id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 01 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100301.13 Rolnummer: 2007AR1997 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2013-06-13 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Fiche Krachtens artikel 807 Ger. W. van het Gerechtelijk Wetboek, kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Voormeld artikel is, krachtens artikel 1042 Ger. W. van toepassing in hoger beroep. Uit deze artikelen volgt niet dat de uitbreiding van de vordering in hoger beroep aan bijkomende voorwaarden is onderworpen. Verjaring. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis - Wijziging eis GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Voorwaarden hoger beroep BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Verjaring schuldvordering op de Staat Vrije woorden: Vordering. Uitbreiding. In hoger beroep. Impact van de verjaring van vorderingen jegens de Staat (art. 100). Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2007/AR/1997 INZAKE VAN : De VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Onderwijs en Vorming, wiens kabinet gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 15, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 april 1999, vertegenwoordigd door Meester GILLARD loco Meester Stijn BUTENAERTS,, advocaat te 1080 BRUSSEL, Leopold II-laan 180, 1ste kamer TEGEN : Mevrouw A. C., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Didier VAN DE KEERE, advocaat te 9000 GENT, Oude Houtlei 129 B, Krachtens artikel 807 Ger. W. van het Gerechtelijk Wetboek, kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Voormeld artikel is, krachtens artikel 1042 Ger. W. van toepassing in hoger beroep. Uit deze artikelen volgt niet dat de uitbreiding van de vordering in hoger beroep aan bijkomende voorwaarden is onderworpen. Verjaring. _______________________________________________________ 1. het hoger beroep: Bij verzoekschrift dat op 20 december 1999 ter griffie van het hof werd neergelegd, heeft de VLAAMSE GEMEENSCHAP hoger beroep ingesteld tegen een vonnis dat op 16 september 1999 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, vonnis waarbij de vordering van A. C. ontvankelijk en gegrond werd verklaard. Er wordt geen akte van betekening voorgelegd. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn. 2. de feiten: A. C. is op 1 september 1975 in dienst getreden als paramedisch werkster, verbonden aan het PMS-centrum van het Rijksonderwijs te Gent 1. Met ingang van 1 september 1985 bekwam zij een bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar. Op 13 juli 1995 vroeg zij een "verlof zonder wedde" aan, zijnde een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voor de periode van 1 september 1995 tot 21 september 1995, aanvraag die op 31 augustus 1995 door de VLAAMSE GEMEENSCHAP werd goedgekeurd. Na deze terbeschikkingstelling hervatte eiseres haar opdracht
(19u)zoals voorheen. De (netto-)wedde die zij van de VLAAMSE GEMEENSCHAP ontving bedroeg sindsdien 8 310 BEF per maand minder dan voor de onderbreking van haar activiteit van 1 tot 21 september
- De administratie van de VLAAMSE GEMEENSCHAP, daarin bijgetreden door de Minister van Onderwijs, stelde dat aan het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar - krachtens hetwelk A. C. op basis van het KB nr 297 van 31.3.1984, naast de wedde voor de halftijdse prestatie, kon genieten van "één vierde van de wedde of weddetoelage die verschuldigd zou zijn voor de bezoldigde prestaties van het hoofdambt die niet meer worden verstrekt" - een einde is gekomen door de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden. Na afloop van deze terbeschikkingstelling werd A. C. uitgenodigd om met de geëigende documenten PERS2 (wijziging opdracht) een nieuwe aanvraag in te dienen voor het bekomen van een verlof of afwezigheid verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar op basis van het Besluit van de Vlaamse Regering van 26.4.1990, statuut dat niet meer voorziet in de vroegere weddeverhoging bij verminderde prestaties. A. C. betwist dat haar terbeschikkingstelling van 1 tot 21 september 1995 tot gevolg heeft dat zij het genot van "één vierde van de wedde of weddetoelage die verschuldigd zou zijn voor de bezoldigde prestaties van het hoofdambt die niet meer worden verstrekt" definitief verliest, en vordert de veroordeling van de VLAAMSE GEMEENSCHAP tot herstel en uitbetaling van dit voordeel.
- de rechtspleging: 3.
- Ter zitting van 29 september 1997 zijn A. C. en de VLAAMSE GEMEENSCHAP vrijwillig verschenen voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. A. C. vorderde voor recht te horen zeggen "dat er geen wijziging van haar statutaire toestand werd teweeggebracht door het nemen van het verlof wegens persoonlijke aangelegenheden en dat zij blijft genieten van de voordelen van het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar dat haar werd toegekend met ingang van 1 september 1985". Zij vorderde dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP zou veroordeeld worden om haar het betwiste deel van de wedde, zijnde netto 8.310 BEF per maand sinds mei 1996, te betalen. De VLAAMSE GEMEENSCHAP vorderde de afwijzing van de vordering. 3.
- Het bestreden vonnis heeft de vordering als volgt gegrond verklaard: "De rechtbank zegt voor recht dat door de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden er geen wijziging werd teweeggebracht aan het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar dat aan eiseres werd toegekend met ingang van 1 september 1985 en dat zij blijft genieten van de voordelen van dit bijzonder verlof; De rechtbank veroordeelt dienvolgens de VLAAMSE GEMEENSCHAP tot het betalen van het betwiste deel van de wedde van eiseres, zijnde netto 8 310 BEF per maand sinds mei
- De VLAAMSE GEMEENSCHAP wordt verwezen in de gerechtskosten, in hoofde van elk der partijen begroot op 12.600 BEF rechtsplegingsvergoeding." 3.
- Voor het hof vordert A. C. dat het bestreden vonnis zou bevestigd worden, "mits volgende toevoegingen ingevolge de uitbreiding en wijziging door (A. C.) van haar oorspronkelijke vordering welke tevens ontvankelijk en gegrond wordt verklaard: • (de VLAAMSE GEMEENSCHAP) te veroordelen tot het betalen aan (A. C.) van de netto bedragen die beantwoorden aan de bruto bedragen, onder aftrek van de bedrijfsvoorheffing en de bijdragen voor de sociale zekerheid, van het vanaf 22.09.1995 tot 30.09.1996 ingehouden en niet-betaalde gedeelte van de wedde welke zij voorheen genoot en waarop zij was gerechtigd, meer de wettelijke (en de gerechtelijke) interesten vanaf de gemiddelde datum van 1 april 1996 tot aan de datum van de effectieve betaling; • tevens aan (A. C.) nog een voorbehoud te verlenen voor het vorderen van achterstallige pensioenbedragen waarop zij eventueel gerechtigd is ingevolge de hiervoor bevolen regularisatie van de betaling van haar wedde voor de hiervoor vermelde periode;" De VLAAMSE GEMEENSCHAP vordert: "Voor recht te horen zeggen dat de eisuitbreiding van geïntimeerde bij conclusie dd. 12 oktober 2007 aangaande de gevorderde interesten en het gevorderde voorbehoud voor achterstallige pensioenbedragen onontvankelijk is wegens verjaring. Dienvolgens het bestreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel dd. 16 september 1999 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde indien ontvankelijk, ongegrond te verklaren. Dienvolgens voor recht te verklaren dat (de VLAAMSE GEMEENSCHAP), conform de statutaire bepalingen wettelijk heeft geoordeeld dat geïntimeerde na de periode van ter beschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden niet meer kon genieten van het niet meer bestaande stelsel van bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar. Ondergeschikt te oordelen dat het gevorderde voorbehoud voor achterstallige pensioenbedragen in elk geval ongegrond is. Geïntimeerde te veroordelen in betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen met inbegrip van rechtsplegingsvergoedingen."
- bespreking: 4.
- de initiële vordering: Het KB nummer 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra verleende onder meer aan de personeelsleden van de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de psycho-medisch-sociale centra (art.1) de mogelijkheid om vanaf de leeftijd van 50 jaar hun ambt met verminderde prestaties uit te oefenen volgens de hierna bepaalde voorwaarden (art. 11 §1) : "1° zij verrichten prestaties die ten minste de helft van de duur van de volledige prestaties die normaal voor het door hen uitgeoefende ambt bepaald zijn, bedragen; 2° tijdens hun afwezigheid mogen zij geen winstgevende bedrijvigheid uitoefenen; 3° zij blijven de wedde of weddetoelage ontvangen voor deze verminderde prestaties, vermeerderd met één vierde van de wedde of weddetoelage die verschuldigd zou zijn voor de bezoldigde prestaties van het hoofdambt die niet meer worden verstrekt." Blijkens het `Verslag aan de Koning' streefde dit besluit onder meer de bevordering van de deeltijdse arbeid na. Met effect vanaf 1 september 1985 verkreeg A. C. op 51-jarige leeftijd (°05.06.1934) deze regeling. Artikel 2 § 3 van het Besluit van de Vlaamse regering van 26 april 1990 voorziet een mogelijkheid om personeelsleden er op hun aanvraag toe te machtigen hun ambt uit te voeren volgens een regeling van verminderde prestaties wegens sociale of familiale redenen. Artikel 8 van dit besluit bepaalt welke personeelsleden een beroep kunnen doen op het regime van afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden. Het betreft onder meer (§ 2 van het artikel 8) "de personeelsleden die de leeftijd van vijftig jaar bereikt hebben en de personeelsleden die ten minste twee kinderen niet ouder dan veertien jaar ten laste hebben, (...) (zij kunnen) op hun aanvraag, ertoe gemachtigd worden hun ambt uit te oefenen volgens de regeling van de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid". Deze nieuwe regeling vervangt in principe de regeling zoals deze bestond overeenkomstig het KB nummer 297 van 31 maart
- Artikel 4 van het Besluit van 26 april 1990 bepaalt, dat wie overeenkomstig de nieuwe regeling verkiest om deeltijds te werken, maar deeltijds zal betaald worden. Artikel 12 § 2 van hetzelfde besluit regelt de bezoldigingsregeling voor de afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid. Volgens de VLAAMSE GEMEENSCHAP brengen deze nieuwe regels "aldus een (impliciete) wijziging aan aan artikel 11, § 3, 3° van het Koninklijk Besluit nr. 297 dat de weddetoelage vaststelt van de personeelsleden die genoten van het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van vijftig jaar". De VLAAMSE GEMEENSCHAP houdt voor dat "vanaf de inwerkingtreding van het Besluit van 26 april 1990 het verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar is opgehouden te bestaan". De bijzondere regeling (van KB nr 297) bleef dus enkel bij wijze van overgangsmaatregel bestaan. De VLAAMSE GEMEENSCHAP verwijst hiervoor naar de overgangsbepaling van artikel 17 van het Besluit van de Vlaamse regering van 26 april
- Dit artikel bepaalt dat de personeelsleden die op grond van de bepalingen van het KB nummer 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de psycho-medische-sociale centra, een bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van vijftig jaar bekomen hebben, van dit verlof kunnen blijven genieten onder de voorwaarden waaronder het laatst werd toegekend. Bij een wijziging in hun toestand kunnen deze personeelsleden het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar blijven genieten indien zij meer lesuren of uren presteren dan op de dag van de inwerkingtreding van het besluit. Dit besluit heeft uitwerking vanaf 1 september
- A. C. bleef dus ook na 1 september 1989 verder het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van vijftig jaar genieten onder de voorwaarden waarin het haar bij besluit van 9 juli 1985 was toegekend. De VLAAMSE GEMEENSCHAP laat evenwel gelden dat, doordat A. C. op 13 juli 1995 een aanvraag deed om voor de periode van 1 tot 21 september 1995 terbeschikkingstelling te bekomen wegens persoonlijke aangelegenheden (periode gedurende dewelke zij geen wedde ontving), zij door te opteren voor een maatregel uit de nieuwe regeling (zoals ingesteld door het Besluit van 26 april 1990) een einde heeft gesteld aan haar statutaire toestand van verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar om reden dat een personeelslid niet tegelijk onder twee wettelijke regimes kan vallen Ofwel geniet A. C. volgens de VLAAMSE GEMEENSCHAP van het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar, ofwel is zij ter beschikking gesteld wegens persoonlijke aangelegenheden. De VLAAMSE GEMEENSCHAP laat gelden dat nu de toestand, waarvan A. C. sedert 1 september 1985 genoot, geregeld is door een overgangsbepaling met effect op de datum van inwerkingtreding (1 september 1989), deze toestand nooit kon herleven na 21 september 1995 (datum waarop de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden een einde nam). De VLAAMSE GEMEENSCHAP benadrukt dat de overgangsregeling geen mogelijkheid tot schorsing voorziet. Zij leidt hieruit af dat A. C. na 21 september 1995 niet meer kon genieten van het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar en dat zij dienvolgens geen aanspraak meer kon maken op de extra bezoldiging van één vierde van de wedde die verschuldigd zou zijn voor prestaties die niet meer worden verstrekt (zie artikel 11 §1 3° van het K.B. nr. 297 van 31 maart 1984). Deze bezoldigingen werden ingehouden op de wedde van A. C.. Ten onrechte houdt de VLAAMSE GEMEENSCHAP voor dat A. C. van administratieve toestand wijzigde enkel doordat het bijzonder verlof voor verminderde prestaties wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit daar waar de terbeschikkingstelling geen dienstactiviteit is en het Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs slechts drie administratieve standen kent te weten dienstactiviteit, non-activiteit of terbeschikkingstelling. Om haar toestand van ‘dienstactiviteit' naar ‘terbeschikkingstelling' te wijzigen diende A. C. zich minstens klaar en duidelijk bewust te zijn dat haar aanvraag van 13 juli 1995 dergelijk gevolg zou hebben. Uit geen enkel element van het dossier blijkt zulks. Een personeelslid dat op basis van een bestaande regelgeving een tijdelijke terbeschikkingstelling (van drie weken) aanvraagt, dewelke haar door het bestuur wordt toegestaan zonder enige bijkomende informatie, inzonderheid zonder de mededeling dat deze schorsing van de dienstactiviteit tot gevolg zal hebben dat het voordeel van het sedert 1 september 1985 bestaande regime onherroepelijk zal ongedaan gemaakt worden, mag er geredelijk van uitgaan dat deze zeer tijdelijke schorsing (ingevolge artikel 194 van het Koninklijk Besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medische-sociale centra, van de gespecialiseerde Rijks-psycho-medische-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiediensten belast met het toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medische-sociale centra) niet van aard is om haar statuut te wijzigen en de verworven rechten ongedaan te maken. De VLAAMSE GEMEENSCHAP aanvaardt dat de schorsing in de statutaire toestand van A. C. niet is ingetreden ingevolge artikel 2 § 3 van het Besluit van de Vlaamse regering van 26 april 1990 of van artikel 8 van dit besluit doch wel ingevolge het KB van 27 juli
- Dit KB dateert van vóór de initiële regeling van het KB nummer 297 van 31 maart
- Er blijkt niet dat A. C. een verzoek heeft gedaan overeenkomstig de artikelen 2 en 8 van het Besluit van 26 april
- Het voorgelegde document (stuk 2 uit het dossier van de VLAAMSE GEMEENSCHAP) verwijst niet naar het Besluit van 26 april 1990 doch wel naar een KB van 22 maart 1969 en een KB van 25 oktober
- Er blijkt dan ook uit geen enkel stuk waarop het hof vermag acht te slaan dat A. C. een wijziging aan haar statuut zou hebben aangevraagd of dat zij er ooit zou kennis hebben van kunnen krijgen dat door het onderschrijven van de aanvraag van 13 juli 1995 de overgangsmaatregel zou vervallen. Na afloop van de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden vulde A. C. op 22 september 1995 de formulieren PERS2 en PERS3 in, respectievelijk voor `kennisgeving opdrachten' en `begin/einde dienstonderbreking' (stuk 4 dossier van geïntimeerde). In het document PERS2 werd vermeld als opmerking "Einde van TBS persoonlijke aangelegenheden (gekregen van 01-09-1995 tot en met 21-09-
- Voorgaande opdracht: bijzonder verlof voor verminderde prestaties 50 j. PERS3 reeds ingestuurd"; in het document PERS3 werd het vakje `Dienstherneming na onderbreking' aangekruist. Uit de voorliggende gegevens kan niet worden geconcludeerd dat het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van vijftig jaar overeenkomstig de voorwaarden waarin het in 1985 was toegekend een einde zou hebben genomen door de aanvraag van terbeschikkingstelling gedurende de periode van 1 tot 21 september
- De formulering van zowel de regelgeving als van de door de personeelsleden bij hun aanvragen in te vullen formulieren (cfr. aanvraag terbeschikkingstelling, PERS2 en PERS3) doet blijken dat de opdracht, in casu de halftijdse tewerkstelling van A. C., enkel zeer tijdelijk onderbroken wordt en zondermeer in dezelfde voorwaarden herneemt na de periode van terbeschikkingstelling. Bovendien bepaalde artikel 12 van het KB nr 297 van 31 maart 1984, op basis waarvan het bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van vijftig jaar was toegekend, dat het personeelslid een einde kan stellen aan dit verlof voor verminderde prestaties de eerste dag van een schooljaar mits een opzegging die moet worden gegeven voor 15 maart. Een dergelijke opzeg is door A. C. nooit gegeven. Al deze elementen tonen aan dat het verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van 50 jaar waarvan A. C. genoot sedert 1 september 1985, niet ten einde is gekomen door de korte onderbreking van 1 tot 21 september 1995 gedurende de welke A. C. terbeschikkingstelling zonder wedde heeft bekomen, doch dat integendeel haar statuut (verlof voor verminderde prestaties...) gedurende deze korte periode werd geschorst om opnieuw volle gelding te verkrijgen vanaf 22 september 1995 en dit overeenkomstig de overgangsbepalingen van het Besluit van 26 april
- In elk geval vergen de regels van behoorlijk bestuur dat de regelgeving, in de mate dat zij door de VLAAMSE GEMEENSCHAP vatbaar zou geacht worden voor een andere uitleg - quod non - zoals hiervoor gesteld worden uitgelegd. De overheid is ertoe gehouden om de regels die het statuut van het personeel betreffen zodanig op te stellen en zondanig uit te leggen, dat het personeel klaar en duidelijk geïnformeerd wordt over de pecuniaire gevolgen van een aanvraag, dat wanneer een opzeg bij besluit voorzien wordt en deze opzeg is niet gegeven, er geen verzaking aan een verkregen statuut aan het personeelslid kan opgelegd worden en dat een zeer tijdelijke schorsing (van 3 weken) zonder wedde waarbij niet wordt verwezen naar de besluiten waarop het bestuur zich achteraf steunt maar wel naar besluiten die dateren van voordat de regel die het statuut van het personeelslid bepaalt, van kracht was, niet tot gevolg kan hebben dat het personeelslid van statuut zou veranderen zonder dat het personeelslid zich hiervan bewust kon zijn - en zonder dat de documenten die het personeelslid heeft onderschreven op enigerlei wijze refereren naar de regelgeving van 26 april 1990 die andere pecuniaire gevolgen heeft voor het personeel dan de besluiten die vermeld staan op de documenten en formulieren die het personeelslid heeft onderschreven. De sanctie van de niet naleving van een regel van behoorlijk bestuur bestaat er in (sanctie in natura) dat het gevolg dat door de VLAAMSE GEMEENSCHAP wordt gewild (dit is het feit dat A. C. van het voordeel van het KB nr 297 van 31 maart 1984 zou vervallen zijn vanaf 22 september 1995) niet wordt verleend doch wordt vervangen door het gevolg dat - mits behoorlijk bestuur - aan de tijdelijke terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden moet voorbehouden worden, te weten het terugvallen vanaf 22 september 1995 in de vóór 1 september 1995 bestaande statutaire toestand. Het hoger beroep is dienvolgens niet gegrond. 4.
- de uitbreiding van de vordering: Voor het hof breidt A. C. haar vordering uit. De VLAAMSE GEMEENSCHAP houdt voor dat deze uitbreiding niet toelaatbaar zou wegens verjaring zoals voorzien in artikel 100, lid 1 van het KB van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit (voorheen artikel 1, lid 1 van de wet van 6 februari 1970). De toepasselijkheid van deze bijzondere verjaring, is niet vatbaar voor betwisting. Evenwel is deze verjaring alhier niet toepasselijk om reden dat A. C. geen nieuwe eisen stelt die niet virtueel begrepen zijn in de oorspronkelijke vordering, doch dat zij integendeel, op basis van artikel 807 Ger. W., haar oorspronkelijke vordering uitbreidt. Krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Voormeld artikel is, krachtens artikel 1042 van hetzelfde wetboek, van toepassing in hoger beroep. Uit deze artikelen volgt niet dat de uitbreiding van de vordering in hoger beroep aan bijkomende voorwaarden is onderworpen (vgl. Cass. 28 november 2008, www.cass.be op datum, arrest nr C.07.0301.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081128.5). A. C. vordert dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP zou veroordeeld worden tot het betalen van de netto bedragen (die beantwoorden aan de bruto bedragen, onder aftrek van de bedrijfsvoorheffing en de bijdragen voor de sociale zekerheid) van het vanaf 22.09.1995 tot 30.09.1996 ingehouden en niet-betaalde gedeelte van de wedde welke zij voorheen genoot en waarop zij was gerechtigd, meer de wettelijke (en de gerechtelijke) interesten vanaf de gemiddelde datum van 1 april 1996 tot aan de datum van de effectieve betaling. Zij vordert tevens dat haar nog een voorbehoud zou verleend worden voor het vorderen van achterstallige pensioenbedragen waarop zij eventueel gerechtigd is ingevolge de hiervoor bevolen regularisatie van de betaling van haar wedde voor de hiervoor vermelde periode. Deze vorderingen zijn accessoir aan de initiële vordering. A. C. vordert dat de gevolgen van de administratieve beslissing om een deel van haar loon in te houden vanaf 22 september 1995, ongedaan zouden gemaakt worden. Deze vordering kadert in de feiten en vorderingen zoals in de initiële akte van rechtsingang omschreven te weten het ongedaan maken van de pecuniaire negatieve gevolgen voor A. C. van de maatregel om haar het voordeel van het statuut van bijzonder verlof voor verminderde prestaties vanaf de leeftijd van vijftig jaar, te ontzeggen. Overigens, wie een nettoloon vordert is gerechtigd in de loop van de rechtspleging te vorderen dat de brutolonen zouden betaald worden omwille van de fiscale en sociale zekerheidsrechten die gepaard gaan met de betaling van een loon of een vervangloon. Wie een loon vordert is evenzo gerechtigd om een voorbehoud te formuleren voor de implicatie van het te weinig betaalde (en opgevorderde) loon op de samenstelling en berekening van de pensioenrechten. Deze vorderingen doen niets meer dan de oorspronkelijke vordering uit te breiden, zij zijn virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen. De uitbreiding van de vordering is gegrond.
- de kosten: De procespartijen verduidelijken niet welke de correcte en finale afrekening is van de gevorderde bedragen. Het hof vermag aldus niet na te gaan in welke schijf - volgens de principes van artikel 2 van het KB van 26 oktober 2007 - de vordering zich situeert. In de mate dat geen concreet bedrag wordt gevorderd, doch een veroordeling naar principes, moet aanzien worden dat het voorwerp van de vordering - zoals het door de procespartijen bij conclusies is omschreven (beschikkingsbeginsel) niet in geld waardeerbaar is, derwijze dat artikel 3 van voornoemd KB dient toegepast te worden en de basisvergoeding op euro 1.200 moet bepaald worden. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Verklaart de uitbreiding van de vordering ontvankelijk en gegrond, Voegt aan het dictum van het bestreden vonnis toe: • veroordeelt de VLAAMSE GEMEENSCHAP tot het betalen aan A. C. van de netto bedragen die beantwoorden aan de bruto bedragen, onder aftrek van de bedrijfsvoorheffing en de bijdragen voor de sociale zekerheid, van het vanaf 22.09.1995 tot 30.09.1996 ingehouden en niet-betaalde gedeelte van de wedde welke zij voorheen genoot en waarop zij was gerechtigd, plus de wettelijke en de gerechtelijke interesten vanaf de gemiddelde datum van 1 april 1996 tot aan de datum van de effectieve betaling; • verleent aan A. C. een voorbehoud voor het vorderen van achterstallige pensioenbedragen waarop zij eventueel gerechtigd is ingevolge de hiervoor bevolen regularisatie van de betaling van haar wedde voor de hiervoor vermelde periode; Veroordeelt de VLAAMSE GEMEENSCHAP tot de kosten van het hoger beroep, vereffend - in hoofde van de VLAAMSE GEMEENSCHAP op euro 1.571,92 ( 185,92 rolrecht 1999/AR/3335 + 186 rolrecht 2007/AR/1997 + 1.200 rechtsplegingsvergoeding, en - in hoofde van A. C. op euro 1.200 rechts-plegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 1/3/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Marc BOSMANS, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE M. BOSMANS A. DE PREESTER Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081128.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div