id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100322.1 Rolnummer: 2006AR1711 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht Invoerdatum: 2010-03-23 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-01 12:28 Fiche Artikel 1382-1383 BW. Overheidsaansprakelijkheid voor daden van de Rechterlijke Macht. De lange duur van een verzegeling in het kader van een strafonderzoek vormt in casu geen fout van de onderzoeksrechter waarbij de aansprakelijkheid van de Staat in het gedrang zou komen. In de omstandigheden van de zaak, en in het bijzonder gelet op de aard en het belang van de onderzochte feiten en hun internationale dimensie (drugshandel) was het net zorgvuldig van de onderzoeksrechter om de verzegeling te behouden, teneinde de woning te behoeden voor het verdwijnen van sporen of voor het weghalen van eventuele verborgen bewijselementen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Rechterlijke macht BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Stuiting en schorsing - Schorsing BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Bijzondere verjaringen - Verjaring schuldvordering op de Staat STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Taak onderzoeksrechter Vrije woorden: I. Buitencontractuele aansprakelijkheid van de Staat voor handelingen van de Rechterlijke Macht. Onderzoeksrechter. Verzegeling van een huis in kader van een strafonderzoek m.b.t. drugshandel. Beweerde te lange onbeschikbaarheid van het huis ingevolge fout van de onderzoeksrechter. II. Verjaring van schuldvorderingen op de Staat. Art. 100 van de geco¨rdineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit. Wet van 25 juli
- Overangsrecht. Schorsing van de verjaring. Artikel 2247 BW. III. Schade naar aanleiding van een huiszoeking in het kader van een strafonderzoek. Schadeloosstelling. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2006/AR/1711 INZAKE VAN : 1) De Besloten Vennootschap naar Nederlands recht C., voorheen genaamd B.V. L., waarvan de maatschappelijke zetel thans gevestigd is te NL-6235 ROERMOND (NEDERLAND), Humcoven 9, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Zuid-Limburg (Nederland) onder het nummer 13037814, 2) De heer L. H., wonende te appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 april 2006, vertegenwoordigd door Meester Willem DESCAMPS, advocaat te 3500 HASSELT, Isabellastraat 52 bus 4, (ref. 1437.03/WD) 1ste kamer TEGEN : De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Stefaan VERBOUWE, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 270, (ref. 976432)
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 25 april
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: " De BV C., voorheen BV L., vennootschap naar Nederlands recht was eigenaar van een villa te L., Sterrelaan
- Deze villa werd door de vennootschap voor een duur van 3 jaar verhuurd aan een zeker El. S., volgens huurovereenkomst van 15 september
- Op 9 april 1994 werd op last van de heer onderzoeksrechter D'HOOGHE te Tongeren een huiszoeking uitgevoerd in de woning, daar de heer H. B. CH., die samen met mevrouw S. het pand bewoonde, werd verdacht van cocaïnehandel. De heer CH., mevrouw S. en een derde persoon, een zekere heer W., werden aangehouden, doch bij beslissing van de Raadkamer van 12 april 1994 werden zij in voorlopige vrijheid gesteld. De heren CH. en W. werden vervolgens door de onderzoeksrechter onder aanhoudingsmandaat geplaatst met het oog op uitlevering en op 3 mei 1994 ten definitieve titel opgesloten. Beiden werden inderdaad nadien uitgeleverd aan Duitsland. De woning werd met het oog op verder onderzoek op bevel van de onderzoeksrechter verzegeld vanaf 10 april 1994 tot en met 29 november
- Ondertussen werd de huurovereenkomst bij vonnis van 21 oktober 1994 van de vrederechter van Maasmechelen verbroken lastens mevrouw S.. Mevrouw S. werd tevens veroordeeld tot het betalen van 11.344,51 EUR (= 25.000,- NLG) wegens achterstallige huur en 13.613,41 EUR (= 30.000,- NLG) als verbrekingsvergoeding. De raadsman van C. heeft zich op 1 juni 1994 ook tot de onderzoeksrechter en op 30 september 1994 tot de procureur-generaal bij het hof van beroep van Antwerpen gewend, teneinde de lichting van de zegels te vragen, hetgeen echter werd geweigerd omwille van de noodzaak tot verder onderzoek. C. heeft vervolgens twee kort geding procedures ingeleid ten laste van de Belgische Staat, waarvan de eerste strekte tot betaling van een schadevergoeding wegens verzegeling van de woning, hetgeen door de voorzitter in kort geding werd afgewezen (94/986/C) en de tweede tot aanstelling van een deskundige ter begroting van schade begaan tijdens het onderzoek. Bij beschikking van 16 januari 1995 van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Tongeren (RK 94/298) werd in de tweede procedure een deskundige aangesteld met opdracht de nodige vaststellingen te doen. Deze deskundige bezorgde op 1 maart 1995 zijn voorlopig verslag en op 24 april 1995 zijn eindverslag aan partijen. Op 22 april 1999 betekende C. de inleidende dagvaarding aan de Belgische Staat. Op 3 december 2004 [dit moet zijn 6 december 2004] is de heer H. bij verzoekschrift vrijwillig tussengekomen in het geding. "
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderden C. en de heer H. de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot de betaling van: - aan C. 24.535,77 EUR plus de vergoedende intresten vanaf 1 mei 1994 en de gerechtelijke intresten; ondergeschikt in hoofdsom 13.040,32 EUR; - aan de heer H. 101.802,87 EUR plus de vergoedende intresten vanaf 1 april 1994 en de gerechtelijke intresten. De BELGISCHE STAAT concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering voor zover zij het bedrag van 710,93 EUR te boven ging. 3.
- De eerste rechter verklaarde de vorderingen ontvankelijk maar ongegrond. 3.
- In hoger beroep herneemt C. haar vordering, zij het nu voor in hoofdsom 22.267,22 EUR, ondergeschikt 10.922,67 EUR. De heer H. herneemt zijn oorspronkelijke vordering. De BELGISCHE STAAT concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Op de zitting van 19 mei 2009 heeft het hof partijen uitgenodigd stelling te nemen over het ambtshalve opgeworpen middel met betrekking tot de verjaring van de schuldvorderingen op de BELGISCHE STAAT (artikel 100 van de gecoördineerde Wetten op de rijkscomptabiliteit). De heer H. heeft vervolgens zijn vordering beperkt tot 1,00 EUR provisioneel. De BELGISCHE STAAT concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.
- De verjaring van de schuldvorderingen tegen de BELGISCHE STAAT Artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit , dat artikel 1 overneemt van de Wet van 16 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, bepaalt dat de schuldvorderingen verjaard zijn "waarvan de wettelijke of op reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan". Artikel 101 bepaalde dat "de verjaring wordt gestuit door een gerechtsdeurwaardersexploot, alsook door een schulderkenning door de Staat. Het instellen van een rechtsvordering schorst de verjaring". Als gevolg van de wijziging door de wet van 25 juli 2008 luidt de tekst van artikel 101 sinds 1 september 2008: "de verjaring wordt gestuit overeenkomstig de regels van het gemeen recht. " De vorderingen van C. en de heer H. zijn gesteund op de beweerde onrechtmatige daad van de BELGISCHE STAAT bestaande uit de te lange handhaving van de verzegeling. Het goed bleef verzegeld tot 29 november 1994 (volgens C. tot en met 1 december 1994). C. beroept zich op de stuitende werking van haar dagvaarding van 16 juni 1994, waarbij ze in kort geding een schadevergoeding vorderde van de BELGISCHE STAAT wegens de verzegeling van de woning. De BELGISCHE STAAT antwoordt daarop dat de stuiting voor niet bestaande moet gehouden worden met toepassing van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt: "indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm, indien de eiser afstand doet van zijn eis, of indien zijn eis wordt afgewezen, wordt de stuiting voor niet bestaande gehouden". Het blijkt echter niet dat de Wetgever bij de wet van 25 juli 2008 heeft geW. dat stuitingen van verjaringen onder toepassing van het oude artikel 101 met terugwerkende kracht ongedaan werden gemaakt. De wet wordt niet vermoed terugwerkende kracht te hebben (artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek). De verjaring van de vordering van C. voor de periode tot 1 september 2008 moet dus beoordeeld worden volgens de wet zoals die gold tot 1 september
- Overigens moet de ontvankelijkheid van de vordering beoordeeld worden op het ogenblik waarop ze wordt ingesteld, hier bij dagvaarding van 22 april
- Onder het oude artikel 101 had een gerechtsdeurwaardersexploot stuitende werking en schorste het instellen van een rechtsvordering de verjaring. C. heeft op 16 juni 1994 de BELGISCHE STAAT gedagvaard tot vergoeding van schade die het gevolg was van de verzegeling. Ten onrechte suggereert de BELGISCHE STAAT dat die vordering een ander voorwerp had dan de huidige. De verjaringstermijn was gestuit tot en met 16 juni 1999, en dus was de dagvaarding van C. in huidige zaak van 22 april 1999 tijdig. De heer H. heeft zijn vordering ingesteld bij verzoekschrift en conclusie neergelegd op 6 december
- Dat is buiten de termijn bepaald in artikel 100; er is geen daad van stuiting waarop hij zich kan beroepen. Hij gedraagt zich in conclusie op dit punt overigens "als naar rechte". Zijn vordering is verjaard. 4.
- De grond C. stelt dat de onderzoeksrechter door de woning meer dan 7 maanden verzegeld te houden niet heeft gehandeld als een normaal zorgvuldige magistraat in dezelfde omstandigheden. Zij laat gelden dat na de huiszoeking geen verdere onderzoeken meer zijn gevoerd in de woning. In de omstandigheden van de zaak was het nochtans niet onzorgvuldig van de onderzoeksrechter om de woning verzegeld te houden met het oog op mogelijke verdere onderzoeken ter plaatse. Dat die uiteindelijk niet zijn gebeurd, doet daaraan niets af. De eerste rechter schetst de omstandigheden van de zaak in de volgende bewoordingen, die het hof overneemt en tot de zijne maakt: "Volgens een uitvoerig verslag van 7 oktober 1994 van de Heer Procureur des Konings te Tongeren aan Mevrouw de Procureur-Generaal te Antwerpen, werd tijdens de huiszoeking in de keuken van de villa wit poeder aangetroffen en gaven na analyse van dit poeder door het labo van de gerechtelijke politie de indicatieve kleurtesten aanwijzing voor cocaïne. Tevens werden gestolen Oostenrijkse reispassen aangetroffen, en tijdens latere werkzaamheden door I. en P. werd in een reistas verborgen achter de isolatie boven de elektriciteitskast munitie ontdekt. In het kader van de huiszoekingen werden tevens wapens en draagbare zenders in beslag genomen. Tevens werden waardevolle Perzische tapijten en diverse kunstvoorwerpen aangetroffen. W. deed later vrijwillig afstand van in beslag genomen marmeren DALI- platen. Uit een navolgend verslag van 14 december 1994 blijkt dat de huur voor de villa in baar geld betaald werd door mevrouw S., maar dat de heer H. dit geld nadien stortte op rekening van mevrouw S., vanwaar het werd doorgestort aan BV L., de latere BV C.. Volgens de makelaar die de villa verkocht, werden de onderhandelingen gevoerd door de heer H., die reeds eerder aan CH. een woning aan de F.-laan verhuurde en een nieuwe woning voor zijn huurder zocht. CH. bezocht eenmaal het pand. Bij het verlijden van de akte was naast de heer H. ook W. aanwezig. De heer H. betaalde het voorschot, 125.000 toenmalige guldens, contant in handen van de notaris. Er werden ook verbouwingswerken uitgevoerd aan de villa. Architect, aannemer en werklieden verklaarden dat zij soms onderhandelden met CH., soms met de heer H.. Soms betaalde CH. in baar geld, soms betaalde de heer H. met cheques. De facturen dienden alle gericht te worden aan de BV L.. De architect verklaart dat de verbouwingen gebeurden op verzoek van de heer H., doch op aanwijzingen van CH.. De Duitser CH. betaalde de verbouwingen cash, ter waarde van 8 a 10 miljoen toenmalige Belgische frank. Andere betalingen gebeurden door L.. De heer H. werd uitgenodigd voor verhoor door de diensten van de gerechtelijke politie, doch hij wenste niet naar België te komen om een verklaring af te leggen. Ten slotte blijkt uit een tweede navolgend verslag van 3 februari 1995 van de Procureur des Konings te Tongeren dat zowel de heer H. als de raadsman van C. opgeroepen werden voor de zitting van de Raadkamer tot ontslag van de onderzoeksrechter en de overdracht der overtuigingsstukken aan de Duitse autoriteiten, doch niet verschenen." C. werpt op dat het bovenstaande steunt op de verslagen van het openbaar ministerie en dat die verslagen geen objectieve weergave vormen omdat het openbaar ministerie partij is in het onderzoek. Dat klopt niet echt: het openbaar ministerie vordert een onderzoek, en vordert na het onderzoek vervolging, maar is geen partij in het onderzoek. Overigens duidt C. niet eens aan op welk punt de verslagen van het openbaar ministerie dan wel onjuist zouden zijn of zouden afwijken van de processen-verbaal van de politiediensten. In de omstandigheden van de zaak, en in het bijzonder gelet op de aard en het belang van de onderzochte feiten en hun internationale dimensie was het net zorgvuldig van de onderzoeksrechter om de verzegeling te behouden, teneinde de woning te behoeden voor het verdwijnen van sporen of voor het weghalen van eventuele verborgen bewijselementen. Zo blijkt zoals vermeld in de uiteenzetting van de feiten dat per toeval nog munitie werd teruggevonden, en blijkt dat mevrouw S. anderzijds niet meer kon worden teruggevonden. De BELGISCHE STAAT laat terecht gelden dat ook de samenwerking met de Duitse autoriteiten ertoe leidde dat op hun inlichtingen moest gewacht worden voor eventuele verdere onderzoeksdaden. De aard en intensiteit van de contacten tussen de heer CH., mevrouw S. en de heer W. enerzijds en de heer H. en C. anderzijds en het gebruik van grote hoeveelheden baar geld konden de onderzoeksrechter overigens terecht aanzetten tot enige voorzichtigheid ten aanzien van laatstgenoemden. De BELGISCHE STAAT betwist niet dat bij het uitvoeren van de huiszoeking schade werd toegebracht aan de woning (aan de voordeur en aan de vloer van de technische ruimte) voor een bedrag van 710,93 EUR, dat hij bereid is te betalen. C. raamt de schade aan de woning op 3.184,27 EUR, plus een vergoeding van 2.293,02 EUR voor onbeschikbaarheid tijdens herstellingen. Zij meent dat de schade voldoende blijkt uit een verslag van de deskundige aangesteld in kort geding, en de vaststellingen van gerechtsdeurwaarder Gemis gedaan de dag na de ontzegeling. Alleen kan uit die verslagen wel het bestaan van schade blijken, maar niet dat die schade dateert van na de huiszoeking of verzegeling, laat staan dat die is aangebracht door de agenten van de BELGISCHE STAAT. C. houdt ter zake voor dat het aan de BELGISCHE STAAT is om te bewijzen dat hij de schade niet heeft aangebracht, maar dat is een omkering van de wettelijke regels: wie iets aanvoert, moet bewijzen (artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek). C. eist betaling van schadevergoeding, en moet het bestaan bewijzen van schade en van gehoudenheid van de BELGISCHE STAAT. Dat doet zij niet. De stelling van de BELGISCHE STAAT met betrekking tot de schade voor een bedrag van 710,93 EUR is wat in tegenspraak met het petitum van zijn conclusie, waarin hij vraagt het hoger beroep geheel ongegrond te verklaren; de eerste rechter heeft de vordering immers ook voor 710,93 EUR niet toegekend. De BELGISCHE STAAT erkent evenwel formeel dat hij gehouden is tot vergoeding van deze schade. Over de intresten wordt geen betwisting gevoerd. Het hoger beroep van C. is dus zeer gedeeltelijk gegrond.
- De kosten Partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 2.000,00 EUR. Gelet op de mate waarin partijen onderscheidenlijk in het gelijk en het ongelijk werden gesteld, worden de kosten omgeslagen zoals hieronder bepaald (art. 1017, 4de lid van het Gerechtelijk Wetboek). OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt: Hervormt het vonnis behalve voor zover het de kosten begroot, en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering van de heer H. niet ontvankelijk; Verklaart de vordering van C. ontvankelijk en gegrond als volgt: Veroordeelt de BELGISCHE STAAT tot de betaling aan C. van ZEVENHONDERD EN TIEN EURO DRIEENNEGENTIG CENT (710,93 EUR), plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 mei 1994 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan de zelfde rentevoet Het veroordeelt C. en de heer H. tot de betaling van 95 % van de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg zoals begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot - in hoofde van C. en H. op euro 2.186 (186 rolrecht + 2.000 rechtsplegingsvergoeding- en - in hoofde van de BELGISCHE STAAT op euro 2.000 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22/3/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Marc BOSMANS, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE M. BOSMANS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div