← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100504.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 04 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100504.1 Rolnummer: 2006AR1131 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-05-07 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-01 12:49 Fiche Bij de verspreiding van informatie, ook al heeft deze betrekking op het openbaar leven van iemand, mag de pers zich niet alles veroorloven. Zij moet het publiek namelijk juiste inlichtingen verstrekken, die betrekkelijk volledig en objectief zijn, waardoor zij zich genoodzaakt ziet uiterst voorzichtig en behoedzaam te werk te gaan, zowel bij het zoeken naar informatie als bij de verspreiding ervan. Zo men van de journalist geen totale objectiviteit kan eisen, gezien de betrekkelijke onzekerheid van zijn onderzoeksmiddelen, belet dit echter niet dat de journalist verplicht is te handelen op basis van gegevens die op een redelijke wijze werden gecontroleerd. De journalist mag m.n. niet gelijk welk gerucht, door gelijk wie verspreid, verspreiden of, zonder controle een beschuldiging overnemen van andere media. Het principe van de persvrijheid mag de journalisten dan wel toelaten om vrije kritiek te uiten, het geeft hen daarom nog niet de toestemming om iemand in diskrediet te brengen. De journalist dient zich te onthouden van valse en lasterlijke bewoordingen UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden - Vrijheid - Vrijheid drukpers - art. 25 Vrije woorden: Artikel 25 van de Grondwet - Vrije meningsuiting. Persvrijheid. Misbruik van persvrijheid. In opspraak brengen. Vermelding, ten onrechte, van negationisme in hoofde van een persoon. Fout van twee journalist: aansprakelijkheid in solidum. Schadeloosstelling. Morele schade: aantasting van de goede naam. Begroting van de morele schade ex aequo et bono, in casu op één euro. In casu, geen publicatie van het arrest in dagbladen toegestaan Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2006/AR/1131 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: D. A., journalist, wonende te appellant, vertegenwoordigd door Mr. ARTS loco Mr. ROBBROECKX Jozef, advocaat te 2610 WILRIJK (ANTWERPEN), Jules Moretuslei 374/376 ; TEGEN:

  1. DE PERSGROEP PUBLISHING N.V., met maatschappelijke zetel te 1730 ASSE, Brusselsesteenweg 347, ingeschreven met KBO-nummer 0430.281.013.,
  2. D. D., journalist
  3. D. J., wonende geïntimeerden allen vertegenwoordigd door Mr. VAN DYCK Peter loco Mr. GLAS Geert, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 268a en vertegenwoordigd door Mr. VAN DYCK Peter, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 268 A ;
  4. voorgaande: 1.
  5. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 21 april 2006 heeft A. D. hoger beroep ingesteld tegen een vonnis op 2 december 2005 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De bestreden beslissing heeft de vordering van A. D. tegen de N.V. UITGEVERIJ DE MORGEN niet ontvankelijk verklaard op grond van artikel 25 tweede lid Grondwet. In de mate als gericht tegen D. D. en J. D. werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Er wordt geen akte van betekening van het vonnis voorgelegd, het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn. 1.
  6. Op 18 april 2003 dagvaardde A. D. de N.V. UITGEVERIJ DE MORGEN teneinde, op grond van artikel 1382 B.W., een veroordeling te bekomen tot het betalen van de som van euro 50.000 te vermeerderen met intresten en kosten en tevens tot het horen veroordelen van de krant tot publicatie van het tussen te komen vonnis binnen de maand van betekening onder verbeurte van een dwangsom van euro 2.000 per dag vertraging. Op 8 juni 2004 werden D. D. en J. D. in tussenkomst gedagvaard. Deze dagvaarding heeft hetzelfde voorwerp als de initiële vordering. 1.
  7. Voor het hof hebben de N.V. DE PERSGROEP PUBLISHING, D. D. en J. D. geconcludeerd op 30 januari 2007 en 29 juni
  8. Zij vorderen de bevestiging van de bestreden beslissing. A. D. heeft geconcludeerd op 26 april 2007, hij vordert: "Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het eerste vonnis te hervormen en opnieuw recht doende : De oorspronkelijke vordering van (A. D.) ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens (N.V. DE PERSGROEP PUBLISHING, D. D. en J. D.) hoofdelijk en in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen om te betalen aan (A. D.) ten titel van schadevergoeding de som van euro 50 000,00, te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 22 februari 2003 evenals met de gerechtelijke intresten tot datum van gehele betaling. Tevens (N.V. DE PERSGROEP PUBLISHING, D. D. en J. D.) hoofdelijk en in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot het (laten) publiceren van het tussen te komen arrest in de krant DE MORGEN in een duidelijk leesbaar lettertype op een plaats die gelijkwaardig is aan de plaats waarin het gewraakte artikel werd gepubliceerd, en dit binnen de maand na betekening van het tussen te komen arrest, onder verbeurte van een dwangsom van euro 2000,00 per dag vertraging. Minstens en ondergeschikt, het tussen te komen arrest aan NV UITGEVERIJ DE MORGEN/NV DE PERSGROEP PUBLISHING bindend en gemeen te verklaren en haar mede te veroordelen tot publicatie van het tussen te komen arrest. In ieder geval (N.V. DE PERSGROEP PUBLISHING, D. D. en J. D.) hoofdelijk en in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot de gerechtskosten (...)". 1.
  9. Op 12 april 2000 heeft de Procureur-generaal schriftelijk advies uitgebracht. Dit strekt er in hoofdorde toe de bestreden beslissing te zien bevestigen. In ondergeschikte orde wordt gesteld dat de schade enkel symbolisch kan zijn. 1.
  10. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 4 maart 2010 repliceert A. D. op het advies van het openbaar ministerie en herneemt hij zijn standpunt. De vordering tot schadevergoeding wordt herleid tot euro 9.
  11. de feiten: 2.
  12. De bestreden beslissing heeft de feiten duidelijk weergegeven, het hof verwijst ernaar. 2.
  13. Kort samengevat komt het hierop neer. In een artikel gepubliceerd in de krant DE MORGEN van 22 februari 2003 werd een artikel gepubliceerd met als titel "Eigen Folk eerst ?" waarin volgende zinsnede voorkomt: "...Boven het café, aan de Jezuïetenrui 1, was jarenlang ook de ‘Boekendienst" van Voorpost gevestigd, een postorderbedrijfje voor wie zich wilde verdiepen in de werken van Grote Denkers die het bestaan van de nazi-concentratiekampen betwistten, zoals A. D., de Italiaanse fascist Romualdi of oorlogsmisdadiger Robert Verbelen...." A. D. is van oordeel dat dit artikel hem ten onrechte voorstelt als een negationist. Hij houdt voor dat hij hierdoor schade lijdt, waarvoor hij een schadevergoeding vordert alsmede de publicatie van de beslissing die hem deze vergoeding toekent.
  14. bespreking: 3.
  15. Wat de ontvankelijkheid betreft van de onderscheiden vorderingen: M.b.t. de vordering gericht tegen De Morgen (= de uitgever) (thans de N.V. DE PERSGROEP PUBLISHING) dient het principe herinnerd te worden vervat in het huidige artikel 25, lid 2 G.W. dat stelt dat wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats heeft in België, de uitgever, de drukker of de verspreider niet kunnen vervolgd worden (= de getrapte aansprakelijkheid). De grondslag van deze bepaling bestaat in het garanderen van een zo ruim mogelijke persvrijheid. De bedoeling van deze regeling bestaat er immers in dat men heeft willen voorkomen dat de censuur van de Staat, waarmee men definitief wilde breken, zou worden vervangen door de censuur van de uitgever of van de drukker . Indien immers ook drukkers en uitgevers zouden worden blootgesteld aan vorderingen in belangrijke schadevergoedingen, is het niet ondenkbeeldig dat de drukkers en uitgevers, om zich te beschermen, elke tekst die tegen iemand of tegen de overheid enige kritiek zou inhouden systematisch zouden weigeren te drukken of te verspreiden waardoor de persvrijheid door een soort interne censuur aan banden zou worden gelegd. Artikel 25 (=oude artikel 18) is van toepassing in burgerlijke zaken . Het feit dat de schrijver bekend was en een vaste woonplaats heeft in België blijkt uit de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring die ten verzoeke van appellant zelf betekend werd. Appellant ging hiertoe over nadat De Morgen in haar conclusie opgeworpen had dat bij toepassing van artikel 25, lid 2 G.W. enkel de schrijver kon aangesproken worden. Dit laatste wordt expliciet door appellant vermeld in de dagvaarding in gedwongen tussenkomst als enige reden waarom hij pas dan tot dagvaarding overging van de heer D.. A. D. beweert, maar bewijst niet dat het litigieuze bericht door de redactie, door een redactioneel beleid of door wie ook zou zijn ingegeven of opgedrongen aan de redacteurs van het artikel. De door hem geciteerde rechtsleer die van de tegenovergestelde hypothese uitgaat (dit is dat er wel bewezen is dat de redacteur een melding schrijft onder druk van de redactie of een redactioneel beleid) is dienvolgens niet relevant. De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering van appellant niet ontvankelijk verklaard in zoverre gericht tegen De Morgen als uitgever. 3.
  16. Wat de grond van de zaak betreft: 3.2.
  17. Appellant steunt zijn vordering op artikel 1382 e.v. B.W. - principes: De Grondwet die de vrijheid van drukpers waarborgt, voert geen beperking in op het in art. 1382 B.W. vastgelegde grondbeginsel. Er is misbruik van de persvrijheid wanneer onbedachtzame beschuldigingen worden geuit zonder voldoende bewijslevering en wanneer onnodig kwetsende termen of overdrijvingen zijn gebruikt. Bij de beoordeling van het onrechtmatig karakter wordt rekening gehouden met de context waarin de artikels zich situeren, de kenmerken van de kranten of tijdschriften waarin de artikels zijn gepubliceerd en met de functie van de personen die bekritiseerd werden. De juistheid of onjuistheid van feiten kan niet bewezen worden door middel van andere persartikels waarvan de betrouwbaarheid niet kan vastgesteld worden . Bij de verspreiding van informatie, ook al heeft deze betrekking op het openbaar leven van iemand, mag de pers zich niet alles veroorloven. Zij moet het publiek namelijk juiste inlichtingen verstrekken, die betrekkelijk volledig en objectief zijn, waardoor zij zich genoodzaakt ziet uiterst voorzichtig en behoedzaam te werk te gaan, zowel bij het zoeken naar informatie als bij de verspreiding ervan. Zo men van de journalist geen totale objectiviteit kan eisen, gezien de betrekkelijke onzekerheid van zijn onderzoeksmiddelen, belet dit echter niet dat de journalist verplicht is te handelen op basis van gegevens die op een redelijke wijze werden gecontroleerd. De journalist mag m.n. niet gelijk welk gerucht, door gelijk wie verspreid, verspreiden of, zonder controle een beschuldiging overnemen van andere media. Het principe van de persvrijheid mag de journalisten dan wel toelaten om vrije kritiek te uiten, het geeft hen daarom nog niet de toestemming om iemand in diskrediet te brengen. De journalist dient zich te onthouden van valse en lasterlijke bewoordingen . De journalisten moeten zich te goeder trouw gedragen, zodanig dat juiste en kredietwaardige informatie wordt verstrekt met inachtneming van de journalistieke deontologie. Ze moeten blijk geven van voorzichtigheid in de verwerking van informatie, deze in de mate van het mogelijke controleren en doen overeenstemmen met andere bronnen . De journalist die iets heeft gepubliceerd moet het bewijs kunnen leveren dat dit met de waarheid overeenstemt of dat hij minstens het nodige opzoekingswerk heeft gedaan om aan het publiek zo waarheidsgetrouw mogelijke informatie te geven. Het feit dat een journalist niet kan verplicht worden om zijn bronnen bekend te maken, betekent niet dat men ermee moet volstaan om hem op zijn woord te geloven . Een journalist begaat een fout door de integriteit van een persoon aan te tasten zonder de verkregen informatie aan de hand van voldoende, objectief controleerbare bewijzen te verifiëren of informatie bevestigd te zien door een objectief controleerbare bron . Kortom de vrije meningsuiting en de persvrijheid zijn absolute grondrechten die gewaarborgd zijn door de Grondwet (artikel 25 lid 1 en artikel 19) en door artikel 10 EVRM. Deze grondrechten mogen evenwel niet dienen om iemand in opspraak te brengen alwaar er daartoe geen aanwijzing is. 3.2.
  18. in concreto : A. D. verwijt D. D. en J. D. onzorgvuldig te zijn opgetreden door in het gewraakte artikel te vermelden dat hij een negationist is daar waar geen enkele bron - zelfs niet deze die thans voor het hof worden voorgelegd - zulks voorhoudt. Terecht laat A. D. gelden dat de omstandigheid dat in diverse bronnen vermeld staat dat hij gedachten zou aankleven die gekwalificeerd worden als een extreem rechts gedachtegoed, niet kan en mag gelijkgesteld worden met de bewering dat hij een negationist zou zijn. "Negationisme kan (...) gedefinieerd worden als ‘de ideologie, die er naar streeft de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, te ontkennen of te minimaliseren'. Het gaat bij negationisme om een geheel van ideeën die de Holocaust willen ontkennen om de achterliggende nazi-ideologie aanvaardbaar te maken. Negationisme heeft dus niets te maken met geschiedkunde, maar alles met politieke overtuiging. Om nazi-ideeën aanvaardbaar te maken, vormt de Holocaust immers een groot obstakel dat zo veel mogelijk dient ontkend te worden" . In België is negationisme een misdrijf ingevolge de Wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd . Deze wet (gekend als : ‘negationismewet') werd gewijzigd bij artikel 3 van de Wet van 7 mei 1999 en bij artikel 2 van de Wet van 26 juni 2000 . Opdat iemand als negationist zou vernoemd worden in een persartikel of een geschrift dat aan het publiek wordt voorgelegd, moet er een aanwijzing zijn. De loutere omstandigheid dat iemand rechtse ideeën aankleeft of zich in kringen beweegt alwaar dergelijk ideeëngoed wordt gepropageerd volstaat niet als aanwijzing om deze persoon ook als negationist te bestempelen. Het bewuste artikel stelt zeer expliciet dat de geschriften van A. D. behoren tot wie zich wil verdiepen "in de werken van Grote Denkers die het bestaan van de nazi-concentratiekampen betwistten". D. D. en J. D. beroepen zich op drie bronnen:

(1)de rol van A. D. bij de organisatie GRECE,
(2)de band met Grabert Verlag, een Duitse uitgeverij van revisionistische boeken en
(3)de eigen publicaties van A. D.. De verwijzing naar "de organisatie GRECE" bewijst niet dat A. D. zelf negationistische geschriften zou opgesteld hebben of dat hij voornoemd gedachtegoed aankleeft en/of verspreidt. De door D. D. en J. D. voorgebrachte stukken (omschreven in de conclusie pagina 20 tot 24, nummers 24 tot 29) brengen geen enkel concreet element bij waaruit zou kunnen afgeleid worden dat A. D. zich als negationist profileert. De loutere insinuaties die in deze zin zouden kunnen wijzen, in bepaalde persartikelen vormen geen voldoende betrouwbare bron om ongenuanceerd voor te houden dat A. D. een negationist "is". De omstandigheid dat A. D. werken gepubliceerd heeft bij een uitgeverij (Grabert Verlag) die negationistische publicaties zou verspreiden, volstaat al evenmin om alle publicaties bij deze uitgever onder dezelfde noemer onder te brengen. Waar D. D. en J. D. voorhouden dat A. D. zelf negationistische bijdragen heeft geschreven (conclusie pagina 25-27, nummers 32 tot 34), blijkt uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan dat dergelijke publicaties niet worden bijgebracht. Er is geen bewijs dat de beweerde pseudoniemen inderdaad met A. D. overeen te brengen zijn. Dat een tijdschrift AAARGH negationistische publicaties zou hebben verspreid is al evenmin aan A. D. toeschrijfbaar (om dezelfde motieven als wat hiervoor omtrent GRECE werd gesteld). Publicaties in tijdschriften waarvan A. D. redactielid of zelfs hoofd van de redactie is of is geweest, kunnen niet aan hem toegeschreven worden nu D. D. en J. D. niet betwisten dat de artikelen waarnaar zij verwijzen door anderen (dan A. D.) werden geschreven. A. D., die op zich niet betwist dat hij een welbepaald gedachtegoed aankleeft - dat meestal als ‘extreem-rechts' of minstens ‘rechts' wordt aangeduid - mocht niet vernoemd worden als ‘negationist' zonder dat er hiervoor een objectief controleerbare bron voorligt. Iemand in die omstandigheden beschuldigen in een persartikel van het aankleven van een ideeëngoed dat door de wet als een misdrijf is aanzien, behoort niet tot de persvrijheid en vrije meningsuiting van de journalist. Het maakt een fout uit vanwege de journalist. 3.2.
  1. in solidum: De fouten van de beide journalisten zijn samenlopend zodat zij beide in solidum aansprakelijk zijn. 3.2.
  2. schade: A. D. toont niet aan dat hij een welbepaalde materiële schade heeft geleden ingevolge de litigieuze publicatie. Hij houdt (terecht) voor dat de fout "leidt tot een enorme aantasting van de eer en de reputatie (...) zowel in zijn privé, professioneel als sociaal leven, waarbij hier absoluut dient rekening te worden gehouden met zijn bekendheid". Behoudens deze affirmatie (conclusie pagina 23-24) brengt A. D. evenwel geen enkel element van schade bij. Hij leed dus enkel een morele schade bestaande in de aantasting van zijn goede naam, deze schade wordt - bij ontstentenis en gezien de onmogelijkheid van enige concrete becijferbaarheid - ex aequo et bono begroot op euro 1,00-. 3.2.
  3. publicatie: De litigieuze publicatie dateert van 22 februari
  4. Thans, meer dan 7 jaar later vormt de publicatie van het arrest, geen adequate sanctie. De feiten zijn reeds zeer lang door het publiek vergeten en uit het publieke bewustzijn uitgewist door de tand des tijds. De feiten thans opnieuw oprakelen door het arrest te publiceren zou de kwestie nutteloos terug in herinnering brengen. De vordering tot publicatie en tot gemeen verklaren aan de N.V. DE PERSGROEP PUBLISHING is dienvolgens niet gegrond.
  5. wat de gerechtskosten betreft: Alle partijen hebben ter zitting van 26 januari 2010 om de toepassing gevraagd van het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft . De partijen hebben, gelet op de omvang van het gevorderde het basistarief terecht begroot op euro 2.500,-. In de laatste conclusie - neergelegd op 4 maart 2010 - heeft A. D. zijn vordering herleid tot euro 9.990,-. In het licht hiervan (de vordering in de laatste conclusie is bepalend voor de berekening van de rechtsplegingvergoeding) dient het bedrag van de rechtsplegingvergoeding begroot te worden op euro 900,-. Dit bedrag komt ten beloop van 2/3 toe aan appellant als de overwegend in het gelijk gestelde partij en ten beloop van 1/3 aan geïntimeerden. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, Gezien het schriftelijk advies van Advocaat generaal R. DEBRUYNE en diens mondeling advies; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre hierin de vordering van appellant niet ontvankelijk verklaard wordt zoals gericht tegen de NV Uitgeverij De Morgen en de kosten begroot worden, en opnieuw recht sprekende voor het overige, Verklaart de vordering van appellant ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond in zoverre gericht tegen D. D. en J. D., Veroordeelt D. D. en J. D. in solidum tot betaling van een bedrag van euro 1,00-, ten titel van morele schadevergoeding, plus de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 8 juni 2004, datum van de dagvaarding in tussenkomst. Veroordeelt enerzijds D. D. en J. D. in solidum tot betaling van 2/3 van de gerechtskosten in beide aanleggen en anderzijds A. D. tot het overige 1/3, in hoger beroep begroot op euro 186 rolechten + euro 900 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 4 mei
  6. Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, Raadsheer dd. Voorzitter, Dhr. M. Bosmans, Raadsheer, Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. B. Heymans M. Debaere M. Bosmans A. De Preester Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.