id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 18 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100318.11 Rolnummer: 2005AR1498 Rechtsgebied: Overige - Belastingrecht Invoerdatum: 2012-08-09 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 11:34 Fiche de Belgische Staat treedt als rechtspersoon op door tussenkomst van zijn bevoegde organen (art. 703 Ger. W.) - de Minister van Financiën of de door hem aangewezen ambtenaar (art. 42 juncto art. 705 Ger. W.)- er ligt noch een beslissing voor die toelaat aan te nemen dat de Minister van Financiën de bevoegdheid om in rechte op te treden heeft gedelegeerd aan de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Brugge (die in deze niet de territoriaal bevoegde ambtenaar is cfr. art. 366 W.I.B.92 - aanslag betreffende de personenbelasting, gevestigd voor de Gemeente Lubbeek) noch een andere beslissing die toelaat dat aan te nemen - verzoekschrift hoger beroep vermeldt de Gewestelijke directeur der Directe Belastingen te Brugge als appellant - hoger beroep gaat niet uit van een natuurlijk persoon bevoegd om de Belgische Staat, rechtspersoon, als orgaan te vertegenwoordigen, gegeven waaraan het optreden van een advocaat bij het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep geen afbreuk doet - onontvankelijkheid van het hoger beroep UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Betekening en kennisgeving - Bijzondere betekeningen - Staat GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Dagvaardingsexploot FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Rechtsmiddelen Vrije woorden: Belgische Staat - rechtspersoon - optreden in rechte - bevoegde organen (art. 703 Ger. W.) - Minister van Financiën of de door hem aangewezen ambtenaar (art. 42 juncto art. 705 Ger. W.)- optreden van de niet territoriaal bevoegde ambtenaar cfr. art. 366 W.I.B.92 - geen bewijs delegatie - hoger beroep gaat niet uit van een natuurlijk persoon bevoegd om de Belgische Staat als orgaan te vertegenwoordigen - onontvankelijkheid van het hoger beroep Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2005/AR/1498 Openbare terechtzitting van IN ZAKE VAN : DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1 appellant, vertegenwoordigd door Meester Luc Van Helshoecht , advocaat te 1070 Brussel, G. Stassartlaan
- TEGEN : 1.De heer X, 2.Mevrouw Y, samen wonende te Lubbeek, geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Van Den Keybus loco R. Tournicourt, advocaat te 1150 Brussel, Tervurenlaan
- ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : R. EINDARREST - onontvankelijk I. Procedure Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid : - het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven van 4 maart 2005, op tegenspraak uitgesproken, dat op 2 mei 2005 aan appellant werd betekend, - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd door de Belgische Staat, appellant, ter griffie van het hof op 2 juni
- A. Procedure in eerste aanleg Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven op 9 augustus 2002 vorderden huidige geïntimeerden hun vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de aanslag in de personenbelasting gevestigd in hoofde van hen, art. 662461, aanslagjaar 1994, inkomsten 1993, dd. 11 december 1996, voor een bedrag van 2.062.139 BEF (51.119,09 euro ), te ontheffen in de mate dat een vergoeding van 8.500.000 BEF (210.709,50 euro ) belast werd als een bezoldiging van bestuurder, de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van de aanslag zouden zijn geïnd, vermeerderd met de moratoriumintresten als voorzien in artikel 418 W.I.B.92 en de kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat. Bij vonnis van 4 maart 2005 verklaarde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven de vordering van huidige geïntimeerden ontvankelijk en gegrond en onthief zij de voormelde aanslag in de personenbelasting gevestigd in hoofde van huidige geïntimeerden voor aanslagjaar 1994 in de mate dat eerste geïntimeerde belast werd op een bedrag van 210.709,50 euro als bezoldiging van bestuurder. Tevens beval zij de terugbetaling van de ten onrechte geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten en veroordeelde zij huidige appellant tot de kosten. B. Procedure voor het Hof Voor het Hof vraagt appellant het vonnis van de eerste rechter te vernietigen, behoudens in zoverre het het fiscaal verhaal gegrond heeft verklaard en opnieuw recht doende, het oorspronkelijk fiscaal verhaal ongegrond te verklaren, geïntimeerden ervan af te wijzen en hen te veroordelen tot de kosten van de beide instanties, rechtsplegingvergoeding inbegrepen. Geïntimeerden besluiten tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep, de ongegrondheid ervan, de bevestiging van het eerste vonnis en de veroordeling van appellant tot de kosten van beide aanleggen, rechtsplegingvergoeding inbegrepen. II. Relevante feitelijke gegevens Eerste geïntimeerde was sinds 12 februari 1986 bestuurder bij de, toen, Bank Brussel Lambert en sinds 1 maart 1989 lid van het directiecomité. Sinds 13 februari 1990 was hij voorzitter van het directiecomité en werd hij belast met het dagelijks bestuur van deze bank. Eerste geïntimeerde had daarbij niet het statuut van werknemer naar Belgisch arbeidsrecht. Op 2 december 1992 werden de professionele relaties tussen eerste geïntimeerde en deze bank beëindigd. Als opzeggingsvergoeding ontving eerste geïntimeerde het bedrag van 51.040.000 BEF (1.265.248,55 euro ). Eerste geïntimeerde gaf dit bedrag aldus aan en het werd ook zo belast. Op 2 december 1992 sloot eerste geïntimeerde met deze bank een in de Franse taal gestelde overeenkomst van niet-concurrentie. Artikel 1 van deze overeenkomst bepaalt, zoals begrepen door het hof (stuk 25 e.v. administratief dossier), dat het voor eerste geïntimeerde verboden is welke activiteit ook uit te oefenen, op directe of indirecte wijze, hetzij in eigen naam, hetzij door middel van een vennootschap of tussenpersoon (in voorkomend geval als bediende, bestuurder of zelfstandig medewerker), ten voordele van een bank, een financiële instelling, privaat of publiek, of een vennootschap met gelijkaardige of identieke activiteiten als die van de Bank Brussel Lambert. Art. 2 van de overeenkomst bepaalt een duur ervan van 12 maanden, ingaand op 2 december 1992 en eindigend op 2 december
- Artikel 3 van de overeenkomst bepaalt dat als tegenprestatie, de Bank Brussel Lambert aan eerste geïntimeerde een forfaitaire vergoeding van 8.500.000 BEF betaalt ("... une indemnité forfaitaire brute de huit millions cinq cent mille francs ..."), vóór 30 april
- Artikel 4 van de overeenkomst bepaalt dat in geval van niet naleving van de verbintenis tot niet-concurrentie, eerste geïntimeerde gehouden zou zijn tot de betaling van het dubbele van de voormelde vergoeding ten titel van forfaitaire schadevergoeding, zonder dat de voormelde bank zijn echte schade zou moeten aantonen. Het bedrag van 8.500.000 BEF (210.709,50 euro ) werd door eerste geïntimeerde aangegeven als een divers inkomen. Op 6 november 1995 richtte de Belgische Staat aan de Bank Brussel Lambert een vraag om inlichtingen, inhoudend een reeks vragen over de aard van de professionele relatie van deze bank met eerste geïntimeerde en de wijze van vergoeding, alsmede de beëindiging van de relatie (stuk 21 e.v. administratief dossier). Op 19 september 1996 richtte de Belgische Staat aan geïntimeerden een bericht van wijziging inhoudend, onder meer, dat het bedrag van 8.500.000 BEF aanzien moet worden als een beroepsinkomen dat belast moet worden samen met de opzeggingsvergoeding ten bedrage van 51.040.000 BEF (stuk 39 en 40 administratief dossier). Niettegenstaande het niet-akkoord van geïntimeerden met de inhoud van dit bericht van wijziging, werd de bestreden aanslag ingekohierd. Op 28 januari 1997 dienden geïntimeerden een bezwaarschrift in tegen de bestreden aanslag, dat bij directorale beslissing van 4 maart 2005 gedeeltelijk werd ingewilligd en voor het overige werd afgewezen. Daarop legden geïntimeerden voormeld verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, dat werd ingewilligd door voornoemd bestreden vonnis. Het beroep van appellant, houdende de hoger uiteengezette vorderingen, is gericht tegen dit vonnis. III. In rechte Ontvankelijkheid Geïntimeerden betwisten de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Zij stellen dat het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd op 2 juni 2005, ondertekend door een advocaat, als appellant vermeldt : "De Belgische Staat, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Gewestelijke directeur der directe belastingen te Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4 (postcode 8000) ...". Zij roepen in dat, zelfs nu het verzoekschrift ondertekend werd door een advocaat, het verzoekschrift uitgaat van een persoon die onbevoegd is om de Minister van Financiën te vertegenwoordigen, vermits de huidige betwisting er één is tussen de Belgische Staat, in beginsel vertegenwoordigd door de Gewestelijke Directeur der directe belastingen te Leuven, en niet zoals vermeld in het verzoekschrift de Gewestelijke Directeur der Directe belastingen te Brugge. De Belgische Staat roept in dat de vermelding geen nietigheid van het verzoekschrift kan opleveren, nu art. 861 e.v. Ger. W. geen dergelijke nietigheid oplegt of de nietigverklaring toelaat. In deze roepen geïntimeerden echter niet de nietigheid in, doch betwisten zij de ontvankelijkheid van de ingestelde vordering nu deze zou uitgaan van een niet daartoe bevoegd persoon, noch een daartoe bevoegd orgaan. Na nazicht moet het hof vaststellen dat het verzoekschrift in hoger beroep inderdaad de Gewestelijke directeur der Directe Belastingen te Brugge vermeldt als persoon die de Minister van Financiën en de Belgische Staat vertegenwoordigt en die wordt vermeld als persoon van wie de opdracht tot het aantekenen van beroep uitgaat. De Belgische Staat bezit rechtspersoonlijkheid en is rechtsbekwaam. In rechte dient hij evenwel op te treden door een natuurlijk persoon. Krachtens art. 703 Ger. W. treedt de Belgische Staat, als rechtspersoon, op door tussenkomst van zijn bevoegde organen. Krachtens art. 42 juncto art. 705 Ger. W. is het bevoegde orgaan de Minister, in concreto de Minister van Financiën of de door hem aangewezen ambtenaar. De wet laat derhalve in beginsel toe dat de Minister van Financiën zijn bevoegdheid om de Belgische Staat te vertegenwoordigen, delegeert aan een aangewezen ambtenaar. Het voorliggend verzoekschrift vermeldt dat in deze zaak de Minister van Financiën wordt vertegenwoordigd door de Gewestelijke Directeur der Directe belastingen te Brugge. Evenwel ligt noch een beslissing voor die toelaat aan te nemen dat de Minister van Financiën de bevoegdheid om in rechte op te treden ten aanzien van vonnissen in eerste aanleg gewezen over betwistingen inzake aanslagen betreffende directe belastingen, in casu de personenbelasting, gevestigd voor de Gemeente Lubbeek, aan de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Brugge heeft gedelegeerd, noch een andere beslissing die toelaat dat aan te nemen. De Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Brugge is in deze niet de territoriaal bevoegde ambtenaar (cfr. art. 366 W.I.B.92). Op grond van het voorliggende dossier kan niet uitgemaakt worden of deze Gewestelijke Directeur te Brugge al dan niet de opdracht tot het aantekenen van hoger beroep gaf, zodat niet kan worden aangenomen dat de vermelding van deze Gewestelijke Directeur, louter een materiële vergissing is. Het aanhangig maken van een hoger beroep als procedurehandeling, betreft bovendien niet de concrete wijze van verschijning van de betrokkene voor het vonnisgerecht (cfr. art. 379 W.I.B.92, hersteld bij art. 3 Wet 10 december 2001, B.S. 22 december 2001, ed. 1). Om die redenen werpen geïntimeerden dan ook met reden op dat het hoger beroep niet uitgaat van een natuurlijk persoon bevoegd om de Belgische Staat, rechtspersoon, als orgaan te vertegenwoordigen, gegeven waaraan het optreden van een advocaat bij het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep geen afbreuk doet, zodat het hof moet besluiten tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep (cfr. J. Kirkpatrick, "La comparution en justice sans avocat des établissements public et de l'état", J.T. nr. 5976, 26/2000, 561, noot bij Cass. 17 januari 2000; Rb. Brussel 7 september 2001, T.F.R. 2002, nr. 214, nr. 2002/n7; M. Crommen, "Orgaan bevoegd om namens de Belgische Staat schadevergoeding te vorderen-Aanduiding in de dagvaarding", T.F.R. 250, 15 november 2003, 989). Aangaande de kosten Gezien het voorgaande, behoort het de kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, evenwel uitsluitend toe kennen voor wat betreft de procedure in graad van beroep. De Belgische Staat voert daarbij aan dat terzake van de begroting van deze rechtsplegingvergoeding, rekening moet gehouden worden met de door de directorale beslissing verleende ontheffing, zodat dienaangaande op deze grondslag het basistarief toegepast moet worden zoals vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Evenwel voeren geïntimeerden in hun besluiten met reden aan dat eveneens rekening gehouden moet worden met de inmiddels gelopen intresten, zodat geïntimeerden met reden aanvoeren dat de rechtsplegingvergoeding begroot moet worden zoals hierna bepaald. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellant onontvankelijk, Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten, begroot in hoger beroep op 3.000,00 EUR voor beide partijen. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - C. Vanderkerken, raadsheer, - E. Herregodts, raadsheer, - D. De Greef, plaatsvervangend raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. D. De Greef. E. Herregodts. C. Vanderkerken. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div