← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100402.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 02 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100402.1 Rolnummer: 2003/AR/1911 Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-04-06 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-01 12:36 Fiche Het arrest van het hof van beroep van Brussel van 9 mei 2005 heeft de volledige vordering zoals gevraagd door de N.V. X toegekend, waardoor dit geen uitspraak alvorens recht te doen betreft, vermits het geen voorafgaande maatregel beveelt en het ook geen provisionele uitspraak is waarbij de rechter, in afwachting van de einduitspraak, een provisionele vergoeding toekent. Dat het hof de N.V. Y veroordeeld heeft tot een provisionele schadevergoeding op een eis geraamd op een bepaald bedrag, wat niet kan worden gelijkgesteld met een vordering, heeft als rechtsgevolg dat de N.V. X haar recht behoudt om aanspraak te maken op een bijkomende schadevergoeding wanneer de sanering van de site zal worden beëindigd, maar doet geen afbreuk aan het feit dat het hof in zijn arrest van 9 mei 2005 zijn rechtsmacht volledig heeft uitgeoefend omtrent de geschilpunten die hem werden voorgelegd. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Eindvonnis PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Bodemverontreiniging Vrije woorden: uitputting van rechtsmacht - openbare orde - bodemverontreiniging - provisionele schadevergoeding Tekst van de beslissing IN ZAKE VAN: De NV X; appellante, Advocaat: Mr. DERDE Hilde; TEGEN: De NV Y; geïntimeerde, Advocaat: Mr. MALLIEN Pascal; Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het arrest van dit hof van beroep uitgesproken op 9 mei

  1. De procedurevoorgaanden Bij dagvaardingexploot betekend op 20 juni 2001 heeft de N.V. X een inleidende vordering voor de rechtbank van koophandel te Brussel ingesteld tegen de N.V. Y, die ertoe strekte: - te horen zeggen voor recht dat laatstgenoemde bodemverontreiniging heeft veroorzaakt op het perceel te G. en derhalve aansprakelijk is voor alle kosten, waaronder deze van de bodemsanering conform het decreet dd. 22.02.1995 betreffende de bodemsanering zoals herhaaldelijk gewijzigd, die hieruit voortvloeien; - dienvolgens laatstgenoemde te horen veroordelen om te betalen aan de N.V. X de som van 5.000.000 BEF als eerste provisie op een bedrag geraamd op 15.000.000 BEF, vermeerderd met de verwijlintresten sinds 18 mei 2001 en de gerechtelijke intresten tot de dag der algehele betaling; - de zaak voor het overige naar de rol te verwijzen. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel dd. 24 april 2003 werd de vordering van de N.V. X ontvankelijk doch ongegrond verklaard en afgewezen. De rechtbank gaf hierbij voor zoveel als nodig akte aan de N.V. Y van het door haar gemaakte voorbehoud tot het instellen van een vordering tot recuperatie van de kostprijs en het arbeidsloon van de bij het echtpaar X-Z achtergelaten installatie. Tegen dat vonnis heeft de N.V. X hoger beroep aangetekend. In haar laatste syntheseconclusie neergelegd op 13 februari 2004 ter griffie van het hof van beroep vorderde de N.V. X het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te vernietigen in zoverre het de vordering van de N.V. X afwijst en opnieuw recht doende, haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en vast te stellen dat de N.V. Y de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt op het perceel gelegen te G. en dienvolgens aansprakelijk is voor alle kosten, waaronder deze van de bodemsanering conform het decreet dd. 22.02.1995 betreffende de bodemsanering zoals herhaaldelijk gewijzigd, die hieruit voortvloeien. Zij vorderde vervolgens de veroordeling van de N.V. Y tot het betalen van de som van euro 227.489,87 op een bedrag geraamd op euro 371.840,28 te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 18 mei 2001, de gerechtelijke intresten en de kosten. Zij vroeg tevens dat de tegenvordering van de N.V. Y ongegrond zou verklaard worden. Bij arrest van het hof van beroep te Brussel dd. 9 mei 2005 werd het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaard. Het bestreden vonnis werd tenietgedaan behalve in zoverre het de vordering ontvankelijk heeft verklaard en de kosten heeft begroot. Opnieuw recht sprekend werd de oorspronkelijke vordering gegrond verklaard en de tegenvordering en het voorbehoud ongegrond. Er werd vastgesteld dat de N.V. Y aansprakelijk is voor de bodemverontreiniging van het perceel te G.; De N.V. Y werd veroordeeld tot het betalen aan de N.V. X van de provisionele vergoeding van euro 227.489,87 op een vordering geschat op euro 371.840,28 vermeerderd met de verwijlintresten sedert 18 mei 2001, de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten van beide aanleggen, wat de eerste aanleg betreft zoals begroot in het bestreden vonnis, wat het hoger beroep betreft vereffend op euro 186 + euro 58,26 + euro 466,04 in hoofde van de N.V. X en vereffend op euro 466,04 in hoofde van de N.V. Y. De tegenvordering en het voorbehoud werden als ongegrond afgewezen. Tegen het arrest van 9 mei 2005 heeft de N.V. Y cassatieberoep aangetekend maar het werd verworpen bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 2 februari
  2. In een brief van 8 januari 2009 van de raadsman van de N.V. X gericht aan het hof van beroep werd gesteld dat een provisionele vergoeding bij het arrest van 9 mei 2005 werd toegekend en werd gevraagd om een conclusiekalender met pleitdatum vast te leggen. In syntheseconclusie neergelegd op 15 juni 2009 vorderde de N.V. X de N.V. Y te veroordelen om haar te betalen een bijkomend bedrag van euro 380.352,81, te vermeerderen met de intresten sedert 18 mei 2001 aan de bijzondere wettelijke intrestvoet vastgesteld volgens de wet van 2 augustus 2002 en met de gerechtelijke intresten sedert de datum van het tussen te komen arrest tot de datum van algehele betaling. De N.V. Y concludeerde tot de ongegrondheid van de aanvullende vordering tot schadevergoeding na het tussengekomen arrest van 9 mei
  3. Zij stelde een tegenvordering in die ertoe strekte de N.V. X te veroordelen tot terugbetaling van euro 43.449,61 met betrekking tot de toegekende provisionele veroordeling, rekening houdend met de tussenkomst van Bofas, te verhogen met de gerechtelijke intresten vanaf de neerlegging van haar conclusie op 2 juni 2009 tot en met de dag van betaling. De zaak werd vastgesteld op de zitting van 26 juni
  4. Op deze zitting heeft het hof ambtshalve de vraag gesteld naar de al dan niet uitputting van zijn rechtsmacht en partijen uitgenodigd over dit ambtshalve opgeworpen middel te concluderen. Beoordeling
  5. Wanneer een rechter uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet meer aanhangig is omdat hij reeds vroeger in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen erover uitspraak heeft gedaan, doet hij uitspraak over een geschilpunt waarover hij zijn rechtsmacht volledig heeft uitgeoefend en schendt hij artikel 19, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. De rechter pleegt hierdoor machtsoverschrijding (Cass. 17 januari 1995, R.W. 1996-1997, 124; Cass. 22 november 1993, R.W. 1993-1994, 1053; Cass.19 april 2001). Het middel dat de feitenrechter verwijt dat hij zijn bevoegdheid heeft overschreden door opnieuw uitspraak te doen over een geschilpunt dat hij reeds in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen had beslecht, raakt de openbare orde (Cass. 25 juni 2009, AR C.07.
  6. www.cass.be). De exceptie van uitputting van rechtsmacht die de openbare orde raakt, moet door de rechter ambtshalve worden ingeroepen, zelfs indien de partijen akkoord gaan om te stellen dat de rechtsmacht van de rechter nog niet is uitgeput.
  7. Het gerechtelijk wetboek kent twee typen van rechterlijke uitspraken: einduitspraken en uitspraken alvorens recht te doen. Daarnaast zijn er nog beslissingen of maatregelen van inwendige orde. Krachtens artikel 19, eerste lid Ger. W. is een rechterlijke beslissing een einduitspraak in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Krachtens artikel 19, tweede lid Ger. W. kan de rechter alvorens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig regelen. Een vonnis is een eindvonnis nadat de rechter zijn rechtsmacht over een geschilpunt volledig heeft uitgeoefend. Een gemengd vonnis is een uitspraak waarin zowel een principiële eindbeslissing is vervat als een beslissing alvorens recht te doen. In een uitspraak alvorens recht te doen beveelt de rechter een voorafgaande maatregel om de eis te onderzoeken of om de toestand van de partijen voorlopig te regelen. In de eerste plaats gaat het om een uitspraak waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen, verduidelijkende handelingen van de partijen worden gevraagd of de debatten werden heropend. In de tweede plaats gaat het om provisionele uitspraken waarbij in afwachting van de einduitspraak al een provisionele maatregel wordt genomen of een provisionele vergoeding wordt toegekend. Het komt alleen aan de rechter die de voorlopige maatregel heeft genomen om deze op basis van veranderde omstandigheden te wijzigen. Een eventuele exceptie van uitputting van de rechtsmacht hieromtrent kan door de rechter ambtshalve worden opgeworpen (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers, "Handboek gerechtelijk recht" p.415, nr. 881). In burgerlijke zaken is een eindvonnis het vonnis dat het door een der partijen ten onrechte ontvangen bedrag vaststelt en die partij tot betaling bij voorraad van een frank en tot de kosten in hoger beroep veroordeelt, zonder voorbehoud te maken voor enig punt waarover de rechtbank nog uitspraak zou moeten doen (Cass. 19 maart 1992, Arr. Cass. 1991-92, 703). Er dient - aan de hand van wat gevraagd werd in de inleidende dagvaarding en in de laatste beroepsconclusies voorafgaand aan het arrest van 9 mei 2005 in vergelijking met wat door het arrest van 9 mei 2005 werd toegekend - nagegaan te worden of voormeld arrest een eindarrest is of een arrest alvorens recht te spreken of een gemengd arrest en in dat laatste geval of het hof een voorlopige maatregel heeft bevolen dan wel een provisionele maatregel heeft genomen of een provisionele vergoeding heeft toegekend in afwachting van een einduitspraak. Zowel in de gedinginleidende dagvaarding als in de laatste syntheseconclusie van de N.V. X voor het hof neergelegd op 13 februari 2004 heeft de N.V. X gevraagd te horen zeggen voor recht dat de N.V. Y bodemverontreiniging heeft veroorzaakt op het perceel te G. en derhalve aansprakelijk is voor alle kosten, waaronder deze van de bodemsanering conform het decreet dd. 22.02.1995 betreffende de bodemsanering zoals herhaaldelijk gewijzigd, die hieruit voortvloeien. In het arrest van 9 mei 2005 stelt het hof vast dat de N.V. Y "aansprakelijk is voor de bodemverontreiniging van het perceel te G." Het hof heeft ongetwijfeld een einduitspraak met betrekking tot de aansprakelijkheid voor de bodemverontreiniging geveld. Met betrekking tot de schadevergoeding werd in de gedinginleidende dagvaarding gevorderd de N.V. Y te horen veroordelen om te betalen aan de N.V. X de som van 5.000.000 BEF (thans euro 123.946,76) als eerste provisie op een bedrag geraamd op 15.000.000 BEF ( euro 371.840,29) vermeerderd met de verwijlintresten sinds 18 mei 2001 en de gerechtelijke intresten tot de dag der algehele betaling en de zaak voor het overige naar de rol te verwijzen. In haar laatste syntheseconclusie vorderde de N.V. X de veroordeling van de N.V. Y tot het betalen van de som van euro 227.489,87 op een bedrag geraamd op euro 371.840,28 te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 18 mei 2001, de gerechtelijke intresten en de kosten. Zij vroeg tevens dat de tegenvordering van de N.V. Y ongegrond zou verklaard worden. Deze vordering hield een uitbreiding van de vordering in. Ook werd niet meer gevorderd dat de zaak naar de rol zou worden verzonden. In verband met de gevorderde schadevergoeding stelt het arrest dd. 9 mei 2005 onder de titel "Over de begroting van de schade": "X n.v. brengt de bewijsstukken bij van de uitgaven en kosten tot heden tot beloop van euro 227.489,
  8. De schade tot beloop van dit bedrag is dan ook hic et nunc gegrond. Er is aanleiding deze veroordeling slechts provisioneel uit te spreken gezien de sanering van de site niet geheel is beëindigd." In het beschikkend gedeelte van het arrest wordt de N.V. Y veroordeeld tot het betalen aan de N.V. X van de provisionele vergoeding van euro 227.489,87 op een vordering geschat op euro 371.840,28 vermeerderd met de verwijlintresten sedert 18 mei 2001, de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten van beide aanleggen. Het arrest kent derhalve de volledige vordering zoals gevraagd door de N.V. X toe. Het arrest is bijgevolg geen uitspraak alvorens recht te doen vermits het geen voorafgaande maatregel beveelt en het ook geen provisionele uitspraak is waarbij de rechter, in afwachting van de einduitspraak, een provisionele vergoeding toekent. Met betrekking tot de tegenvordering van de N.V. Y heeft het hof deze ongegrond verklaard. Zijn uitspraak is desbetreffend definitief. Het arrest van 9 mei 2005 is een eindbeslissing omdat het hof zich uitgesproken heeft over alle geschilpunten die voor hem hangende waren. Zijn rechtsmacht is over het ganse geding uitgeput. Dat het hof de N.V. Y veroordeeld heeft tot een provisionele schadevergoeding op een eis geraamd op een bepaald bedrag, wat niet kan worden gelijkgesteld met een vordering, heeft als rechtsgevolg dat de N.V. X haar recht behoudt om aanspraak te maken op een bijkomende schadevergoeding wanneer de site zal worden beëindigd maar doet geen afbreuk aan het feit dat het hof in zijn arrest van 9 mei 2005 zijn rechtsmacht volledig heeft uitgeoefend omtrent de geschilpunten die hem werden voorgelegd. Bijgevolg kan het hof geen kennis nemen van de hoofdvordering van de N.V. X en de tegenvordering van de N.V. Y, ingesteld na het arrest van 9 mei 2005, en zijn deze vorderingen niet ontvankelijk. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak ; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken; Zegt voor recht dat het hof zijn rechtsmacht volledig heeft uitgeoefend in het arrest van 9 mei 2005 en geen kennis kan nemen van de hoofdvordering van de N.V. X en de tegenvordering van de N.V. Y. Verklaart de hoofdvordering van de N.V. X en de tegenvordering van de N.V. Y, ingesteld na het arrest van 9 mei 2005, in dezelfde zaak 2003/AR/1911, onontvankelijk; Zegt dat elke partij haar eigen kosten zal dragen. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de 5de kamer van het Hof van Beroep te Brussel op 2 april 2010 waar aanwezig waren: Mevr. I. Diercxsens, Voorzitter, Dhr. J. Blomme, Raadsheer, Dhr. B. Veeckmans, Raadsheer, Dhr. S. De Cooman, Griffier, Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.