id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 april 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100413.1 Rolnummer: 2007KR392 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2005-04-13 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-07-01 19:29 Fiche I. De bevoegdheid van de kortgedingrechter (en thans van het hof) wordt beheerst door het criterium van hoogdringendheid. Bij de beoordeling van het hoger beroep van een eis in kort geding is de rechter in hoger beroep, door het feit zelf dat hij bij voorraad uitspraak doet niet verplicht om, ter beoordeling van de hoogdringendheid, terug te gaan tot de dag waarop de vordering werd ingesteld of tot die waarop de beslissing van de eerste rechter werd gewezen, en kan hij rekening houden met hetgeen zich sedertdien heeft voorgedaan. De tussenkomst van de rechter in kort geding, die gebaseerd is op de hoogdringendheid, is verantwoord wanneer de situatie derwijze is dat de vrees voor een nadeel van een zekere omvang, of zelfs voor ernstige ongemakken, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. II. De hoogdringendheid is tegelijk een voorwaarde voor de bevoegdheid voor de rechter in kort geding en een voorwaarde voor de gegrondheid van de eis. III. Om de hoogdringendheid te beoordelen als voorwaarde voor de gegrondheid van de eis, houdt de rechter in kort geding met name rekening met het gedrag van de eisende partij. Een langdurige inactiviteit van de eisende partij sluit niet noodzakelijk de hoogdringendheid uit wanneer zij een ernstige reden kan aanvoeren, die haar inactiviteit verantwoordt of wanneer nieuwe feiten de bestaande situatie recentelijk hebben verzwaard of wanneer die verergert onder invloed van de duur. IV. De hoogdringendheid van een vordering in kort geding wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de rechter uitspraak doet, zelfs in beroep . V. Er is sprake van hoogdringendheid wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Hoogdringendheid is voorhanden wanneer, gesteld dat de aangevoerde feiten voldoende worden gestaafd, het gevorderde effectief dient te worden toegekend om schade van enige omvang of ernstige ongemakken te voorkomen. VI. De rechter die een vordering in kort geding afwijst wegens gebrek aan hoogdringendheid, hoeft niet nader te antwoorden op de niet dienend geworden middelen van de procespartijen (art. 97 G.W.; Cass. 17 maart 1995) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Rechtscolleges Vrije woorden: Kort geding - Criterium van de hoogdringendheid. Wanneer is de tussenkomst van de rechter in kort geding, gebaseerd op hoogdringendheid verantwoord? - De hoogdringendheid als voorwaarde van de bevoegdheid van de rechter in kortgeding en als voorwaarde van de gegrondheid van de eis - Artikel 149 GW inzake de motiveringspluicht van de rechter: specifieke aspecten van de motiveringsplicht voor de rechter in kortgeding. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - Art. 149 Gerechtelijk Wetboek - Art. 584, eerste lid Tekst van de beslissing ARREST N° Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit : Rep. Nr. 2010/ A.R. nr. 2007/KR/392 INZAKE VAN : De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2840 RUMST, Antwerpsesteenweg 70, appellante tegen een beschikking uitgesproken door de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 1 oktober 2007, vertegenwoordigd door Meester Inez VAN LOOCK, advocaat te 2610 WILRIJK, Prins Boudewijnlaan 177-181, 1ste kamer TEGEN : 1) De BELGISCHE STAAT, F.O.D. WERKGELEGENHEID, ARBEID- EN SOCIAAL OVERLEG, vertegenwoordigd door haar Minister van Werk, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Kunstlaan 7, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester HANZEN loco Meester Bert MERGITS, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 247 bus 14, 2) De RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, R.S.Z., openbare instelling, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0206.731.645, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester DE KERPEL loco Meester Pieter DERVEAUX, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan 54,
- feiten:
- De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS heeft sedert 1959 als activiteit de ontginning van steengroeven en de verwerking van de ontgonnen steen. Zij voert met de RIJKSDIENST voor SOCIALE ZEKERHEID (hierna "R.S.Z.") een discussie betreffende het paritair comité waaronder zij moet ingedeeld worden, ofwel comité 124 voor het bouwbedrijf ofwel comité 102 (eventueel sub comité 102.08) voor het groefbedrijf. Voor de zagerij in Kontich werd zij ingedeeld in comité 124, voor de ontginning van groeven in Wallonië werd zij ingedeeld in comité 102.08 (brief van 29 maart 1960). Bij brief van 7 november 1995 uitgaande van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid - inspectie van sociale wetten - thans de BELGISCHE STAAT, FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (hierna ""Minister van Werk"") werd zulks bevestigd. Er werd hiertegen bezwaar ingediend, doch dit werd verworpen bij brief van 27 december
- Ingevolge een nieuw onderzoek heeft de "Minister van Werk" op 18 september 1996 de R.S.Z. aangeschreven om te melden dat vanaf het 3de kwartaal 1996 alle activiteiten moesten ondergebracht worden onder paritair comité 102 (en dit zowel voor de activiteiten in Rumst als voor deze in Ouffet). Bij brief van 15 april 1998 werd andermaal door de "Minister van Werk" de indeling in twee onderscheiden paritaire comités herhaald....
- Verschillende rechtsplegingen werden ingeleid voor de arbeidsgerechten teneinde een definitieve uitspraak te bekomen aangaande de vraagstelling. Bij arrest van 28 mei 2004 heeft het arbeidshof te Antwerpen inzonderheid vastgesteld dat de R.S.Z. aanvaardt dat de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS voor de activiteiten op de bedrijfszetel in Rumst (vroeger Kontich) ressorteert onder het paritair subcomité 102.08 en dat de R.S.Z. afstand doet van het onderdeel van de vordering dat daarop betrekking heeft. Het hof stelde ook de wettelijke schuldvergelijking vast tussen de door de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen aan de R.S.Z. en het gedeelte van de door haar betaalde bijdragen dat onverschuldigd was (omwille van het feit dat hogere bijdragen dienden te worden betaald bij indeling in comité 124 - reden van de discussie). Alvorens een definitieve uitspraak te doen werd aan de R.S.Z. bevolen om een reconstructie te doen en de hieraan verbonden afrekening op te maken aan de hand van de stappen die door het arrest zijn beschreven in de motieven. De R.S.Z. heeft een cassatievoorziening ingesteld tegen dit arrest. Bij arrest van 12 september 2005 heeft het Hof van Cassatie dit arrest gedeeltelijk vernietigd. Het cassatiearrest stelt expliciet dat het arrest van het arbeidshof niet vernietigd wordt in zoverre het vaststelt dat de R.S.Z. aanvaardt dat de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS ressorteert onder het paritair comité 102.08 en afstand doet over haar betwisting terzake. De zaak werd, na beperkte cassatie verwezen naar het arbeidshof te Brussel. Bij arrest van 29 juni 2006 heeft het arbeidshof te Brussel de zaak wat betreft de aansprakelijkheidsvordering verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, voor het overige werd de zaak aangehouden. Bij verstekvonnis van 17 februari 2003 had de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen deskundige Eddy BERTELS aangesteld met als opdracht te onderzoeken hoeveel de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS sedert 21 augustus 1959 te veel heeft betaald ingevolge de onterechte indeling onder paritair comité
- Bij vonnis van dezelfde rechtbank van 2 mei 2006 werd het verstekvonnis bevestigd. Bij arrest van 9 april 2009 heeft het arbeidshof te Brussel de heropening van de debatten bevolen "teneinde de R.S.Z. toe te laten een gedetailleerde en overzichtelijke afrekening op te stellen van hetgeen partijen elkaar wederzijds verschuldigd zijn, intresten inbegrepen, vanaf het tweede kwartaal 1993, rekening houdend met het feit dat de bvba VAN REETH-HOEFKENS, voor haar werkliedenpersoneel tewerkgesteld te Rumst, ressorteerde onder de bevoegdheid van het Paritair Comité 102.08". Het hof heeft bevolen dat de R.S.Z. zijn afrekening zou voorleggen uiterlijk op 9 juli 2008 en de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS op 10 september
- Het hof bepaalde tevens conclusietermijnen en stelde de zaak op 19 november
- Uit de vraag die op 16 november 2009 door de auditeur-generaal bij het arbeidshof werd gesteld (stuk IV.4 dossier appellante) blijkt dat de R.S.Z. de vereiste stukken niet - zoals gevraagd door het hof - heeft neergelegd. De zaak kon aldus niet behandeld worden op 19 november 2009 en werd verschoven naar 21 januari
- Er is wordt niet voorgehouden dat er inmiddels reeds een eindbeslissing zou tussengekomen zijn. Er worden dienaangaande geen stukken bijgebracht.
- Dat de activiteiten uitgeoefend door de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS ressorteren onder het paritair comité 102 (of een subcomité ervan) en niet onder comité 124, staat thans vast. Dat de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS gedurende ettelijke jaren te hoge bijdragen heeft betaald aan de R.S.Z. en dat deze dienen terugbetaald te worden door de R.S.Z. staat evenzo vast. Dat de R.S.Z. niet de vereiste medewerking verleent om een ernstige berekening van de verschuldigde bijdragen versus de foutief aangerekende en geïnde bijdragen op te maken staat evenzo vast.
- rechtspleging: Bij exploot van 15 mei 2007 heeft de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS dagvaarding in kortgeding uitgebracht lastens de "Minister van Werk" en de R.S.Z.. De vordering strekt ertoe om de gedaagde partijen (huidige geïntimeerden) in solidum te horen veroordelen tot het betalen van een provisie van euro 2.500.
- Tevens strekt de vordering ertoe aan de R.S.Z. verbod te horen opleggen om nog verdere invorderingsdaden te stellen totdat er een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing zal zijn over het tegoed van de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg heeft zich bevoegd verklaard en heeft de vordering ook ontvankelijk verklaard. Bij vonnis van 1 oktober 2007 heeft de bestreden beslissing de vordering afgewezen bij gebrek aan hoogdringendheid. De beslissing werd betekend op 27 oktober 2007 en de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS heeft op 26 november 2007 bij verzoekschrift hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn. Voor het hof heeft de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS niet geconcludeerd alhoewel er haar conclusietermijnen waren toebedeeld. Voor het hof vordert de "Minister van Werk" de afwijzing van het hoger beroep, hij houdt bij wijze van incidenteel hoger beroep voor dat de oorspronkelijke vordering niet toelaatbaar minstens onontvankelijk is en ondergeschikt dat het hof zich zou dienen onbevoegd te verklaren. De R.S.Z. vordert voor het hof de afwijzing van het hoger beroep. Zij stelt een nieuwe vordering in die ertoe strekt de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS te horen veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van euro 2.500 wegens tergend en roekeloos hoger beroep.
- bespreking: 3.
- Ten onrechte stelt de "Minister van Werk" dat de vordering niet ontvankelijk zou zijn om reden dat de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS geen belang zou hebben om tegen de Staat te ageren. Vanaf het ogenblik dat een subjectief recht is geschonden, heeft de partij voldoende belang om een rechtsvordering in te stellen tegen al wie zij aansprakelijk acht voor de schending van haar rechten. De vraag of de rechter finaal de vordering zal inwilligen is hierbij niet relevant. Dat de "Minister van Werk" enkel een advies heeft gegeven (dat blijkbaar foutief was) staat er niet aan in de weg dat wie zich geschaad voelt door een dergelijk advies, een ontvankelijke rechtsvordering kan instellen tegen degene die het foutieve advies heeft verleend. De stelling als zou een advies dat geen bindend advies is, in het kader van de te dezen dienstige administratieve rechtspleging, geen aanleiding kunnen geven tot enige aansprakelijkheid, is onjuist. Al wie advies geeft, hetzij omdat de wet een advies voorziet, hetzij omdat de partij op vraag van de wederpartij of zelfs spontaan advies geeft, is aansprakelijk voor de juistheid van het advies. Er anders over oordelen zou tot gevolg hebben dat het advies in het geheel geen enkel nut zou vertonen en dan was er ook geen enkele reden opdat het advies zou verstrekt worden. Of concreet gezien een verkeerd advies een schade berokkent aan degene die de uiteindelijke eindbestemmeling ervan is, betreft de al dan niet gegrondheid van de vordering en niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid ervan. Een vordering is ontvankelijk van zodra zij door de wet is toegelaten, de eiser niet van zijn recht vervallen is (vb door verjaring) en de eiser hoedanigheid en belang heeft om de vordering in te stellen. Wanneer deze vordering tegen een rechtspersoon gericht is die - om welke reden dan ook - niet degene is die een fout heeft begaan of algemeen gesproken ten onrechte werd gedagvaard, dan is deze vordering wel degelijk ontvankelijk maar dan is zij in dat geval, ongegrond. Dit betekent dat de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS wel degelijk van voldoende belang doet blijken om haar vorderingen tegen de "Minister van Werk" te richten. 3.
- Ten onrechte houdt de "Minister van Werk" evenzo voor dat de kortgedingrechter niet bevoegd zou zijn. De bestreden beslissing heeft op pertinente wijze - en het hof neemt deze motieven over en maakt ze tot de zijne - uiteengezet dat de voorzitter van de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg volheid van rechtsmacht geniet. De vordering die ertoe strekt op grond van foutaansprakelijkheid een provisie te bekomen en een partij verbod te horen opleggen om daden van invordering te stellen, behoort niet tot het bevoegdheidspakket van de arbeidsrechtbank (art. 578 tot 583 Ger. W.) en/of diens voorzitter (art. 587 bis tot quater Ger. W.) terwijl de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg is alle gevallen die hij spoedeisend acht bij voorraad uitspraak doet (at. 584 Ger. W.) hetgeen met zich brengt dat de onbevoegdheid van de voorzitter van deze rechtbank ten onrechte wordt voorgehouden. De vordering is gesteund op een voorgehouden hoogdringendheid en strekt tot een uitspraak bij voorraad. Dit volstaat opdat de voorzitter bevoegd zou zijn - in principe -. 3.
- In tegenstelling tot wat de "Minister van Werk" voorhoudt is de initiële vordering ontvankelijk, het incidenteel hoger beroep is dienvolgens niet gegrond. De voorzitter in kortgeding - en dus ook het hof als appelrechter - zijn bevoegd om van het geschil zoals het beperkt is, kennis te nemen. De "Minister van Werk" is in het ongelijk gesteld wat zijn incidenteel hoger beroep betreft . 3.
- De bevoegdheid van de kortgedingrechter (en thans van het hof) wordt beheerst door het criterium van hoogdringendheid. Bij de beoordeling van het hoger beroep van een eis in kort geding is de rechter in hoger beroep, door het feit zelf dat hij bij voorraad uitspraak doet niet verplicht om, ter beoordeling van de hoogdringendheid, terug te gaan tot de dag waarop de vordering werd ingesteld of tot die waarop de beslissing van de eerste rechter werd gewezen, en kan hij rekening houden met hetgeen zich sedertdien heeft voorgedaan (vgl. Cass. 4 november 1976, Arr. Cass. 1977, 262; Pas. 1977, I, 260; R.W. 1976-77, 2146; T.S.R. 1977, 275). De tussenkomst van de rechter in kort geding, die gebaseerd is op de hoogdringendheid, is verantwoord wanneer de situatie derwijze is dat de vrees voor een nadeel van een zekere omvang, of zelfs voor ernstige ongemakken, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt (vgl. Brussel 27 maart 2002, Res Jur.Imm. 2003, 82). De hoogdringendheid is tegelijk een voorwaarde voor de bevoegdheid voor de rechter in kort geding en een voorwaarde voor de gegrondheid van de eis. Om de hoogdringendheid te beoordelen als voorwaarde voor de gegrondheid van de eis, houdt de rechter in kort geding met name rekening met het gedrag van de eisende partij. Een langdurige inactiviteit van de eisende partij sluit niet noodzakelijk de hoogdringendheid uit wanneer zij een ernstige reden kan aanvoeren, die haar inactiviteit verantwoordt of wanneer nieuwe feiten de bestaande situatie recentelijk hebben verzwaard of wanneer die verergert onder invloed van de duur (vgl. Brussel 27 januari 2000, JT 2001, 28). De hoogdringendheid van een vordering in kort geding wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de rechter uitspraak doet, zelfs in beroep (vgl. Brussel 19 november 1999, AM 2001, 139, noot F.J. - Brussel 10 januari 1970, Pas. 1970, II, 78). Er is sprake van hoogdringendheid wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Hoogdringendheid is voorhanden wanneer, gesteld dat de aangevoerde feiten voldoende worden gestaafd, het gevorderde effectief dient te worden toegekend om schade van enige omvang of ernstige ongemakken te voorkomen (vgl. Brussel 2 juli 2007, IRDI 2007, 264, noot VANDERMEULEN, B., Het oppervlakkig onderzoek naar de prima facie geldigheid van (Europese) octrooien, IRDI 2007, 277-281). 3.
- Hoewel er in een eerste fase onduidelijkheid heerste over de vraag onder welk paritair comité de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS ressorteert voor de activiteiten te Kontich en later te Rumst, blijkt uit de stukken van de rechtspleging dat het arbeidshof te Antwerpen reeds bij het arrest van 28 mei 2004 heeft vastgesteld dat de R.S.Z. aanvaardt dat de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS voor de activiteiten op de bedrijfszetel in Rumst (vroeger Kontich) ressorteert onder het paritair subcomité 102.08 en dat de R.S.Z. afstand doet van het onderdeel van de vordering dat daarop betrekking heeft. Het arbeidshof stelde de zaak in heropening der debatten op 22 oktober 2004 teneinde de R.S.Z. toe te laten tot reconstructie over te gaan van de effectief verschuldigde bijdragen en teneinde de R.S.Z. evenzo toe te laten de hieraan verbonden afrekening op te stellen aan de hand van de gegevens die het arbeidshof in de motieven van zijn beslissing heeft aangereikt. Wanneer de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS vaststelde dat er geen medewerking kwam vanwege de R.S.Z. was zij vanaf dat moment gerechtigd om een provisie of maatregelen te vorderen. Reeds bij dagvaarding van 19 december 2002 had de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS een rechtspleging ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen met als voorwerp de terugbetaling te bekomen van wat teveel betaald werd. De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS toont niet aan dat zij op het moment van het inleiden van de rechtspleging in kortgeding (mei 2007) en op huidig ogenblik in een toestand verkeerde en verkeert, die de toekenning van een provisie onontbeerlijk maakt. Zij legt enkel een balans neer op 31 december
- Er zijn geen stukken voor de litigieuze data. Er blijkt overigens niet dat de situatie derwijze is dat zonder dat een provisie (van maar liefst euro 2.500.000) wordt toegekend, er een voor haar ernstig en onomkeerbaar nadeel zou optreden. De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS laat gelden dat zij dient te werken in niet-concurrentiële voorwaarden. Dit lijkt wel zo te zijn, doch het feit op zich toont niet aan dat zonder de toekenning van een provisie, de werking van het bedrijf in het gedrang komt. De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS laat gelden dat zij "de grootste moeite heeft om het hoofd boven water te houden" doch legt enkel een print van een balans op 31 december 2008 neer (stuk IV.1). Deze balans - waarvan niet blijkt dat zij is goedgekeurd en dat aan de wettelijke vereisten van openbaarmaking is voldaan - is niet voorzien van enige commentaar en er wordt uit dit stuk geen enkel middel of argument ontwikkeld (behoudens de hiervoor geciteerde zinsnede). De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS toont aldus niet aan dat er (ten tijde van het instellen van de vordering voor de kortgedingrechter en thans) een hoogdringendheid voorhanden is. De enkele omstandigheid dat de B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS reeds jaren wacht op het voorleggen door de R.S.Z. van een duidelijke afrekening die voldoet aan de criteria zoals door de arbeidsgerechten vooropgesteld, heeft niet tot gevolg dat dit gebrek aan medewerking door de R.S.Z. de toekenning van een provisie zou rechtvaardigen. De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS kon bijvoorbeeld voor de bodemrechter vorderen dat de neerlegging van de afrekeningen moest geschieden onder verbeurte van een dwangsom. Uit het stuk IV.3 van appellante blijkt dat zij - zelfs in april 2009, wanneer zij conclusie nam voor het arbeidshof te Brussel -, geen dwangsom heeft gevorderd. 3.
- Een partij die over een procedurele mogelijkheid beschikt om haar positie veilig te stellen of die de mogelijkheid heeft (sedert verschillende jaren) om de niet-medewerking door de wederpartijen af te dwingen mits het vorderen dat de voorlegging van stukken en afrekeningen zou geschieden onder verbeurte van een dwangsom, maar deze mogelijkheid onbenut laat, moet zelf verantwoordelijk worden geacht voor het aldus aan haar berokkende nadeel. Zij kan zich daarop niet beroepen om voor de kortgedingrechter - weze het in graad van hoger beroep - op grond van artikel 584 lid 1 Ger. W. een voorlopige maatregel te verkrijgen. Er is dienvolgens geen hoogdringendheid (meer) voorhanden in de zin van artikel 584 lid 1 Ger. W. wanneer het hof zich - bij voorraad - ettelijke jaren na het miskennen van een verplichting tot voorleggen van afrekeningen, moet uitspreken. De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS had de mogelijkheid om voor de bodemrechter, de verbeurte van een dwangsom te vorderen - om aldus een uitspraak ten gronde te verkrijgen -, maar ze heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid (vgl. Brussel 6 oktober 2006, NJW 2007, 82, noot VERSCHELDEN, G.). De nodige hoogdringendheid om in kort geding te beslissen is voorhanden zo gauw moet worden aangenomen dat de gevorderde maatregel vereist is om ernstige ongemakken of schade van een bepaalde omvang te voorkomen of te doen eindigen maar de hoogdringendheid is enkel voorhanden wanneer de hiertoe nodige beslissing volgens de gewone rechtspleging van de bodemrechter niet tijdig kan worden verkregen (vgl. Brussel 12 februari 2002, A.J.T. 2001-02, 743; Bank Fin.R. 2002, 175, noot STEENNOT, R.; Computerr. (NL) 2002, 376 en http://www.computerrecht.nl, noot PETILLION, F.; DCCR 2002, 73, noot NIHOUL, P.; RW 2001-02, 1575; TBH 2002, 384, noot DE CLIPPELE, F.). Bovendien kan de rechter in kort geding, in geval van hoogdringendheid, slechts een provisionele vergoeding toekennen wanneer het recht van de eiser niet voor ernstige betwisting vatbaar is, d.i. wanneer zowel de schuldvordering van de eiser als de daaraan beantwoordende verplichting van de beweerde schuldenaar, met voldoende zekerheid vaststaat (vgl. Brussel 19 maart 1996, P&B 1996, 223). Te dezen staat de vordering enkel wat het principe betreft vast doch - bij gebreke aan de afrekening - niet wat de bedragen betreft. De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS vordert evenwel niet dat het hof bij wijze van dringende en voorlopige maatregel de R.S.Z. zou opleggen om, mits verbeurte van een (eventueel aanzienlijke) dwangsom de kwestieuze afrekening - zoals deze door het arbeidshof en door de auditeur-generaal (zie hiervoor) is gevraagd -. In deze omstandigheden is het bewijs van de hoogdringendheid te dezen niet geleverd. 3.
- De rechter die een vordering in kort geding afwijst wegens gebrek aan hoogdringendheid, hoeft niet nader te antwoorden op de niet dienend geworden middelen van de procespartijen (art. 97 G.W. en art. 584, lid 1 Ger.W.) (zie: Cass. 17 maart 1995, http://www.cass.be op datum, arrest nummer C.93.0204.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950317.11; Arr.Cass. 1995, 320; Pas. 1995, I, 330; TRD&I 1995, 472). 3.
- Dezelfde motieven gelden ten aanzien van de vraag om aan de R.S.Z. verbod op te leggen daden van invordering te stellen. De beslagrechter heeft desgevallend te beoordelen of een daad van uitvoering - in de concrete omstandigheden van een zaak - geoorloofd is dan wel een misbruik van recht zou (kunnen) uitmaken hetwelk moet gesanctioneerd worden door een opschorten van een geplande maatregel of daad van uitvoering. Er wordt geen gewag gemaakt van nakende uitvoerende beslagmaatregelen derwijze dat ook wat dit punt betreft geen hoogdringendheid wordt aangetoond die zou moeten rechtvaardigen dat de voorzitter in kortgeding eerder dan de beslagrechter (waar evenzo een versnelde rechtspleging geldt) een verbodsmaatregel zou moeten treffen. De vraag een verbod op te leggen naar de toekomst toe is niet pertinent. De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS kan de bevoegde rechter tijdig vatten wanneer de R.S.Z. daden van invordering zou stellen. 3.
- Het hoger beroep is ongegrond.
- de nieuwe vordering voor tergend beroep: De R.S.Z. vordert een schadevergoeding van euro 2.500 voor tergend en roekeloos hoger beroep. De omstandigheid dat geen nieuwe elementen worden aangevoerd in het verzoekschrift tot hoger beroep, maakt dit hoger beroep niet tergend en roekeloos. De wet vereist niet dat er nieuwe elementen zouden zijn opdat een beroep zou kunnen ingesteld worden. De omstandigheid dat de laatste nuttige dag hoger beroep werd ingesteld is al evenmin relevant. De appellant beschikt over de volledige wettelijke termijn om hoger beroep in te stellen, dat hij tot de laatste dag wacht is niet foutief. Het hoger beroep is niet roekeloos of tergend, alleen omdat het gericht is tegen een goed gemotiveerd vonnis van de eerste rechter en de appellerende partij geen enkel nieuw stuk voorlegt (Cass. 22 mei 2006, http://www.cass.be op datum, arrest nummer S.05.0091.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060522.7; Pas. 2006, I, 1183; RW 2008-09, 229). De R.S.Z. is in het ongelijk gesteld wat haar nieuwe vordering in hoger beroep betreft.
- de kosten: De partijen zijn het erover eens dat het basistarief voor de rechtsplegingvergoeding berekend conform artikel 2 van het KB van 26 oktober 2007, euro 15.000 bedraagt. De B.V.B.A. VAN REETH-HOEFKENS vraagt dat wanneer zij in het ongelijk zou worden gesteld, de vergoeding in haar hoofde op het minimumbedrag zou bepaald worden omwille van haar precaire financiële toestand. Zij bewijst deze precaire toestand niet (zie hiervoor). Gezien elk van de drie procespartijen elk voor een deel in het ongelijk worden gesteld, past het de rechtsplegingvergoeding in graad van hoger beroep aldus om te slaan dat elke partij zijn eigen kosten draagt zodanig dat geen enkele partij enige rechtsplegingvergoeding aan een andere verschuldigd is. De rechtsplegingvergoeding moet dienvolgens vereffend worden op het basisbedrag van euro 15.
- besluit: Zowel het hoofdberoep, het incidenteel beroep en de nieuwe vordering in graad van hoger beroep zijn ontvankelijk doch alle ongegrond. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen en de nieuwe vordering in graad van hoger beroep ontvankelijk doch alle ongegrond; Slaat de kosten van het hoger beroep om tussen elk van de drie partijen te weten dat elke partij zijn eigen kosten ten laste te nemen heeft. Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 13/4/2010 waar aanwezig waren en zitting hielden : Marc BOSMANS, Raadsheer, bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier. V. DE VIS M. BOSMANS Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950317.11 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060522.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div