← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100310.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 10 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100310.1 Rolnummer: 2010AR127 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-18 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-07-02 21:33 Fiche Het instellen van een cassatieberoep - dat geen schorsende werking heeft op de uitvoerbaarheid van de beslissing van het hof van beroep - kan niet als onmogelijkheid in de zin van artikel 1385quinquies Ger. W. in aanmerking komen.Het instellen van een Cassatieberoep brengt immers op zich niet mee dat de bevolen herstelmaatregel niet zal worden gehandhaafd . Precies in de nasleep van het arrest HAMER heeft het Hof van Cassatie overwogen dat de appelrechters wettig konden oordelen dat de procedure die hangende was voor het Hof voor de Rechten van de Mens, er niet aan in de weg stond dat de veroordeelde zou overgaan tot het bevolen herstel en dat deze hangende procedure derhalve in zijne hoofde geen tijdelijke of gehele onmogelijkheid uitmaakt om aan de hoofdveroordeling te voldoen . UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - DWANGSOM - Opheffing, vermindering Vrije woorden: Dwangsom. Artikel 1385quiquies Ger. W. Begrip 'gehele of geldeeltelijke onmogelijkheid'. Indienen van een cassatieberoep. Indienen van een procedure bij het E.H.R. M. : geen schorsende invloed op de uitvoering van het arrest van het Hof van beroe. Artikel 211bis Sv: herstelmaatregel. Draagwijdte van het arrest Hamer van het EHRM 27/11/2007 en van Cass. 6 januari

  1. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Artikel 1395quinquies Wetboek van Strafvordering - artikel 211bis Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2010/AR/127 INZAKE VAN : 1) De heer L. S., en zijn echtgenote 2) Mevrouw A. SI., wonende te appellanten, vertegenwoordigd door Meester Koen DE PUYDT, advocaat te 1080 BRUSSEL, Steenweg op Ninove153, 1ste kamer TEGEN : 1) De STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VAN DE AFDELING RUIMTELIJKE ORDENING, HUISVESTING EN MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN VOOR DE PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3000 LEUVEN, Blijde Inkomststraat 105, woonstkiezende op het administratief kantoor van Gerechtsdeurwaarders Peter Dedroog en Jozef Heylen, te 3000 LEUVEN, Maria Theresiastraat 101, 2) Mevrouw A. F., wonende te 3) 4) De PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, Gerechtsgebouw, te 1000 BRUSSEL geïntimeerden, niet verschijnende, noch iemand voor hen;
  2. Bij exploot van 14 januari 2010 hebben L. S. en A. SI. de Stedenbouwkundige Inspecteur van de Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen voor de Provincie Vlaams-Brabant gedagvaard voor het hof teneinde de dwangsom opgelegd door het arrest van de 15de kamer van het hof, uitgesproken op 3 juni 2008, te horen opheffen, minstens gedeeltelijk. De dagvaarding werd aangezegd aan A. F. en aan de Heer Procureur-generaal te Brussel.
  3. Het op tegenspraak, op 3 juni 2008 uitgesproken arrest beveelt het herstel van een industriegebouw te B. aan de Pontstraat nr 3 (gekadastreerd wijk D nummer 25A en 25Z) door het omvormen van de woongelegenheid tot burelen. Het hof voegt er aan toe: "dit betekent tevens dat alle bijgeplaatste muren dienen verwijderd te worden en dat enkel de trap en de wc en de keuken mogen behouden blijven zoals vergund, onder verbeurte van een dwangsom van euro 125,00 per dag vertraging". De herstelmaatregel werd bevolen binnen een termijn van zes maanden, waarvan het hof stelt dat het geen dwangsomtermijn is in de zin van artikel 1385bis Ger. W.
  4. L. S. en A. SI. hebben, na kennisname van het arrest, niet meteen initiatieven genomen om tot herstel over te gaan. Zij hebben geopteerd voor een voorziening in Cassatie. Zij waren met name van oordeel dat het arrest artikel 211bis W. Sv. had geschonden door, zonder dat uit het arrest blijkt dat met eenparigheid werd beslist, een herstelmaatregel te bevelen (daar waar de eerste rechter de herstelmaatregel niet had ingewilligd). Daar waar de Cassatierechtspraak vaststaande was om te stellen dat een herstelmaatregel geen straf is in de zin van artikel 211bis W. Sv. , meenden L. S. en A. SI. een middel te kunnen putten uit een arrest HAMER van 27 november 2007 uitgesproken door het Europees Hof voor de rechten van de mens. Het cassatieberoep van L. S. en A. SI. werd afgewezen door het Hof van Cassatie bij arrest van 6 januari 2009 . Het Hof overweegt - volkomen conform aan haar sedert lange tijd vaststaande rechtspraak - dat "de vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke staat een straf is in de zin van artikel 6 EVRM, (enkel mee brengt) dat de waarborgen van die bepalingen moeten worden in acht genomen". Het Hof van Cassatie voegt er aan toe dat de beslissing van de appelrechters die het herstel bevelen en daartoe het beroepen vonnis hervormen, geen eenparigheid behoeven .
  5. Op grond van artikel 1385quinquies Ger. W. kan de dwangsomrechter de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Te dezen is er geen aanleiding tot vermindering, opschorting of opheffing van de dwangsom om reden dat de veroordeelden absoluut niet in de onmogelijkheid hebben verkeerd om tot herstel over te gaan. Tegen de vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie in, hebben zij gegokt op een cassatieberoep in de plaats van tot het uitvoeren van de herstelmaatregel over te gaan. Dat het Hof van Cassatie zijn vroegere rechtspraak niet heeft ontkracht was minstens voorzienbaar. Overigens kan het instellen van een cassatieberoep - dat geen schorsende werking heeft op de uitvoerbaarheid van de beslissing van het hof van beroep - niet als onmogelijkheid in aanmerking komen. Het instellen van een Cassatieberoep brengt immers op zich niet mee dat de bevolen herstelmaatregel niet zal worden gehandhaafd . Precies in de nasleep van het arrest HAMER heeft het Hof van Cassatie overwogen dat de appelrechters wettig konden oordelen dat de procedure die hangende was voor het Hof voor de Rechten van de Mens, er niet aan in de weg stond dat de veroordeelde zou overgaan tot het bevolen herstel en dat deze hangende procedure derhalve in zijne hoofde geen tijdelijke of gehele onmogelijkheid uitmaakt om aan de hoofdveroordeling te voldoen .
  6. De omstandigheid dat L. S. en A. SI. er de voorkeur hadden aan gegeven om het pand te verkopen en dat zij aldus moeilijkheden hebben ondervonden om de herstelmaatregel uit te voeren is andermaal enkel aan hun houding en keuze te wijten.
  7. Al de feitelijke elementen waarnaar zij verwijzen en die louter het gevolg zijn van keuzes die L. S. en A. SI. hebben gemaakt en dewelke achteraf beschouwd, verkeerde of ongelukkige keuzes zijn gebleken, maken geen "onmogelijkheid" uit in hun hoofde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Al de door L. S. en A. SI. ingeroepen omstandigheden, afzonderlijk of samen beschouwd, brengen geen al dan niet tijdelijke onmogelijkheid mee om te voldoen aan de hoofdveroordeling. De vordering is niet gegrond. De kosten blijven ten laste van L. S. en A. SI.. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond, laat de kosten ten laste van L. S. en A. SI.. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 16/03/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc BOSMANS, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. BOSMANS Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.