omwille van betwisting van dekking, ondermeer omdat de hond slechts tijdelijk vertoefde bij Mevrouw T. werd uiteindelijk klacht neergelegd door eisers, die zonder gevolg werd gerangschikt. "
  5. Het onderwerp van de vordering 3.
  6. De vordering werd ingeleid door de ouders van V. B., J. B. en Maria A. voor de huwelijksgemeenschap en voor hun dochter V.. J. B. is overleden tijdens de procedure, en de meerderjarige kinderen B. en Maria A. hebben het geding hervat als zijn rechtsopvolgers. V. B. treedt verder ook op voor zichzelf. Voor de eerste rechter vorderden de partijen B. de veroordeling van C. en T., hoofdelijk, tot de betaling van: - aan de huwgemeenschap een provisie van 14.521 BEF op een vordering geraamd op 500.000 BEF en - aan V. B. een provisie van 100.000 BEF op een vordering geraamd op 1.000.000 BEF, telkens plus de vergoedende en de gerechtelijke interesten, Daarnaast vroegen zij de aanstelling van een deskundige geneesheer. Ondergeschikt vroegen zij in hoofdsom 14.521 BEF respectievelijk 575.000 BEF. C. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. S. T. is overleden tijdens de procedure, en meester B. is gedagvaard tot hervatting als curator van haar onbeheerde nalatenschap. Naar luid van het proces-verbaal van de zitting van 19 september 2001 heeft hij zich gedragen naar de wijsheid, en heeft hij verklaard dat er geen actief meer is in de nalatenschap. 3.
  7. De eerste rechter verklaarde de vordering ongegrond tegen B. en gedeeltelijk gegrond tegen C.. Hij kende provisies toe van 5.000 BEF en 10.000 BEF, en stelde een deskundige aan. 3.
  8. C. richt zijn hoger beroep tegen alle partijen, en herneemt zijn oorspronkelijk verweer. De zaak is ambtshalve weggelaten op 12 december 2005 en werd op vraag van de partijen B. opnieuw ingeschreven op 31 augustus
  9. De partijen B. concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep hernemen zij hun oorspronkelijke vordering (met omrekening van de bedragen in EUR). Ondergeschikt vragen zij (enkel in de overwegenden van hun conclusie) B. te veroordelen.
  10. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
  11. De ontvankelijkheid van het hoger beroep Zoals vermeld richt C. zijn hoger beroep tegen alle partijen, dus ook tegen B.. Tussen C. en B. bestond in eerste aanleg nochtans geen vordering, maar B. werpt niet op dat het hoger beroep tegen hem niet ontvankelijk is. Daarom kan ook het incidenteel hoger beroep van de partijen B. tegen B. beschouwd worden als ontvankelijk. Ook daartegen voert B. overigens geen verweer. 4.
  12. De grond van het hoger beroep C. laat gelden dat hij tijdens de feiten gehospitaliseerd was en dat hij zijn hond had ondergebracht bij zijn moeder, S. T., zodat zij en niet hij de bewaarder was van het dier in de zin van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek. De feiten zijn van 21 mei
  13. C. legt een verklaring voor van Dr. BECKER, handchirurg, naar luid waarvan C. geopereerd werd op 11 april 1988 en gedurende drie maanden niet kon zorgen voor zijn hond, en een verklaring van het ziekenhuis EDITH CAVELL, naar luid waarvan C. bij hen opgenomen was van 10 april 1988 tot 12 april
  14. T. heeft inderdaad verklaard aan de verbalisanten "dat ik in de maand mei 1988 de hond van mijn zoon thuis had". In de verklaring van mevrouw A. aan de verbalisanten wordt mevrouw T. ook aangeduid als de "eigenares-oppaster". Uit al deze elementen samen blijkt enkel dat C. de hond had ondergebracht bij zijn moeder om er voor te zorgen in de periode na zijn hospitalisatie. Hij had dus de materiële bewaring over de hond overgedragen. De beperkte opdracht om een tijdje voor de hond te zorgen impliceerde in de omstandigheden van de zaak echter niet dat hij de bewaring over de hond had overgedragen. Het blijkt niet dat mevrouw T. op het ogenblik van de feiten zonder inmenging van C. het dier leidde en het toezicht erover uitoefende, en dat zij dezelfde macht had als C. om het te gebruiken. Het feit dat C. zelf een verzekering voor de aansprakelijkheid voor de hond behield, bevestigt dit. De eerste rechter heeft dus terecht geoordeeld dat T. niet de bewaarder was van de hond, en dat C. als eigenaar gehouden is met toepassing van artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek. C. suggereert nog dat het slachtoffer een fout heeft begaan, maar levert daarvan niet het bewijs. Zijn bedenkingen over de mogelijkheid van plagerijen of het roepen naar de hond zijn gratuit. Ook de betwisting met betrekking tot het verband met de schade is niet ernstig. Het feit van de hondenbeet staat vast (ook mevrouw T. erkende dit voor de verbalisanten), en het lijkt waarschijnlijk dat een beet van een hond in de bil van een kind van 10 jaar schade veroorzaakt. Over de grootte van de schade kan betwisting bestaan, en daarvoor heeft de eerste rechter terecht een deskundige aangesteld. Ook in hoger beroep brengen de partijen B. geen stukken bij die toelaten een concrete raming van schade te maken, zodat er geen reden is om meer provisie toe te kennen dan de eerste rechter.
  15. De kosten Partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 200,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond. Zendt de zaak terug naar de eerste rechter met toepassing van artikel 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek. Veroordeelt C. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot - in hoofde van eerste tot en met vierde geïntimeerden op euro 200 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van vijfde geïntimeerde op euro 200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 2/2/10 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.