← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100315.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 15 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100315.9 Rolnummer: 2006AR3131 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2013-06-13 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 21:35 Fiche 1. Een rioleringssysteem dient enkel om water op te vangen en hierbij dient niet voorzien te worden dat grote modderstromen erop afkomen. Het bestaande rioleringsnet vertoonde bijgevolg geen gebrekkig karakter. De stad X is dus niet aansprakelijk 2. Percelen waarvan echter bij regenweer grote hoeveelheden modder ontsnappen die de rioleringen in de kortste tijd verstoppen en het wegdek overspoelen, vertonen een abnormaal kenmerk en zijn derhalve gebrekkig in de zin van artikel 1384, lid 1 B.W. Hieraan doet de toepassing van artikel 640, lid 1 B.W. niets af. Lager gelegen erven zijn weliswaar jegens de hoger gelegen erven gehouden het water te ontvangen dat daarvan buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt wat niet impliceert dat de lager gelegen erven een dergelijke toevloed aan modder ook nog zouden dienen te ontvangen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Erfdienstbaarheid - Door de ligging van de plaatsen - Water BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Modderstromen. Rioleringsnet. Aansprakelijkheid van de gemeente? Erfdienstbaarheid van waterafloop: omvang; betreft geen modderstromen. Gebrek in de zaak (artikel 1384, eerste lid BW). Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2006/AR/3131 INZAKE VAN : De heer A. D., appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 september 2006, vertegenwoordigd door Meester Dirk VAN DEN POEL loco Meester Marc VALVEKENS, advocaat te 1170 BRUSSEL, E. Van Becelaerelaan 28 B bus 8, (ref. D. 945/020052). 1ste kamer TEGEN : 1) De heer A. D., en zijn echtgenote 2) Mevrouw D. V., eerste geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester GHYSELEN loco Meester Tangui VANDENPUT, advocaat te 1160 BRUSS EL, Tedescolaan 7, (ref. 20112010). 3) De STAD HALLE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 HALLE, Oudstrijdersplein 18, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Geert CARLIER, advocaat te 1500 HALLE, Gaasbeeksesteenweg 53 (ref. 2506/GC/MM). 1. Een rioleringssysteem dient enkel om water op te vangen en hierbij dient niet voorzien te worden dat grote modderstromen erop afkomen. Het bestaande rioleringsnet vertoonde bijgevolg geen gebrekkig karakter. De stad X is dus niet aansprakelijk 2. Percelen waarvan echter bij regenweer grote hoeveelheden modder ontsnappen die de rioleringen in de kortste tijd verstoppen en het wegdek overspoelen, vertonen een abnormaal kenmerk en zijn derhalve gebrekkig in de zin van artikel 1384, lid 1 B.W. Hieraan doet de toepassing van artikel 640, lid 1 B.W. niets af. Lager gelegen erven zijn weliswaar jegens de hoger gelegen erven gehouden het water te ontvangen dat daarvan buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt wat niet impliceert dat de lager gelegen erven een dergelijke toevloed aan modder ook nog zouden dienen te ontvangen. _______________________________________ Gelet op de procedurestukken: • het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 september 2006, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; • het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 21 november 2006; • de conclusie van eerste geïntimeerden neergelegd ter griffie op 21 februari 2007; • de conclusie van tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 28 maart 2007; • de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 20 juni 2007. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 18 januari 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en de incidentele beroepen werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van eerste geïntimeerden strekte ertoe de Stad Halle, zijnde tweede geïntimeerde, te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 9.035,12 euro , plus de gerechtelijke intresten. Zij vroegen tevens de aanstelling van een deskundige met een welomschreven opdracht . Bij verzoekschrift neergelegd op 21 mei 2002 kwam appellant vrijwillig tussen in het geding. 1.2. Bij tussenvonnis van 2 januari 2003 werd aan appellant akte gegeven van zijn vrijwillige tussenkomst en werd, alvorens recht te doen, architect R. Dierickx aangesteld als deskundige met o.m. als opdracht na te gaan welke de oorzaak of oorzaken is/zijn geweest van de modder - en wateroverstromingen die zich ter hoogte van het nummer 385 van de Lenniksesteenweg te Halle - zijnde de woning van eerste geïntimeerden - hebben voorgedaan op 30 mei 1999, 3 juni 1999, 14 augustus 1999, 6 mei 2000 en 21 mei 2000. De deskundige legde zijn verslag neer op 8 december 2004. 1.3. Na het neerleggen van het deskundigenverslag hernamen eerste geïntimeerden hun initiële vordering met dien verstande dat zij alsdan de solidaire of in solidum veroordeling vroegen van de Stad Halle en de heer D.. Zij vroegen bovendien diezelfde partijen solidair en in solidum te veroordelen tot betaling van hun advocatenkosten, geraamd op 5.468,02 euro , en van de kosten van het deskundigenonderzoek, begroot op 4.156,05 euro , naast de rechtsplegingsvergoeding. De heer D. besloot tot de ongegrondheid van de vordering. De Stad Halle vroeg in hoofdorde eveneens de vordering ongegrond te verklaren en bij wijze van tegeneis huidige eerste geïntimeerden en appellant solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot haar advocatenkosten voorlopig begroot op 1 euro op een vordering geraamd op 5.000 euro . In ondergeschikte orde stelde de Stad Halle een vordering tot vrijwaring in tegen huidige appellant. 1.4. De eerste rechter heeft: - De hoofdvordering van eerste geïntimeerden ontvankelijk doch ongegrond verklaard t.a.v. de Stad Halle; - Diezelfde hoofdvordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard t.a.v. appellant; - Appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van 6.050 euro plus de vergoedende intresten vanaf 15 november 1999 tot aan de dagvaarding waarna plus de gerechtelijke intresten, telkens aan de wettelijke intrestvoet; - De tegenvorderingen van de Stad tegen eerste geïntimeerden ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - De tussenvorderingen van de Stad Halle tegen appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - De tussenvordering in vrijwaring van appellant tegen de Stad Halle ongegrond verklaard; - Appellant veroordeeld in de gerechtskosten waaronder deze van de deskundige. 1.5. Het hoger beroep van appellant beoogt alle vorderingen in zoverre tegen hem gericht ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren. 1.6. Bij wijze van incidenteel beroep hernemen eerste geïntimeerden hun vordering zoals gesteld voor de eerste rechter na het neerleggen van het deskundigenverslag met dien verstande dat thans geen vergoeding meer gevraagd wordt voor advocatenkosten en wel vergoedende intresten gevraagd worden op de door hen gevorderde bedragen . 1.7. Bij wijze van incidenteel beroep herneemt tweede geïntimeerde eveneens zijn vorderingen zoals ingesteld voor de eerste rechter na het neerleggen van het deskundigenverslag met inbegrip van een vergoeding voor haar advocatenkosten. Ter zitting van 18 januari 2010 verklaarde tweede geïntimeerde echter niet meer verder aan te dringen wat de advocatenkosten betreft. II. De Feiten. 2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.2. Eerste geïntimeerden zijn eigenaar van een woning gelegen te Halle, ...steenweg.... In de loop van 1999 en 2000 werden zij meermaals het slachtoffer van verschillende overstromingen en modderstromen komende van velden gelegen aan de overzijde van hun woning. Deze velden zijn eigendom van appellant die vrijwillig tussenkwam in het geding. Eerste geïntimeerden dagvaardden aanvankelijk enkel de Stad Halle omdat zij de mening toegedaan waren dat de overstromingen het gevolg waren van een gebrekkige opvang van de riolering. III. Beoordeling. 3.1. Nietigheid van het deskundigenverslag: 3.1.1. De Stad Halle werpt op dat het deskundigenverslag nietig is omdat haar rechten van verdediging geschonden werden. Zij verwijt meer bepaald aan de deskundige (

  1. a)haar onvoldoende tijd te hebben gelaten om opmerkingen te formuleren op het voorverslag en (
  2. b)zijn eindverslag op een drafje te hebben afgewerkt. 3.1.2. De Stad Halle ontving het voorverslag op 28 oktober 2004 en kreeg tot 25 november 2004 de tijd om opmerkingen te formuleren wat geen onredelijk korte termijn betreft. De Stad Halle vroeg weliswaar een termijnverlenging om het voorverslag te kunnen bespreken met haar technisch raadsman - wat door de deskundige geweigerd werd - maar gezien er effectief nooit enige opmerking geformuleerd werd door die technische raadsman - desbetreffend wordt geen enkel stuk neergelegd - zou een termijnverlenging van geen enkel nut zijn geweest. 3.1.3. De eerste rechter heeft dan ook terecht dit middel verworpen en het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 3.2.Vordering van eerste geïntimeerden in zoverre gericht tegen de Stad Halle: 3.2.1. Eerste geïntimeerden steunen deze vordering op artikel 1382 - 1383 B.W. en op artikel 1384 B.W. Zij menen dat de Stad haar veiligheidsplicht niet is nagekomen en dat de bestaande riolering die voornamelijk verstopt werd door modderstromen ongeschikt was voor het gebruik waarvoor zij bestemd is. 3.2.2. De Stad betwist één en ander. Zij verwijst vooreerst naar artikel 640 B.W. en leidt hieruit af dat het enkel een geschil betreft tussen buren, houdt verder voor alle maatregelen te hebben getroffen die zij redelijkerwijze kon nemen, zelfs maatregelen te hebben genomen die veel verder gingen dan waartoe zij wettelijk gehouden was, dat de kwestieuze riolering geen abnormaal kenmerk vertoonde en ondergeschikt beroept zij zich op overmacht gezien op de dagen waarop de overlast zich voordeed een extreme regenval zou plaats gevonden hebben. 3.2.3. De deskundige stelt in zijn verslag dat het rioleringssysteem onvoldoende was op de plaats van de overstromingen vóór het uitgraven van de grachten om haar rol behoorlijk te kunnen vervullen en verder dat de stelselmatige en noodzakelijke aanpassingen hiervan het bewijs zijn . Hieruit kan echter niet afgeleid worden dat de Stad enige fout heeft begaan of dat het bestaande rioleringssysteem gebrekkig was. Uit het verslag van de deskundige blijkt immers dat de overstromingen niet zozeer het gevolg waren van wateroverlast maar wel te wijten waren aan grote modderstromen, afkomstig van de velden van appellant, die de rioleringen volledig verstopten. Uit de bijgebrachte foto's blijkt verder dat de moddertoevoer zo ernstig was dat de openbare weg er gevaarlijk glad bij lag en volledig door modder overspoeld was. 3.2.4. Een rioleringssysteem dient enkel om water op te vangen en hierbij dient niet voorzien te worden dat grote modderstromen erop afkomen. Het bestaande rioleringsnet vertoonde bijgevolg geen gebrekkig karakter. Er is overigens niet bewezen dat indien er enkel water zou afgevloeid zijn van de hoger gelegen velden van appellant het bestaande rioleringssysteem niet afdoend zou gewerkt hebben. Met de massale afvloeiing van modder van een private eigendom heeft de Stad geen uitstaans en zij kan hiervoor niet aansprakelijk gesteld worden noch persoonlijk noch als bewaarder van de zaak. 3.2.5. De onderhoudsplicht van de Stad voortvloeiende uit de wet van 10 april 1841 verplicht deze overigens niet tot het graven van grachten, wat een wijziging in de aanleg betreft en niet behoort tot het onderhoud. Het feit dat de Stad Halle op eigen initiatief overging tot het graven van grachten maakt een loutere welwillendheid uit vanwege de Stad maar impliceert niet dat zij verantwoordelijk kan geacht worden om niet sneller grachten te hebben uitgegraven. Hierbij dient opgemerkt te worden dat vóór mei 1999 - wanneer nog geen enkele gracht was uitgegraven - eerste geïntimeerden geen enkel probleem ondervonden en dus niet te kampen hadden met overstromingen wat aantoont dat de destijds bestaande rioleringen wel degelijk naar behoren gefunctioneerd hebben. 3.2.6. Er kan de Stad evenmin verweten worden het bestaande rioleringssysteem zelf onvoldoende onderhouden te hebben en dus verwaarloosd te hebben. Dit blijkt nergens uit. De schade werd bovendien veroorzaakt door een plotse toestroom van modder die de riolering verstopten wat niets met onderhoud van rioleringen te maken heeft. 3.2.7. De Stad Halle kan bijgevolg niet aansprakelijk gesteld worden voor de schade opgelopen door eerste geïntimeerden. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd. 3.3.Vordering van eerste geïntimeerden in zoverre gericht tegen appellant: 3.3.1. Eerste geïntimeerden steunen deze vordering tevens op artikel 1382 - 1383 B.W. en op artikel 1384 B.W. Ondergeschikt verwijzen zij naar artikel 544 B.W. Zij zijn de mening toegedaan dat appellant als eigenaar van hoger gelegen erven niet de nodige maatregelen heeft genomen om de grote hoeveelheden water - en vooral modderstromen tegen te houden niettegenstaande de Stad Halle hem uitdrukkelijk gevraagd had de nodige maatregelen te nemen minstens dat zijn erven een gebrekkig karakter vertonen. Appellant betwist deze stelling ten stelligste. 3.3.2. De deskundige stelt in zijn verslag dat de problematiek van de modderstroom zich stelt bij het gebruik van de grond door partij D. omdat de grond wordt gebruikt voor teelten en gewassen en niet als weide. Hij voegt er weliswaar aan toe dat appellant aan het gebruik van zijn gronden niets veranderde en steeds op dezelfde wijze hierop gewassen kweekte. Aan appellant kan bijgevolg geen persoonlijke fout verweten worden. De vordering is dan ook ongegrond in zoverre gestoeld op artikel 1382 - 1383 B.W. Percelen waarvan echter bij regenweer grote hoeveelheden modder ontsnappen die de rioleringen in de kortste tijd verstoppen en het wegdek overspoelen, vertonen een abnormaal kenmerk en zijn derhalve gebrekkig in de zin van artikel 1384, lid 1 B.W. Hieraan doet de toepassing van artikel 640, lid 1 B.W. niets af. Lager gelegen erven zijn weliswaar jegens de hoger gelegen erven gehouden het water te ontvangen dat daarvan buiten 's mensen toedoen natuurlijk afloopt wat niet impliceert dat de lager gelegen erven een dergelijke toevloed aan modder ook nog zouden dienen te ontvangen. 3.3.3. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd in zoverre hierin appellant verantwoordelijk wordt gesteld voor de schade op grond van artikel 1384, lid 1 B.W. 3.3.4. Ten onrechte beroept appellant zich op overmacht als schulduitsluitingsgrond. Nergens blijkt uit dat de regenbuien die aanleiding gaven tot water - en vooral modderoverlast buitengewoon waren. Het feit dat eerste geïntimeerden na 2000 niet meer het slachtoffer werden van diverse overstromingen is enkel het gevolg van het feit dat de Stad is blijven zoeken naar oplossingen en daar blijkbaar ook in geslaagd is. In deze is er dan ook geen sprake van een onvoorzienbaar en onafwendbaar feit of gebeurtenis die buiten de menselijke wil ligt van diegene die overmacht inroept en die deze niet had kunnen voorzien of afwenden. Overmacht heeft overigens enkel bevrijdende werking, indien de persoon die zich erop beroept er niet zelf schuld aan heeft en hij zich in de ontstane situatie gedragen heeft als een normaal voorzichtig persoon. 3.3.5. Eerste geïntimeerden vragen in hoofdorde een bedrag van 9.035,12 euro in hoofdsom. De deskundige raamde de schade op 6.050 euro en de genotsderving op 1.250 euro , zijnde in totaal 7.300 euro . Deze begroting komt als redelijk voor en deze bedragen kunnen bijgevolg toegekend worden. Appellant gedraagt zich wat de cijfers betreft vooropgesteld door de deskundige naar de wijsheid van het hof. Eerste geïntimeerden vragen eveneens een bedrag van 50.000 BEF = 1.239,47 euro ten titel van morele schadevergoeding. De door hen ingeroepen redenen zijn echter niet van aard morele schade met zich mee te brengen. Deze post wordt dan ook verworpen. 3.4. Wat de vordering tot vrijwaring betreft van de Stad Halle tegen appellant: 3.4.1. Deze vordering is zonder voorwerp geworden gezien er geen aansprakelijkheid wordt aangehouden in hoofde van de Stad. 3.4.2. Het bestreden vonnis verklaarde deze vordering ongegrond. 3.5. Wat de vordering van de Stad Halle betreft tot betaling van de kosten van gerechtelijke en juridische bijstand: 3.5.1. Wat deze vordering betreft dringt de Stad niet verder meer aan. 3.5.2. Hiervan zal haar akte worden verleend. 3.6. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft: 3.6.1. Alle partijen hebben ter zitting van 18 januari 2010 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft . Gelet om de omvang van het gevorderde bedraagt dit basistarief 900 euro . 3.6.2. Dit bedrag is door eerste geïntimeerden verschuldigd aan de Stad Halle en door appellant verschuldigd aan eerste geïntimeerden. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre hierin de vordering van eerste geïntimeerden tegen de Stad Halle ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard, de vordering van eerste geïntimeerden tegen appellant ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de kosten begroot worden, En opnieuw rechtsprekende voor het overige, Veroordeelt appellant om te betalen aan eerste geïntimeerden het bedrag van ZEVENDUIZEND DRIEHONDERD EURO (7.300 euro ) plus de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 21 mei 2000 tot aan de datum van huidig arrest waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet. Verklaart de vordering in vrijwaring van de Stad Halle tegen appellant zonder voorwerp. Geeft akte aan de Stad Halle dat zij niet verder meer aandringt wat haar vordering betreft tot betaling van de kosten van gerechtelijke en juridische bijstand. Veroordeelt eerste geïntimeerden in de kosten van beide aanleggen in hoofde van de Stad Halle en veroordeelt appellant in de kosten van beide aanleggen in hoofde van eerste geïntimeerden,deze van eerste aanleg zoals begroot in het vonnis a quo en deze van het hoger beroep in hun geheel begroot - in hoofde van appellant op euro 1.086 (186 rolrecht + 900 rechtsplegingsvergoeding), - in hoofde van eerste geïntimeerden op euro 900 rechtsplegingsvergoeding en - in hoofde van de Stad HALLE op euro 900 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Patrick VANDERMOTTEN, Raadsheer, Christiaan SUNT, Plaatsvervangend Raadsheer, Chr. SUNT P. VANDERMOTTEN A. DE PREESTER en in de openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, van 15/3/2010 uitgesproken door : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.