id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 maart 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100330.1 Rolnummer: 2007AR1719 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-30 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-01 12:34 Fiche De art. 1209 tot 1223 Ger.W. moeten aldus gelezen worden dat slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boedelnotaris, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt (art. 1209 tot 1223 Ger.W.) . Het is enkel wanneer alle procespartijen akkoord zijn dat andere discussiepunten die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van zwarigheden opgenomen in het betreffende proces-verbaal, op ontvankelijke wijze aan de rechter kunnen voorgelegd worden, waarbij zich nog de vraag stelt in welke mate zulks voor het eerst in graad van hoger beroep kan geschieden. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling Vrije woorden: Uitlegging van de artikelen 1209 tot 1223 Ger. W. Welke betwistingen kunnen aan de boedelrechter voorgelegd worden naar aanleiding van de gerechtlijke behandeling van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden? Quid bij gebreke van akkoord tussen de deelgenoten over andere betwistingen dan deze vervat in bovenbedoeld proces-verbaal? Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2007/AR/1719 INZAKE VAN : De heer B. V., wonende te appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 30 april 2007, vertegenwoordigd door Meester Jill VAN EECKE, advocaat te 1830 MACHELEN, Pieter Schroonsstraat 82, (ref. 1565) 1ste kamer TEGEN : Mevrouw B. D., wonende te geïntimeerde, in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Hubert DEMEESTER, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 535, (ref. EZ 420.00)
- feiten B. V. en B. D. waren mede-eigenaars van een woning gelegen te B. B. D. vorderde bij dagvaarding van 5 december 2001 de veiling van het onroerend goed en de verwijzing van de partijen naar een notaris teneinde de staat van verdeling op te maken. Bij vonnis van 25 maart 2002 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel notaris William VEREEKEN te Halle aangeduid om tot vereffening en verdeling en desgevallend tot veiling van het goed over te gaan. Notaris Yves WILLEKENS te Lot werd aangeduid als tweede notaris om de niet verschijnende of weigerende partij te vertegenwoordigen. Het onroerend goed werd definitief toegewezen op 21 oktober 2003 voor de prijs van euro 110.000, te verhogen met de onkosten. Op 6 december 2004 heeft notaris VEREEKEN een staat van vereffening opgesteld. Beide partijen hebben zwarigheden laten kennen. Notaris VEREEKEN heeft hiervan op 21 februari 2005 een proces verbaal van zwarigheden opgesteld. Samengevat komen deze zwarigheden hierop neer: · B. D. stelt dat de ereloonnota's van advocaat S. ten laste zijn van beiden elk voor de helft. Zij houdt voor dat zij reeds meer dan haar helft heeft betaald. Zij stelt verder dat zij, met eigen gelden facturen voor verbouwingen van het woonhuis heeft betaald in de jaren 1995 en volgende. Zij vraagt de helft terug. · B. V. laat gelden dat een post uit het passief (9 b - euro 5.383,43 betaald door mevrouw D. aan Argenta) ten laste van B. D. moet blijven omdat het haar deel van de terugbetalingen van de lening was. Hij stelt verder dat zijn ouders bij de aankoop van de woning een bedrag van 350.000 BEF hebben betaald, waarvan hij terugbetaling vraagt. Op 8 december 2005 heeft de notaris de staat van vereffening opgesteld voorzien van zijn commentaar met betrekking tot de geopperde zwarigheden. De notaris aanvaardt enkel de eerste zwarigheid van B. D. en hij verbetert de staat. B. D. behoudt aldus een vordering op B. V. tot beloop van euro 1.276,11 voor betalingen aan advocaat S., zij behoudt een vordering voor kosten van elektriciteit, gas en water voor euro 7.799,155 (zijnde de helft van de door haar betaalde facturen) en van euro 1.343,39 uit hoofde van betalingen boven haar helft in de hypothecaire schuld aan ARGENTA.
- de bestreden beslissing: Bij vonnis van 30 april 2007, bij verstek geacht op tegenspraak (toepassing van toenmalige artikel 751 Ger. W.) lastens B. V., werd de staat van notaris VEREEKEN van 6 december 2004 zoals aangepast op 8 december 2005 gehomologeerd. De zaak werd naar de boedelnotaris terugverzonden voor verdere afhandeling en uitvoering. De kosten werden ten laste gelegd van B. V..
- het hoger beroep en de vorderingen voor het hof: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 22 juni 2007 heeft B. V. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 30 april
- Het vonnis werd betekend op 23 mei
- Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn. Bij conclusie (30.11.2007) vordert B. V.: De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; Bijgevolg, Te verklaren naar recht dat de staat van vereffening en verdeling van de onverdeeldheid die bestaan heeft tussen de Heer B. V. en Mevrouw B. D., dient herzien en aangepast te worden als volgt : - de kosten en de achterstallen van de hypothecaire lening zijn volledig ten laste van mevrouw D.. - de Heer D. (*) heeft een vordering tegen mevrouw D. t.b.v. de helft van het bedrag van acht duizend zeshonderd zesenzeventig euro zevenentwintig cent (8.676,27 euro ) - de kosten voor het verbruik van elektriciteit, gas en water zijn volledig ten laste van mevrouw D.. - De Heer D. (*) heeft een vordering tegen mevrouw D. t.b.v. 21.000 euro ten titel van woonstvergoeding. ( * "D." moet gelezen worden als "V.") Verder vordert hij dat B. D. tot de kosten van beide aanleggen zou veroordeeld worden. B. D. vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij stelt een nieuwe vordering in voor tergend en roekeloos geding en vordert uit dien hoofde aan vergoeding van euro 1.
- Bedoeld is een vordering wegens beweerd tergend en roekeloos hoger beroep.
- bespreking: 4.
- hypothecaire lening: Notaris VEREEKEN heeft bij de bank de details opgevraagd van de betalingen die door elk van de leners werden verricht ter terugbetaling van de ontleende som. De notaris verduidelijkt als volgt het resultaat van zijn onderzoek: "De schuld aan Argenta was wel degelijk een solidaire schuld. De betaling door mevrouw B. D. ten bedrage van vijfduizend driehonderd drieëntachtig euro drieënveertig cent ( euro 5 383,43) op veertien april tweeduizend en drie hetzij na het proces-verbaal opening van werkzaamheden in huidige procedure is een betaling voor gemeenschappelijke rekening, van achterstallige bedragen, ten einde een dreigende procedure van uitvoerend beslag te vermijden, uitgaande van Argenta. De vermelding van dit bedrag op het gemeenschappelijk passief is wel degelijk correct. Uit voorgelegde bewijsstukken blijkt onbetwistbaar dat van alle betalingen aan Argenta vanaf één januari tweeduizend tot de totale terugbetaling op één maart tweeduizend en vier : - vijftienduizend vijfhonderd en tien euro achtendertig cent ( euro 15 510,38) werd betaald door de heer V., achttienduizend honderd zevenennegentig euro vijftien cent ( euro 18 197,15) werd betaald door B. D.. De bewering van de heer V. als zou de betaling van vijfduizend vijfhonderd drieënveertig euro zesentachtig cent ( euro 5 543,86) volledig ten haren laste vallen wordt derhalve tegengesproken door de mij voorgelegde bankuittreksels. Hieruit blijkt dat het integendeel de heer V. is die aan Mevrouw D. duizend driehonderd drieënveertig euro negenendertig cent ( euro 1 343,39) verschuldigd is omdat hij te weinig heeft bijgedragen in de terugbetalingen Argenta." B. V. ontkracht deze redenering - die stoelt op de rekeninguittreksels waarnaar de notaris verwijst, en waarvan de onjuistheid door B. V. niet wordt voorgehouden, noch bijgebracht - niet. Hij beperkt er zich toe te stellen dat de afrekening van de notaris onjuist is, maar hij brengt geen enkel bewijs noch argument bij dat die stelling geloofwaardig maakt. Wat dit punt betreft is het hoger beroep niet gegrond. 4.
- door de ouders van V. voorgeschoten bedragen: De vraag of de ouders van B. V. al dan niet een cheque hebben afgegeven voor een bedrag van 350.000 BEF (bedrag, dat zou gediend hebben om het voorschot van de aankoopprijs van de woning destijds te financieren) is niet relevant. B. V. toont niet aan - en legt niet uit - hoe en op welke grondslag hijzelf over een vorderingsrecht tegen B. D. zou beschikken omwille van een aanbetaling verricht door zijn ouders. Hij toont niet aan hoe hij in de rechten van zijn ouders zou getreden zijn. Wat dit punt betreft is het hoger beroep niet gegrond. 4.
- kosten voor verbruik van elektriciteit, gas en water: B. V. houdt voor dat de kosten voor verbruik enkel door B. D. dienen gedragen te worden om reden dat zij alleen het pand zou bewoond hebben in de kwestieuze periode. De enkele omstandigheid dat B. V. zijn woonplaats niet had in het kwestieuze gebouw, staat er niet aan in de weg dat hij nog een gedeelte van het pand bezette. B. D. bewijst dat zij B. V. heeft moeten dagvaarden in kortgeding op 17 september 2003 teneinde te horen gebieden dat hij de door hem afgesloten gedeelten van het gebouw zou open stellen voor de bezichtiging in het kader van de verkoop. B. D. toont eveneens aan dat B. V. (onder vorm van zijn vennootschap ‘Customer Centric BVBA') zich als huurder van het gebouw een voorkooprecht heeft aangematigd. Deze elementen bewijzen dat B. V. wel degelijk minstens nog een deel van het gebouw in gebruik had derwijze dat hij dan ook dient bij te dragen in de kosten van elektriciteit, gas en water. Wat dit punt betreft is het hoger beroep niet gegrond. 4.
- woonstvergoeding: Voor het eerst voor het hof vordert B. V. een woonstvergoeding van euro 21.
- De art. 1209 tot 1223 Ger.W. moeten aldus gelezen worden dat slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boedelnotaris, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt (art. 1209 tot 1223 Ger.W.) . Het is enkel wanneer alle procespartijen akkoord zijn dat andere discussiepunten die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van zwarigheden opgenomen in het betreffende proces-verbaal, op ontvankelijke wijze aan de rechter kunnen voorgelegd worden, waarbij zich nog de vraag stelt in welke mate zulks voor het eerst in graad van hoger beroep kan geschieden. Te dezen is er geen akkoord vanwege B. D.. Deze, na afsluiten van het proces-verbaal van zwarigheden, voorgelegde zwarigheid, is niet ontvankelijk.
- nieuwe vordering voor tergend en roekeloos hoger beroep B. D. vordert een schadevergoeding van euro 1.200 omwille van tergend en roekeloos hoger beroep. Deze vordering is ontvankelijk maar niet gegrond. B. D. toont niet aan dat B. V. misbruik heeft gemaakt van het recht om het geschil aan de appelrechter voor te leggen. Nu de wetgever de dubbele aanleg als gewone vorm van de rechtspleging heeft voorzien, is het instellen van een gewoon rechtsmiddel slechts dan tergend en roekeloos wanneer het op foutieve wijze wordt ingesteld. Het bewijs hiervan is te dezen door B. D. niet bijgebracht.
- de kosten Beide partijen begroten de rechtsplegingvergoeding in graad van hoger beroep op euro 1.
- B. V. laat gelden dat hij geniet van de kosteloze rechtspleging . Op grond van artikel 1022 Ger. W. moet de rechtsplegingvergoeding bepaald worden op het minimumbedrag indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet. Te dezen is er geen kennelijk onredelijke situatie die zou opleggen dat hiervan zou afgeweken worden. Het minimumbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen beloopt euro 75 . OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en de nieuwe vordering ontvankelijk doch beide ongegrond; Veroordeelt B. V. tot de kosten van het hoger beroep, begroot - in hoofde van hemzelf op euro 261 (186 rolrecht + 75 (rechtsplegingvergoeding), en - in hoofde van geïntimeerde op euro 75 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 30/3/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter, Marc BOSMANS, Raadsheer, Marc DEBAERE, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. DEBAERE M. BOSMANS A. DE PREESTER Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div