id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 09 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100209.9 Rolnummer: 2005AR1110 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2013-06-11 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 21:22 Fiche De patiënt die aanvoert dat de arts niet aan zijn informatieplicht zou hebben voldaan moet het bewijs van deze tekortkoming leveren (artikel 1315 B.W. en 870 Ger. W.). De rechter vermag weliswaar te oordelen dat het bewijs van een negatief feit niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft te worden geleverd doch de rechter vermag niet om de bewijsplicht om te slaan en de arts de bewijsplicht op te leggen dat hij wel degelijk de nodige informatie heeft verstrekt. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de schuld BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Patiëntenrechten - Geïnformeerde instemming Vrije woorden: Medische aansprakelijkheid. Beweerde tekortkoming van doctor inzake zijn informateplicht. Bweijslast. Bewijsmiddelen. Vermoedens. Onderscheid inzake het negatief en positief bewijs. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2005/AR/1110 INZAKE VAN : De VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL, afgekort V.U.B., ACADEMISCH ZIEKENHUIS, waarvan de zetel gevestigd is te 1090 JETTE, Laarbeeklaan 101, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 maart 2005, vertegenwoordigd door Meester Luc BREWAEYS, advocaat te 1780 WEMMEL, de Limburg Stirumlaan 248, (ref. OMOB L 4483/02), 1ste kamer TEGEN : De heer A. B., wonende te geïntimeerde, niet verschijnende, noch iemand voor hem; IN AANWEZIGHEID VAN : De heer M. N., geneesheer, opgeroepen partij, vertegenwoordigd door Meester Luc BREWAEYS, advocaat te 1780 WEMMEL, de Limburg Stirumlaan 248, (ref. OMOB L 4483/02), De patiënt die aanvoert dat de arts niet aan zijn informatieplicht zou hebben voldaan moet het bewijs van deze tekortkoming leveren (artikel 1315 B.W. en 870 Ger. W.). De rechter vermag weliswaar te oordelen dat het bewijs van een negatief feit niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft te worden geleverd doch de rechter vermag niet om de bewijsplicht om te slaan en de arts de bewijsplicht op te leggen dat hij wel degelijk de nodige informatie heeft verstrekt.
- het hoger beroep: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 26 april 2005 heeft de VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL, Academisch Ziekenhuis (hierna "V.U.B.") hoger beroep ingesteld tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 maart 2005, waarbij de vordering van A. B. in de mate als gericht tegen Dr. M. N. ongegrond werd verklaard en waarbij alvorens recht te doen over de vordering van A. B. tegen de V.U.B., een geneesheer-deskundige werd aangesteld.
- de rechtspleging: Bij dagvaarding betekend op 24 augustus 2002 heeft A. B. zowel Dr. M. N. als de V.U.B. gedagvaard ten einde hun veroordeling in solidum te bekomen tot het betalen van de som van euro 1.000.000 en alvorens recht te doen een college van vier geneesheren (endocrinoloog, dermatoloog, pneumoloog en specialist diabetes) allen werkzaam bij confessionele Franstalige universiteiten of ziekenhuizen, met een nader omschreven opdracht. Voor het hof heeft A. B. conclusies neergelegd op 15 september 2006 waarbij hij de bevestiging van de bestreden beslissing vordert. De V.U.B. concludeerde op 25 januari 2007 tot "vernietiging in de mate dat werd beslist dat er sprake zou zijn van een gebrekkige informatie" en tot het ongegrond verklaren van de vordering in de mate als gericht tegen de V.U.B.. Dr. M. N. werd opgeroepen als "aanwezige partij", er werd door hem of tegen hem in graad van hoger beroep geen vordering gesteld. Hij is geen geïntimeerde. Hoewel A. B. bij schrijven van 8 mei 2009 werd opgeroepen voor de terechtzitting van 19 januari 2010, is deze niet verschenen. De rechtspleging, gesteund op artikel 747 § 2 Ger. W. is hem tegenstelbaar en het arrest wordt overeenkomstig dit artikel, op tegenspraak gewezen.
- de feiten: In oktober 1997 bood A. B. zich op consultatie aan in het AZ van de V.U.B. met klachten van excessief zweten ter hoogte van handpalmen en voeten; De voorgeschiedenis vermeldde diabetes mellitus en was verder banaal. De geneesheren stelden als diagnose "idiopathische hyperhidrosis palmaris an plantaris" en de indicatie voor thoracoscopische sympathicolyse werd weerhouden. A. B. werd voor verdere behandeling doorverwezen naar Dr. M. N.. Deze bevestigde de diagnose en stelde een behandeling voor door middel van thoracoscopische sympathicolyse. De ingreep - die probleemloos verliep - werd uitgevoerd op 19 februari
- Na een tijd beklaagde A. B. zich over compensatoir zweten op buik en rug. Er werd een lokale behandeling met medicijnen voorgeschreven met doorverwijzen naar de dienst dermatologie.
- bespreking: De V.U.B. houdt voor dat de ingreep zelf totaal foutloos is geschied, A. B. brengt geen enkele indicatie bij dat er enige fout zou begaan zijn, er wordt dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er een fout zou zijn begaan. A. B. verwijt de V.U.B. dat een fout werd begaan doordat hij naar beweren niet afdoende werd ingelicht omtrent de nevenwerking dat een behandeling van het overmatig zweten op handpalmen en voetzolen, gepaard gaat of gepaard kan gaan met compensatoir bovenmatig zweten op andere plaatsen van het lichaam. De V.U.B. houdt voor dat A. B. hieromtrent voorafgaand aan de ingreep werd ingelicht. De patiënt die aanvoert dat de arts niet aan zijn informatieplicht zou hebben voldaan moet het bewijs van deze tekortkoming leveren (artikel 1315 B.W. en 870 Ger. W.). De rechter vermag weliswaar te oordelen dat het bewijs van een negatief feit niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft te worden geleverd doch de rechter vermag niet om de bewijsplicht om te slaan en de arts de bewijsplicht op te leggen dat hij wel degelijk de nodige informatie heeft verstrekt (vgl. Cass. 16 december 2004, R.W. 2004-2005, 1553). A. B. maakt de bewering als zouden de artsen van het Academisch Ziekenhuis van de V.U.B., de patiënt niet voorafgaand hebben ingelicht over mogelijke neveneffecten van de ingreep die het overmatig zweten ter hoogte van handpalmen en voetzolen inperkte, niet aannemelijk. De vordering is niet gegrond. Een deskundig onderzoek kan daaraan geen afbreuk doen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Hervormt het bestreden vonnis in de mate dat het een deskundig onderzoek heeft gelast en de zaak heeft aangehouden, opnieuw recht doende wat deze punten betreft, verklaart de vordering van A. B. ongegrond in de mate als tegen de V.U.B. gericht; Veroordeelt A. B. tot de kosten van beide aanleggen, begroot - in hoofde van hemzelf op euro 2.804,22 (153,18 + 169,14 dagvaardingen + 82,00 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 1.200 rechtsplegingsvergoeding beroep), en - in hoofde van AZ VUB en N. op euro 2.586 ( 1.200 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding beroep). Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 9/2/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, M. BOSMANS, Raadsheer, M. DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE M. BOSMANS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div