id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 09 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100209.7 Rolnummer: 2007AR1076 Rechtsgebied: Overige - Familierecht Invoerdatum: 2013-06-11 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 21:21 Fiche Noch het feit dat partijen een hele tijd feitelijk gescheiden leefde vooraleer een vordering tot echtscheiding in te stellen noch het feit dat partijen onderhandelingen hebben gevoerd in het kader van een EOT zijn uitzonderlijke omstandigheden die overeenkomstig artikel 1278 Ger.W. zouden toelaten geen rekening te houden met bepaalde goederen of schulden die verworven/aangegaan werden tijdens de periode dat partijen feitelijk gescheiden leefde. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling BURGERLIJK RECHT - ECHTSCHEIDING (NIEUW) - Gevolgen - Goederen Vrije woorden: Verffening-verdelin van gemeenschap na echtscheiding op grond van bepaalde feiten. Beperkte terugwerkende kracht van de ontbiding van de gemeenschap tot de datum waarop de feitelijke scheiding is ontstaan. Begrip 'uitzonderlijke omstandigheden'. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2007/AR/1079 INZAKE VAN : Mevrouw C.B., appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 december 2006, hebbende als raadsman Meester Steve VIJVERMAN, advocaat te 1853 STROMBEEK-BEVER, Luitberg 25/8, 1ste kamer TEGEN : De heer Rudi V., , geïntimeerde, hebbende als raadsman Meester Patrick VAN LEMBERGEN, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Gentsesteenweg 2, Artikel 1278, voorlaatste en laatste lid Ger. W. Noch het feit dat partijen een hele tijd feitelijk gescheiden leefde vooraleer een vordering tot echtscheiding in te stellen noch het feit dat partijen onderhandelingen hebben gevoerd in het kader van een EOT zijn uitzonderlijke omstandigheden die overeenkomstig artikel 1278 Ger.W. zouden toelaten geen rekening te houden met bepaalde goederen of schulden die verworven/aangegaan werden tijdens de periode dat partijen feitelijk gescheiden leefde. Gelet op de procedurestukken: • het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 december 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; • het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 16 april 2007; • de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 9 juni 2008; • de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 8 september
- Gelet op de neergelegde stukken door partijen. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen en de relevante feitelijke gegevens: 1.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 1.
- Samengevat komt het hierop neer dat partijen sedert mei 1993 samenwonen en sedert 15 juli 1994 gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel. Bij vonnis van 5 november 2002 werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en op 21 januari 2003 werd dit vonnis overgeschreven in de Registers van de Burgerlijke Stand te Tienen. In voornoemd vonnis werd notaris Leemans aangesteld teneinde over te gaan tot de onderscheiden verrichtingen m.b.t. de vereffening van de huwgemeenschap. 1.
- Op 28 november 2004 werd de staat van vereffening opgesteld gevolgd door een PV van beweringen en zwarigheden en het antwoord hierop van de instrumenterende notaris. De hierin vervatte geschillen werden vervolgens voorgelegd aan de rechtbank. De eerste rechter besliste dat er geen aanleiding bestond tot aanpassing van de staat van vereffening en verdeling opgesteld door notaris Leemans op 28 december 2004 met uitzondering van een rechtzetting van een materiële vergissing, hij homologeerde vervolgens die staat van vereffening en verzond de partijen terug naar de instrumenterende notaris met het oog op de verdere uitvoering ervan. 1.
- Appellante vraagt in hoger beroep het bestreden vonnis te hervormen wat de "Eu net" en "Qwest" aandelen betreft. Geïntimeerde vraagt bij wijze van incidenteel beroep de aangehouden peildatum te wijzigen. II. Bespreking: 2.
- Wat de peildatum betreft ( voorwerp van het incidenteel beroep ): 2.1.
- Geïntimeerde vraagt bij toepassing van artikel 1278, vijfde lid Ger.W. de peildatum voor de terugwerking van de vereffening en verdeling te bepalen op 20 juni 2000, zijnde de datum van de feitelijke scheiding. Noch het feit dat partijen een hele tijd feitelijk gescheiden leefde vooraleer een vordering tot echtscheiding in te stellen noch het feit dat partijen onderhandelingen hebben gevoerd in het kader van een EOT zijn uitzonderlijke omstandigheden die overeenkomstig artikel 1278 Ger.W. zouden toelaten geen rekening te houden met bepaalde goederen of schulden die verworven/aangegaan werden tijdens de periode dat partijen feitelijk gescheiden leefde. 2.1.
- Het standpunt van de instrumenterende notaris terzake dient dan ook gevolgd te worden wat de eerste rechter dan ook terecht beslist heeft. Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd. 2.
- Wat de aandelen "EU Net" en "Q West" betreft: 2.2.
- Appellante houdt voor dat geïntimeerde door tussenkomst van zijn werkgever en tijdens het huwelijk aandelen heeft bekomen van aanzienlijke waarde. Wat appellante poogt voor te houden is dat er meer aandelen in het bezit zouden zijn van geïntimeerde dan diegene die hij opgegeven heeft . 2.2.
- Het behoort aan appellante het bewijs te leveren van datgene wat ze voorhoudt. Uit geen enkel stuk kan zelfs maar afgeleid worden dat geïntimeerde bepaalde aandelen zou achterhouden. Desbetreffend stelt appellante zelf in haar conclusie dat zij enkel vreest dat geïntimeerde buiten haar toedoen zou hebben gehandeld. De eerste rechter heeft verder op pertinente wijze de stukken becommentarieerd die volgens appellante een bewijs zouden uitmaken van haar stelling. Het hof verwijst derhalve naar de argumentatie van de eerste rechter desbetreffend die integraal wordt overgenomen. Appellante legt in hoger beroep geen andere stukken neer dan deze die reeds neergelegd werden in eerste aanleg en reeds ten genoegen van recht becommentarieerd werden in het bestreden vonnis. Appellante heeft ruimschoots de tijd gehad om de nodige bewijzen te verzamelen. Van geïntimeerde kan niet verwacht worden dat hij een negatief bewijs levert, met name dat hij wel degelijk alle aandelen kenbaar heeft gemaakt. Er is dus geen grond voorhanden om appellante vooralsnog toe te laten het bewijs te leveren van haar beweringen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen. Er zijn evenmin redenen voorhanden om geïntimeerde te verplichten welk danige stukken ook neer te leggen. 2.2.
- De eerste rechter besliste dan ook terecht dat op dat punt de staat van vereffening evenmin diende aangepast te worden. 2.
- Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft: 2.3.
- Beide partijen vragen toepassing te maken van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft. Zij begroten deze terecht op 1.200 euro , zijnde het basistarief voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn. 2.3.
- Deze wordt ten laste van de massa gelegd. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Legt de kosten van hoger beroep ten laste van de massa, in hun geheel begroot - in hoofde van appellante op euro 1.386 (186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 1.200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 9/2/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div