id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 01 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100301.1 Rolnummer: 2007AR3028 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-08 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Fiche Verkrijgende verjaring op grond van dertigjarig bezit Hij die zijn eigendomsrecht wil bewijzen op grond van dertigjarig bezit heeft de bewijslast ervan. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Duur - Algemene verjaringstermijnen - 30-jaar zakelijke vorderingen Vrije woorden: Bewijs van eigendomsrecht op basis van dertigjarige verjaring wegens dertig jaar deugedelijk bezit. Bewijslast (artikel 1315 BW en artikel 870 Ger. W.). Dubbelzinnig bezit. Bewijs van bezit in hoofde van een rechtsvoorganger. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2007/AR/3028 INZAKE VAN : 1) De heer F. B., 2) De heer L. B., 3) De heer R. B., appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 september 2007, de eerste en derde in persoon verschijnende, alle vertegenwoordigd door Meester CAUWELIER loco Meester Erik VANDER E.T, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Vilvoordelaan 10, 1ste kamer TEGEN : 1) De heer L. B., , 2) Mevrouw E. V., weduwe van wijlen G. B., optredend in eigen naam en in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger over haar drie minderjarige kinderen R., D. en J. B., wonende te 3) De heer R. B., wonende te geïntimeerden, de eerste en derde in persoon verschijnende, alle vertegenwoordigd door Meester Febian APS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Ambachtenlaan 6,
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 13 september
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " Eisers [appellanten] zijn de zonen van wijlen J.-F. B., overleden op 3 december 1973; Uit het huwelijk van J.-F. B. werd nog een vierde zoon geboren, te weten, L. B., dewelke is overleden op 19 september 2004; Eerste en derde verweerders [geïntimeerden] zijn de zonen van L. B., tweede verweerster [geïntimeerde] is de echtgenote van G. B., derde zoon van L. B. eveneens overleden; De vordering van eisers, zoals in fine in besluiten gesteld strekt ertoe de schenking, gedaan door L. B. van een perceel grond, gelegen aan de T.laan te S. nietig te doen verklaren, ondergeschikt de schenking gedeeltelijk nietig te horen verklaren en te horen zeggen voor recht dat eisers elk voor 1/4 eigenaars zijn van het desbetreffende perceel grond, terwijl verweerders elk voor 1/12 eigenaars zijn; Verweerders besluiten tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vorderingen van eisers; De litigieuze schenkingsakte werd verleden op 13 mei 2004 voor het ambt van notaris Guy JANSEN; Bij deze akte schenkt wijlen L. B. het perceel grond, gelegen te Z. T.laan, gekadastreerd wijk B nummer 128/c, met een oppervlakte van 10 are en 13 centiaren aan zijn zonen, L., G. en R. B.; Wat de oorsprong van de eigendom betreft vermeldt de schenkingsakte : " De schenker verklaart eigenaar te zijn van voorschreven goed om er sedert meer dan dertig jaar het voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar van te hebben" ... ; " Partijen kwamen niet tot een minnelijke oplossing, en appellanten dagvaardden.
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Het onderwerp van de vordering voor de eerste rechter is hierboven weergegeven. 3.
- De eerste rechter verklaarde de vordering van appellanten ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde hen tot betaling van de kosten. 3.
- In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijke vordering. Ondergeschikt voegen zij daaraan de vordering toe te zeggen voor recht dat F. B. voor de helft eigenaar is van het onroerend goed en de schenking overeenkomstig nietig te verklaren.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
- De ontvankelijkheid van het hoger beroep Geïntimeerden concluderen tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, maar ontwikkelen geen middel dat daartoe strekt. Het hof ziet er geen dat ambtshalve aan te voeren is. 4.
- De grond van het hoger beroep Over de ontvankelijkheid van de vordering wordt geen betwisting meer gevoerd. Uit de bijlage bij de dagvaarding blijkt dat is voldaan aan artikel 3 van de Hypotheekwet. De eerste rechter verklaarde de vordering ongegrond op de overweging dat appellanten zich beroepen op eigendomsrechten op grond van dertigjarige verjaring maar niet het bewijs daarvan leveren. De eerste rechter beklemtoonde terecht dat appellanten als eisende partijen de bewijslast dragen van wat zij aanvoeren (artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek). Het klopt dat appellanten niet het bewijs leveren dat zij op 13 mei 2004 eigenaar waren als gevolg van een verkrijgende verjaring van het perceel in hunnen hoofde op grond van ongestoord en niet dubbelzinnig bezit te goeder trouw gedurende dertig jaar. De verklaringen die zij bijbrengen bewijzen alleen dat F. B. het goed ook heeft bewerkt, maar dat volstaat niet als bewijs van ongestoord en niet dubbelzinnig bezit te goeder trouw in hoofde van F. B., laat staan in hoofde van de overige appellanten. Appellanten zetten weliswaar uiteen en geïntimeerden betwisten niet dat de grond eigendom is geweest van hun grootmoeder en dat hun vader, J.-F. B., zich heeft gedragen als eigenaar, maar zij steunen hun eigendomsaanspraken niet op hun rechten als erfgenaam. Dat zou ook moeilijk kunnen. In de aangifte van de nalatenschap van 16 augustus 1984 hebben de erfgenamen (de kinderen en hun moeder) verklaard dat hun vader bij testament de grond had willen legateren aan zijn kleinkinderen M. en J.-M. B., maar dat dit legaat niet uitvoerbaar was bij gebrek aan bewijs van eigendom van hun vader, en dat ze de grond daarom ook niet opnamen in de aangifte. Op deze wijze is het legaat onuitgevoerd gebleven, maar kunnen appellanten zich ook niet beroepen op de rechten van hun vader. De getuige C., die volgens haar verklaring van 1972 tot november 1985 bediende was bij de notaris voor wie de aangifte werd opgesteld, stelt dat de vier broers overeengekomen waren om het perceel samen te beheren en met twee broers te bewerken (stuk 13 van appellanten). Die verklaring kan echter uiteraard niet gelden als bewijs van een dergelijke overeenkomst (artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek). De vordering is dus ongegrond, en het hoger beroep ook.
- De kosten Partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering 1.200,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt appellanten tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van henzelf op euro 1.386 (186 rolrecht + 1.200 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerden op euro 1200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 1/3/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : M. DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div