id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100322.2 Rolnummer: 2006AR2010 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-23 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-01 12:28 Fiche Anders dan de eerste rechter oordeelt, wordt bij de verkoop van een biertje in een café de eigendom van het bierglas in beginsel niet overgedragen; partijen maken niet aannemelijk dat dit in dezen wel het geval zou zijn. De klant koopt bier, en krijgt het tijdelijk gebruik van het glas. Bij het vastnemen van het bestelde glas bier barst het glas en kwetst de kant zich. Het slachtoffer nam het glas bier bovenaan en niet onderaan. Hij oefende dus druk uit op de bovenrand, die daartoe niet is bestemd. Het enkele feit van het barsten vormt uiteraard geen bewijs van een gebrek; het is een normaal kenmerk van glas dat het gemakkelijk barst. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Nakoming verbintenis - Schadevergoeding BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Klant gaat op cafébezoek en bestelt een biertje. Bij het nemen van het glad bier bovenaan (en niet onderaan) breekt het glas bier en loopt de klant een verwonding op. Is de cafébaas aansprakelijk? Neen in het concrete geval. Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2006/AR/2010 INZAKE VAN : De heer P. W., wonende te appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 9 juni 2006, vertegenwoordigd door Meester Johan DE HOUWER, advocaat te 3200 AARSCHOT, Kapitein Gilsonplein 20, 1ste kamer TEGEN : De heer A. L., wonende te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Barbara CAPPAERT loco Meester Nicolas VANDEBROEK, advocaat te 3000 LEUVEN, C. Meunierstraat 111,
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 9 juni
- De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd. Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.
- De feiten Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de relevante feiten door de eerste rechter, die als volgt kan samengevat worden. Op 11 april 2004 was de heer W. als klant aanwezig in het café te H., uitgebaat door de heer L.. Rond 0u30 plaatste de dienster een door de heer W. besteld glas bier voor hem op de toog. Zijn echtgenote stond tussen hem en de toog. Toen hij het glas over zijn echtgenote heen vastpakte om het op te nemen, brak het. De heer W. liep een wonde op aan zijn rechterhand. Nadien is gebleken dat een zenuw geraakt was, en is een operatieve ingreep gebeurd. De behandelende geneesheer verklaarde op 12 februari 2004 dat er tijdelijke arbeidsongeschiktheid was van 12 januari 2004 tot 16 februari
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderde de heer W. de veroordeling van de heer L. tot de betaling aan hem van 1,00 EUR provisioneel op een vordering geraamd op 6.000,00 EUR en de aanstelling van een deskundige geneesheer alvorens verder recht te doen. De heer L. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. 3.
- De eerste rechter verklaarde de vordering ongegrond, en veroordeelde de heer W. tot betaling van de kosten. 3.
- In hoger beroep herneemt de heer W. zijn oorspronkelijke vordering; de heer L. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen De heer W. baseert zijn vordering in hoofdorde op onrechtmatige daad, meer bepaald een gebrek in de zaak (artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek), ondergeschikt contractuele aansprakelijkheid, meer bepaald voor verborgen gebrek bij koop (artikel 1641 en 1615 van het Burgerlijk Wetboek). Terecht heeft de eerste rechter er op gewezen dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten, zodat in beginsel de contractuele aansprakelijkheid aan de orde is. Anders dan de eerste rechter oordeelt, wordt bij de verkoop van een biertje de eigendom van het bierglas in beginsel niet overgedragen; partijen maken niet aannemelijk dat dit in deze wel het geval zou zijn. De klant koopt bier, en krijgt het tijdelijk gebruik van het glas (zoals hij ook de meubelen gebruikt etc.) Een en ander maakt echter weinig uit, omdat niet bewezen is dat het glas een gebrek vertoonde. Uit de verklaringen van partijen en slechts één getuige (1 jaar na de feiten) blijkt alleen dat de heer W. zich sneed toen hij zijn glas van de toog nam. In de aangifte van de heer W. aan zijn verzekeraar heet het "ik nam het glas met mijn vijf vingers aan de bovenrand vast om het over de schouder van Ilse te tillen. Net voor het optillen van het glas sprong het stuk in mijn rechter hand." Dat suggereert dat de heer W. het glas niet nam bij de basis zoals bedoeld, en dat hij druk uitoefende op de bovenrand, die daartoe niet is bestemd. Het enkele feit van het barsten vormt uiteraard geen bewijs van een gebrek; het is een normaal kenmerk van glas dat het gemakkelijk barst. Ten overvloede: ook op buitencontractuele basis is de vordering ongegrond. Los van de discussie of de heer L. na de levering van het glas bier nog bewaarder is van het glas, staat vast dat de heer W. faalt in het bewijs van het bestaan van een gebrek in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek. Ook wat dat betreft, kan het gebrek niet afgeleid worden uit de schade; andere mogelijke oorzaken van de schade zijn niet uitgesloten.
- De kosten Partijen vragen voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering 900,00 EUR. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de heer W. ontvankelijk maar ongegrond. Veroordeelt de heer W. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van hemzelf op euro 1.086 (186 rolrecht + 900 rechtsplegingsvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 900 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22/3/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer dd. Voorzitter, Marc DEBAERE, Raadsheer, Thierry TAFFIJN, Plaatsvervangend Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS Th. TAFFIJN M. DEBAERE A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div