← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100504.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 04 mei 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100504.3 Rolnummer: 2007AR1562 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-05-07 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-01 12:50 Fiche Een bouw- of verkavelingverbod voortvloeiend uit een definitief vastgesteld plan kan recht geven op planschadevergoeding indien het goed dat erdoor wordt getroffen op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan kan worden beschouwd als een te bebouwen of te verkavelen grond, ofwel op grond van de bestaande bestemming, ofwel op grond van de normale bestemming van het terrein. Een perceel grond heeft de normale bestemming van respectievelijk bouwgrond of verkavelinggrond indien het ligt aan een, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende uitgeruste weg, gelegen is in de nabijheid van andere woningen en technisch geschikt is om bebouwd of verkaveld te worden. Hieruit volgt dat indien een verkavelbaar perceel wordt getroffen door een bouw- en verkavelingverbod, voor de planschadevergoeding slechts dient te worden onderzocht of het perceel gelegen is aan een bestaande en gelet op de plaatselijke toestand voldoende uitgeruste weg, zonder dat tevens moet worden nagegaan of de onderscheiden kavels aan een bestaande uitgeruste weg zouden grenzen. Anders dan het VLAAMSE GEWEST aanvoert, beperken die wetsbepalingen het recht op planschadevergoeding wegens niet langer verkavelbare grond niet tot het deel van het perceel grond dat zich situeert binnen de gebruikelijke bouwdiepte maar heeft de eigenaar van een verkavelbare grond niet alleen recht op planschadevergoeding voor de kavels die zouden grenzen aan een bestaande en voldoende uitgeruste weg, maar moet ook rekening worden gehouden met alle kavels die binnen de verkaveling hadden kunnen gerealiseerd worden UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Vlaams gewest. Planschade. Artikelen 37 en 38, wet van 29 maart 1962, en artikel 35 van het coördinantiedecreet. Interpretatie van de zinsnede 'lgging aan een voldoende uitgeruste weg'. Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2007/AR/1562 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: 1. B. D. A., wonende te, 2.

  1. a)G. C. C., wonende te, Lommerlaan 21,
  2. b)G. C. E., wonende te
  3. c)G. C. A., wonende te handelend in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen B. V., appellanten, allen vertegenwoordigd door Mr. DE PRETER Filip en Mr. DERYCKERE Benoît, advocaten te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 36 ; TEGEN: VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kantoren te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, 11de verdieping, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. VAN DIEVOET Filip loco Mr. VAN DIEVOET Michel, advocaat te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14 Bus 3 ; 1. feiten: B. A. D. en B. V. D. waren afzonderlijke eigenaars van gronden gelegen te Sint Genesius Rode op de plaats genaamd "T." (kadastrale nummers - zie de initiële dagvaarding). Op 29 maart 1974 werd hen een verkavelingvergunning afgeleverd rekening houdende met het bijzonder plan van aanleg nummer 6 (BPA nr 6) genaamd "T.dreef", goedgekeurd bij KB van 8 oktober 1971. Volgens dit BPA zijn de percelen gelegen in een zone voor open bebouwing. Artikel 2 van de vergunning bepaalde dat de verkaveling in 5 fasen mocht gebeuren. Voor elke fase werd een aanvangstermijn bepaald . Het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse goedgekeurd bij KB van 7 maart 1977 heeft de percelen gerangschikt in een groene zone, meer bepaald als "landbouwzone" of nog als "parkzone". Bij koninklijk besluit van 15 april 1977 werd bevolen dat de bijzondere plannen van aanleg voor de gronden die vallen onder het gebied waarop het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse betrekking heeft - en waaronder het BPA nummer 6 "T.dreef" -, worden herzien teneinde deze in overeenstemming te brengen met het gewestplan. Bij KB van 19 augustus 1977 werd de specifieke herziening bevolen van het BPA nummer 6 "T.dreef" zodanig dat de uitvoering van gezegd BPA evenals van de bekomen verkavelingvergunning geschorst werd. Het ontwerp van herziening van dit BPA werd goedgekeurd bij KB van 12 mei 1980. Dit herzieningsbesluit heeft de fase I (die reeds in uitvoering was) in een zone voor open bebouwing behouden terwijl de andere fasen (II, III, IV en V) overeenkomstig het voornoemde gewestplan in een zone van agrarisch gebied en/of parkgebied gerangschikt werden. Zodoende is de bekomen verkavelingvergunning sedert 12 mei 1980 definitief vervallen. De eigenaars (huidige appellanten) maken aanspraak op schadeloosstelling overeenkomstig de artikelen 37 en 38 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw om reden dat door de inwerkingtreding van het herziene BPA nr. 6 een eind werd gemaakt aan het gebruik waarvoor hun gronden voorheen normaal dienden of bestemd waren. Zij laten gelden dat zij geen eigenaars zijn van andere gronden in het grondgebied dat het voorwerp uitmaakt van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse en zij dus ook geen meerwaarde door dit gewestplan bekomen. De vordering wordt gericht tegen het VLAAMSE GEWEST dat krachtens artikel 1 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren, van rechtswege de opvolger is van de Belgische Staat voor verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gedingen betreffende de lasten en verbintenissen met betrekking tot onder meer de ruimtelijke ordening. Reeds op 22 december 1977 hadden B. V. D. en B. A. D. de Belgische Staat gedagvaard om veroordeling te bekomen tot betaling van 66.938.140 BEF en 128.179.076 BEF in hoofdsom plus intresten op grond van de art. 37 en 38 van de wet van 29 maart 1962 en art. 1382 B.W. Op 10 december 1979 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel geoordeeld dat met betrekking tot de besproken onroerende goederen nog geen definitieve beslissing werd getroffen - door het gewestplan wordt de verkavelingsvergunning slechts geschorst en planschade is maar verschuldigd wanneer definitief een einde is gemaakt aan het gebruik waarvoor het goed dient - en dat geen enkele fout in hoofde van de Belgische Staat werd bewezen. Dit vonnis werd bevestigd bij arrest van dit hof van 17 april 1989, met de toevoeging dat ten tijde van de dagvaarding het negatief stedenbouwkundig attest van 6 maart 1979 nog niet was afgeleverd. Dit arrest werd betekend aan B. A. D. op 17 juli 1989 en aan de Belgische Staat, aan B. V. D. en haar echtgenoot op 29 juni 1989. Tegen dit arrest werd geen rechtsmiddel ingesteld. 2. rechtspleging: Huidig geding werd ingeleid bij dagvaarding van 7 mei 1990. B. A. D. vorderde een provisioneel bedrag van 128.179.076 BEF op een vordering voorlopig geschat op 200.000.000 BEF. B. V. D. vorderde een provisioneel bedrag van 66.938.140 BEF op een vordering voorlopig geschat op 100.000.000 BEF. Beiden vorderden tevens de moratoire intresten sedert 15 april 1977, de gerechtelijke intresten en de kosten. Bij vonnis van 4 september 1998 werd alvorens recht te doen een college van gerechtelijke deskundigen aangesteld. De deskundigen kregen als opdracht: "• te zeggen of de percelen te Sint-Genesius-Rode, gelegen op de plaats genaamd T., waarvoor de verkavelingsvergunning van 29 maart 1974 werd vernietigd door het K.B. 12 mei 1980, eigendom van eisers, op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het K.B. 12 mei 1980 de objectieve kenmerken vertoonden van bouwgronden voor bebouwing met particuliere woningen, namelijk of zij technisch bebouwbaar waren, en gelegen waren aan een voldoende uitgeruste weg en in een bebouwde omgeving, en • de waardevermindering van deze percelen te ramen, als het verschil tussen, eensdeels, hun waarde op het ogenblik van hun verwerving door eisers, geactualiseerd tot op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het K.B. 12 mei 1980, en verhoogd met de lasten en kosten, en, anderdeels, de waarde van het goed op 4 mei 1990, datum van het negatief stedenbouwkundig attest" Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 19 september 2000 heeft het hof het hoger beroep en het impliciet ingesteld incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Het hof gaf akte aan de rechtsopvolgers van wijlen B. V. D. - overleden op 7 juni 1998 - van hun hervatting van het geding. Het hof oordeelde onder meer dat het VLAAMSE GEWEST de schuldenaar is van de eventuele vergoeding; dat het recht op schadevergoeding van de huidige appellanten nog niet was ontstaan ten tijde van de dagvaarding van 22 december 1977 in de eerste procedure; dat aan het gebruik waarvoor de goederen voorwerp van huidig geding dienden of normaal bestemd waren de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het gewestplan van 7 maart 1977, slechts een eind werd gemaakt door het KB van 12 mei 1980 tot herziening van het BPA nummer 6 en meer bepaald op het ogenblik dat dit laatste, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 augustus 1980, bindende kracht heeft gekregen; dat in deze periode de eerste vordering nog steeds hangende was voor het hof en slechts zou beëindigd worden ongeveer 9 jaar later door het arrest van 17 april 1989 (betekend op 29 juni en 17 juli 1989); dat huidige appellanten een stedenbouwkundig attest aanvroegen en bekwamen op 4 mei 1990 en dagvaardden op 7 mei 1990. Het hof besliste ook dat ingevolge de wet van 22 december 1977 een wijziging werd gebracht aan artikel 37 van de wet van 29 maart 1962 in deze zin dat de rechtsvordering van de eigenaar niet meer ontstaat door een plan van de overheid, maar door een daad van de eigenaar, meer bepaald door de geweigerde aanvraag van een bouwvergunning, van een verkavelingvergunning en, indien de eigenaar zijn toevlucht niet wilde nemen tot deze meer omvangrijke procedures, bij het gevraagde negatief stedenbouwkundig attest. Het hof stelde verder vast dat ingevolge artikel 38 van de wet van 21 maart 1962, tevens gewijzigd door de wet van 20 december 1977, de rechtsvordering vervalt één jaar na de dag waarop het recht op de schadevergoeding is ontstaan overeenkomstig het gewijzigde artikel 37. Het hof leidde hieruit af dat de huidige appellanten, toen zij op 7 mei 1990 een vordering steunende op artikel 37 van de wet van 21 maart 1962 (zoals gewijzigd) aanhangig maakten op basis van een tweede op 4 mei 1990 bekomen negatief stedenbouwkundig attest, aldus geen vervallen rechtsvordering instelden. Het hof besliste ook dat het kwestieuze stedenbouwkundig attest voor de toepassing van de wetgeving met betrekking tot de planschadevergoeding, als regelmatig moet aanzien worden. Het hof besliste tevens dat op het ogenblik van het in werkingtreden van het plan, voorwerp van het KB van 12 mei 1980 er nog geen enkele fase van de verkaveling vervallen was en dat bovendien de overheid nooit het plan heeft opgevat om tot onteigenen van de litigieuze percelen over te gaan derwijze dat het ter zake ingeroepen verbod te bouwen of te verkavelen niet het gevolg was van een in uitzicht gestelde onteigening. Het VLAAMSE GEWEST stelde een cassatievoorziening in tegen dit arrest. Het Hof van Cassatie heeft het cassatieberoep verworpen bij arrest van 27 juni 2003. Het bestreden vonnis van 3 november 2006 heeft - na deskundig verslag - het VLAAMSE GEWEST veroordeeld tot het betalen van een planschadevergoeding van euro 122.148,25 plus de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet sinds 15 april 1977 en de gerechtelijke intresten, aan de rechtsopvolgers van wijlen B. V. D.. De vordering van B. A. D. werd ongegrond verklaard. De bestreden beslissing werd niet betekend. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 7 juni 2007 hebben B. A. D. en de rechtsopvolgers van wijlen B. V. D. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en termijn. Bij aanvullende en samenvattende beroepsconclusie neergelegd op 15 februari 2008 vorderden B. A. D. en de rechtsopvolgers van wijlen B. V. D. de veroordeling van het VLAAMSE GEWEST tot het betalen aan B. A. D. van de som van euro 530.578,53 minstens euro 437.873,02 plus de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet sinds 15 april 1977 en de gerechtelijke intresten en tot het betalen aan G. C. C., G. E. C. en G. A. C. (de rechtsopvolgers van wijlen B. V. D.) van de som van euro 260.096,90 minstens euro 210.404,83 te vermeerderen met de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet sinds 15 april 1977 en de gerechtelijke intresten. Zij vragen tevens de veroordeling tot het betalen van de gerechtskosten en zij vorderen de kapitalisatie van de intresten op de datum van de neerlegging van de besluiten. Zij hebben respectievelijk op 31 december 2008 en op 23 maart 2010 conclusies neergelegd strekkende tot kapitalisatie van de intresten op deze twee respectieve data. Zij vorderen de afwijzing van het incidenteel hoger beroep. Op datum van 5 maart 2008 heeft het VLAAMSE GEWEST conclusie neergelegd die ertoe strekt het hoofdberoep indien ontvankelijk, ongegrond te horen verklaren. Het VLAAMSE GEWEST ontwikkelt bij conclusie geen middelen van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en het hof stelt ambtshalve geen middel van niet-ontvankelijkheid vast. Er wordt een incidenteel hoger beroep ingesteld ertoe strekkende het bestreden vonnis te hervormen en de planschadevergoeding te bepalen op een bedrag van euro 120.613,99 plus de vergoedende intresten vanaf 4 mei 1990 tot 7 mei 1990 en de gerechtelijke intresten vanaf 7 mei 1990. 3. bespreking: 3.1. Er is principieel niet betwist dat de appellanten aanspraak kunnen maken op planschadevergoeding. De bestreden beslissing heeft de vergoeding enkel toegekend voor de eerste 50 meter van de percelen gemeten vanaf een voldoende uitgeruste weg. Het VLAAMSE GEWEST laat gelden dat het 10de lid van artikel 35 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 voorziet dat geen vergoeding verschuldigd is wanneer het perceel gelegen is aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust. De voorwaarde van een voldoende uitgeruste weg moet volgens het VLAAMSE GEWEST vervuld zijn op de dag vóór de inwerkingtreding van het gewestplan. Het louter bezit van een verkavelingvergunning volstaat voor het VLAAMSE GEWEST niet opdat de percelen door het nieuwe plan hun normale bestemming of het gebruik waartoe de percelen dienen, zouden verliezen. Het VLAAMSE GEWEST houdt aldus voor dat enkel indien alle percelen voldoen aan de kenmerken van objectieve bouwgrond, dit wil zeggen (volgens het VLAAMSE GEWEST) gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, in de onmiddellijke nabijheid van andere woningen en fysisch geschikt om bebouwd te worden, kan aanvaard worden dat de grond als normale bestemming " verkavelingsgrond" heeft. Appellanten laten gelden dat mits het realiseren van de verkavelingvergunning waarover zij beschikten (de verschillende fasen) alle percelen aan de vereisten om als bouwgrond te kunnen worden aanzien, voldoen. Dat de Varkensdreef niet over een riolering, elektriciteit, drinkwater of straatverlichting beschikt is door appellanten niet betwist, zij stellen evenwel dat de aanleg van deze infrastructuur het voorwerp van de uitvoering en realisering van de verkavelingvergunning uitmaakt. Appellanten laten gelden dat de percelen wel degelijk gelegen zijn aan een voldoende uitgeruste weg, met name de T. dreef en de Meeuwenlaan. Zij stellen terecht: · dat de ligging aan een voldoende uitgeruste weg anders moet beoordeeld worden voor een bouwvergunning dan voor een verkavelingvergunning; · dat een vergunning om te mogen bouwen kan worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond dat gelegen is aan een onvoldoende uitgeruste weg daar waar er evenwel geen gelijkaardige bepaling voor een verkavelingvergunning is ; · dat een verkavelingaanvraag en de verkavelingvergunning de werken vermelden die nog moeten worden uitgevoerd, waaronder desgevallend wegeniswerken; · dat deze werken slechts kunnen uitgevoerd kunnen worden indien de aan te leggen wegen kunnen aansluiten op reeds bestaande wegen die voldoende uitgerust zijn, waarbij het voldoende uitgeruste karakter van de wegenis bij te verkavelen gronden dus niet moet worden beoordeeld op basis van de wegenaanleg die noodzakelijk is binnen de verkaveling, maar wel aan de hand van het uitgerust karakter van de wegen naar de verkaveling; · dat te dezen de wegen naar de verkaveling voldoende uitgerust zijn; · dat het feit dat de percelen daarnaast óók palen aan een niet voldoende uitgeruste weg, met name de Varkensdreef, deze percelen het karakter van verkavelbare grond niet ontneemt, nu het bestaan van deze weg de verkaveling enkel kan vergemakkelijken (omdat de weg op zich niet moet worden aangelegd, maar enkel worden uitgerust). Krachtens het te dezen toepasselijk artikel 35, eerste lid, van het decreet van het Vlaams parlement van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, is schadevergoeding al naar het geval verschuldigd door het Vlaamse Gewest, de vereniging van gemeenten of de gemeente, wanneer het bouw- of verkavelingverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft gekregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding. Krachtens artikel 35, tweede lid, van het voornoemde decreet dient de waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, te worden geraamd als het verschil tussen, eensdeels, de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, voor de inwerkingtreding van het plan en, anderdeels, de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan; enkel de waardevermindering voortvloeiend uit dat plan kan in aanmerking worden genomen. Krachtens artikel 35, derde lid, van dit decreet ontstaat het recht op schadevergoeding ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest. Luidens artikel 35, in fine, sub 5, van dit decreet is er geen vergoeding verschuldigd, in het geval van een verbod om een stuk grond gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, te verkavelen of te bebouwen. Uit de samenhang van die bepalingen volgt dat een bouw- of verkavelingverbod voortvloeiend uit een definitief vastgesteld plan recht kan geven op planschadevergoeding indien het goed dat erdoor wordt getroffen op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan kan worden beschouwd als een te bebouwen of te verkavelen grond, ofwel op grond van de bestaande bestemming, ofwel op grond van de normale bestemming van het terrein. Een perceel grond heeft de normale bestemming van respectievelijk bouwgrond of verkavelinggrond indien het ligt aan een, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende uitgeruste weg, gelegen is in de nabijheid van andere woningen en technisch geschikt is om bebouwd of verkaveld te worden. Hieruit volgt dat indien een verkavelbaar perceel wordt getroffen door een bouw- en verkavelingverbod, voor de planschadevergoeding slechts dient te worden onderzocht of het perceel gelegen is aan een bestaande en gelet op de plaatselijke toestand voldoende uitgeruste weg, zonder dat tevens moet worden nagegaan of de onderscheiden kavels aan een bestaande uitgeruste weg zouden grenzen. Anders dan het VLAAMSE GEWEST aanvoert, beperken die wetsbepalingen het recht op planschadevergoeding wegens niet langer verkavelbare grond niet tot het deel van het perceel grond dat zich situeert binnen de gebruikelijke bouwdiepte maar heeft de eigenaar van een verkavelbare grond niet alleen recht op planschadevergoeding voor de kavels die zouden grenzen aan een bestaande en voldoende uitgeruste weg, maar moet ook rekening worden gehouden met alle kavels die binnen de verkaveling hadden kunnen gerealiseerd worden . De omstandigheid dat huidige appellanten geen hoger beroep hebben aangetekend tegen het vonnis van 4 september 1998 in de mate dat daarbij een opdracht werd gegeven aan de deskundigen om te zeggen of de percelen op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het KB van 12 mei 1980 de objectieve kenmerken vertoonden van bouwgronden voor bebouwing met particuliere woningen, namelijk of zij technisch betrouwbaar waren, en gelegen waren aan voldoende uitgeruste weg en in een bebouwde omgeving, impliceert niet dat zij afstand zouden hebben gedaan van hun recht om de beperking van de vergoedbare planschade tot de 50 m grens te betwisten. Een opdracht aan een deskundige is een maatregel alvorens recht te doen dewelke niet van aard is de rechten van de procespartijen te beperken. In de mate dat het hoger beroep ertoe strekt het bestreden vonnis te hervormen waar het, het recht op planschadevergoeding beperkt heeft tot het gedeelte van de percelen dat beantwoordt aan de 50 m grens, is het hoger beroep gegrond. 3.2. Het VLAAMSE GEWEST laat terecht gelden dat ingevolge artikel 35 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, de waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, vóór de inwerkingtreding van het plan en anderdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan, waarbij enkel de waardevermindering voortvloeiend uit dat plan in aanmerking kan komen voor schadevergoeding. De waardevermindering van het goed volgend uit een bouw- of verkavelingverbod moet evenwel zonder vergoeding gedoogd worden ten belope van 20 % van die waarde. Ter terechtzitting van 23 maart 2010 hebben appellanten verklaard de aftrok van de 20 procentregel niet meer te betwisten (zie het proces-verbaal van de terechtzitting). Deze betwisting is aldus zonder voorwerp geworden. 3.3. Het VLAAMSE GEWEST betwist evenzo het voor het geheel in aanmerking nemen van de kosten en lasten om reden dat volgens haar de aanspraak op planschadevergoeding beperkt is tot de 50 m grens. Gezien de beslissing van het hof dat de 50 m grens niet geldt (zie hiervoor) moet ook wat betreft de kosten en lasten de totaliteit in aanmerking genomen worden als vergoedbare schade. 3.4. Het VLAAMSE GEWEST laat gelden dat het recht op planschade slechts ontstaan is op het ogenblik van het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest, dit wil zeggen op 4 mei 1990. Het is slechts vanaf deze datum dat de interesten kunnen toegekend worden. Ter terechtzitting van 23 maart 2010 hebben appellanten verklaard niet verder aan te dringen op het verkrijgen van de gerechtelijke intresten vanaf 22 december 1977 maar wel vanaf het startfeit, dit is 4 mei 1990. Deze betwisting is aldus eveneens zonder voorwerp geworden. 3.5. Wat betreft de gevorderde kapitalisatie van intresten gedraagt het VLAAMSE GEWEST zich naar de wijsheid van het hof. De gevorderde kapitalisaties kunnen dienvolgens in principe ingewilligd worden op de data van neerlegging van de respectieve besluiten die de aanmaning hiertoe vormen conform artikel 1154 B.W. te weten 15 februari 2008, 31 december 2008 en 23 maart 2010. De kapitalisatie kan evenwel slechts eens per jaar geschieden zodat de kapitalisatie niet kan plaatsvinden op 31 december 2008 maar ten vroegste kan plaatsvinden op de verjaardag van de kapitalisatie die gevorderd werd op 15 februari 2008. De aanmaning of de bijzondere overeenkomst kan enkel betrekking hebben op de ten tijde van deze aanmaning of overeenkomst vervallen intresten. Als data van kapitalisatie kunnen dus in aanmerking genomen worden: 15 februari 2008 en 23 maart 2010. 4. besluit: Het hoger beroep is gegrond, het incidenteel beroep is dit niet. De planschadevergoeding toekomende aan de rechtsopvolgers van wijlen B. V. D. bedraagt euro 210.404,83 (voorheen 8.487.710 BEF) . De planschadevergoeding toekomende aan B. A. D. bedraagt euro 437.873,02 (voorheen 17.663.754 BEF) . De intresten moeten gekapitaliseerd worden op 15 februari 2008 en 23 maart 2010. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk doch enkel het hoofdberoep in navolgende mate gegrond: Hervormt het bestreden vonnis als volgt: Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST om aan B. A. D. de planschadevergoeding van euro 437.873,02 te betalen plus de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 4 mei 1990 en de gerechtelijke intresten; Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST om aan G. C. C., G. E. C. en G. A. C. (de rechtsopvolgers van wijlen B. V. D.) de planschadevergoeding van euro 210.404,83 te betalen plus de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 4 mei 1990 en de gerechtelijke intresten; Beveelt de kapitalisatie van de intresten op 15 februari 2008 en op 23 maart 2010; Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST tot de gerechtskosten, vereffend op euro 10.000 rechtsplegingvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 4 mei 2010. Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, Raadsheer dd. Voorzitter, Dhr. M. Bosmans, Raadsheer, Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. B. Heymans M. Debaere M. Bosmans A. De Preester Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.