id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 10 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100610.1 Rolnummer: 2007AR3098 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-06-09 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-01 13:10 Fiche I. Door niet tijdig de afvoering van ambtswege te gelasten uit de registers (hoewel het onmogelijk bleek de nieuwe hoofdverblijfplaats op te sporen), maakte het college van burgemeester en schepenen inbreuk op artikel 8, 2de lid van het K. B. 26 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister. Dit maakt een fout uit (art. 1382 B.W.) II. De gerechtsdeurwaarder mag erop vertrouwen dat de informatie in het rijksregister, op grond van de registers van de gemeente, correct is. Het kan van de gerechtsdeurwaarder niet verwacht worden dat hij een actief onderzoek voert naar mogelijke fouten in het rijksregister. III. In overeenstemming met artikel 2279 B. W. mag de beslagleggende schuldeiser, voor wie de gerechtsdeurwaarder optreedt, aannemen dat de goederen die zich bevinden op de plaats waar de schuldenaar in de gemeentelijke registers is ingeschreven, eigendom zijn van de schuldenaar, tot het bewijs van eigendom wordt geleverd door de revindicerende derde (artikel 1514 Ger. W.). Het feit dat de woning van de beslagen schuldenaar nog andere bewoners zou hebben, volstaat niet als weerlegging van het vermoeden uit artikel 2279 B. W. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER - Aansprakelijkheid gerechtsdeurwaarder GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op roerend goed - Goederen waarop GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op roerend goed - Revindicatie BURGERLIJK RECHT - PERSONEN - Identificatie - Burgerlijke stand - Inrichting en registers BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Algemene beginselen schadebepaling - Preciesheid - ex aequo et bono BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Begroting schade - Morele schade Vrije woorden: I. Overheidsaansprakelijkheid. Buitencontractuele aansprakelijkheid van de gemeente. Inschrijving en afvoering van de bevolkingsregisters. Artikel 8 van het KB van 16 juli
- Niet correcte toepassing van de voorschriften inzake afvoering door de gemeente. Buitencontractuele fout van de gemeente. Schade ingevolge een ‘onregelmatig' beslag op roerende goederen. Berekening van de materiële schade en van de morele schade. II. Beroepsaansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder. Informatieplicht. Rijksregister. Onderzoeksplicht in verband met de correctheid van de erin vervatte gegevens? III. Beslag op roerende goederen. Artikel 2279 BW. Toepassing van de artikelen 38 en 1514 Ger. W. Bewijs van de eigendom bij roerend beslag. Meerdere personen ingeschreven op hetzelfde adres. Fout wegens niet-opening van briefwisseling? Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2007/AR/3098 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: I. Overheidsaansprakelijkheid. Buitencontractuele aansprakelijkheid van de gemeente. Inschrijving en afvoering van de bevolkingsregisters. Artikel 8 van het KB van 16 juli
- Niet correcte toepassing van de voorschriften inzake afvoering door de gemeente. Buitencontractuele fout van de gemeente. Schade ingevolge een ‘onregelmatig' beslag op roerende goederen. Berekening van de materiële schade en van de morele schade. II. Beroepsaansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder. Informatieplicht. Rijksregister. Onderzoeksplicht in verband met de correctheid van de erin vervatte gegevens? III. Beslag op roerende goederen. Artikel 2279 BW. Toepassing van de artikelen 38 en 1514 Ger. W. Bewijs van de eigendom bij roerend beslag. Meerdere personen ingeschreven op hetzelfde adres. Fout wegens niet-opening van briefwisseling? I. Door niet tijdig de afvoering van ambtswege te gelasten uit de registers (hoewel het onmogelijk bleek de nieuwe hoofdverblijfplaats op te sporen), maakte het college van burgemeester en schepenen inbreuk op artikel 8, 2de lid van het K. B. 26 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister. Dit maakt een fout uit in de zin van artikel 1382 B.W. II. De gerechtsdeurwaarder mag erop vertrouwen dat de informatie in het rijksregister, op grond van de registers van de gemeente, correct is. Het kan van de gerechtsdeurwaarder niet verwacht worden dat hij een actief onderzoek voert naar mogelijke fouten in het rijksregister. III. In overeenstemming met artikel 2279 B. W. mag de beslagleggende schuldeiser, voor wie de gerechtsdeurwaarder optreedt, aannemen dat de goederen die zich bevinden op de plaats waar de schuldenaar in de gemeentelijke registers is ingeschreven, eigendom zijn van de schuldenaar, tot het bewijs van eigendom wordt geleverd door de revindicerende derde (artikel 1514 Ger. W.). Het feit dat de woning van de beslagen schuldenaar nog andere bewoners zou hebben, volstaat niet als weerlegging van het vermoeden uit artikel 2279 B. W. Tekst van het arrest: VDV. J., bediende, en D. P., appellanten, beiden vertegenwoordigd door Mr. PUTTEMANS Veerle loco Mr. SIMOENS Anneliese, advocaat te 1800 VILVOORDE, Beethovenstraat 14 ; TEGEN:
- De GEMEENTE GRIMBERGEN, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, gevestigd te 1850 GRIMBERGEN, Prinsenstraat 3, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. VANHERCK Katrien loco Mr. LUYPAERS Peter, advocaat te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4 bus 1 ;
- ALLIANZ BELGIUM NV, voorheen AGF BELGIUM INSURANCE, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Lakensestraat 35, ingeschreven in het handelsregister te BRUSSEL, onder het nummer 574, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. VERHAEGHE Charlotte loco Mr. DEPUYDT Paul, advocaat te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F ;
- De procedure In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 6 april
- (...)
- De feiten De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt: "Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de schadelijke gevolgen van een uitvoerend roerend beslag op goederen verricht door gerechtsdeurwaarder V. op de goederen die zich bevonden op het adres V.-straat 211 te GRIMBERGEN, bewoond door eisers [de heer VDV. en mevrouw D.], die op dat adres eveneens waren ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente GRIMBERGEN, ter delging van een schuld van mevrouw G., eveneens ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente GRIMBERGEN op hetzelfde adres.
- Bij vonnis van deze rechtbank van 11 oktober 1995, gewezen bij verstek en voorlopig uitvoerbaar verklaard, werd mevrouw G. C. veroordeeld tot betaling aan de vzw Institut Medical Edith Cavell van een bedrag van 298.071 frank, te vermeerderen met de conventionele interesten aan een interestvoet van 12% per jaar op 216.622 frank vanaf 1 juli 1995 tot de datum van volledige betaling en tot de gerechtelijke interesten op 32.493 frank en de gerechtskosten, vereffend op 19.561 frank. Mevrouw G. was op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis ambtshalve geschrapt op 28 januari 1994, en zonder gekende woon- of verblijfplaats. Op 23 januari 1996 betekende gerechtsdeurwaarder C. een gelijkvormig afschrift van de uitgifte in uitvoerbare vorm van dit vonnis aan de Procureur des Konings (stuk 1 AGF). Mevrouw G., van Griekse nationaliteit, werd op 21 november 1997 ingeschreven in het vreemdelingenregister op het adres V.-straat 211 te GRIMBERGEN (stuk 1 gemeente). Op 20 februari 1998 stelde de politie van GRIMBERGEN een verslag op, waarin wordt gesteld dat naar aanleiding van een onderzoek ter plaatse werd vastgesteld dat de heer Gs. en mevrouw G. niet langer te treffen waren op hun officieel adres. Het gezin zou reeds enkele weken vertrokken zijn van dit laatst gekende adres zonder dat een buurtonderzoek sporen opleverde van hun nieuwe verblijfplaats. De politie verzocht de dienst bevolking van de gemeente GRIMBERGEN het nodige te doen opdat zij van ambtswege zouden worden verwijderd uit de bevolkingsregisters. Op 20 maart 1998 betekende gerechtsdeurwaarder V. op verzoek van de vzw Institut Medical Edith Cavell een bevel tot betaling van 382.006 frank aan mevrouw G.. Overeenkomstig artikel 38 § 1 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift achtergelaten aan de woonplaats van mevrouw G., met name op het adres 1850 GRIMBERGEN, V.-straat 211 (stuk 2 AGF). Op 2 juli 1998 werden ook eisers ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente GRIMBERGEN op het adres V.-straat 211 te GRIMBERGEN. Op 11 juni 1998 en op 10 juli 1998 raadpleegde gerechtsdeurwaarder V. het Rijkregister. Mevrouw G. bleek op beide data nog steeds te zijn ingeschreven in het Rijksregister als hebbende haar woonplaats V.-straat 211 te GRIMBERGEN (stukken 7 en 8 AGF). Volgens de gemeente GRIMBERGEN zou het OCMW GRIMBERGEN haar vervolgens op 10 juli 1998 hebben meegedeeld dat de heer Gs. en mevrouw G. verbleven te Brussel, J.-laan
- De gemeente GRIMBERGEN verstuurde op 13 juli 1998 een model 6 aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van Brussel, waarbij zij deze laatste verzocht om toezending van een bewijs model 3 of model 4 voor onder meer mevrouw G.. Op 15 juli 1998 ging gerechtsdeurwaarder V. over tot het leggen van uitvoerend beslag op de roerende goederen die in de woning gelegen te V.-straat 211, 1850 GRIMBERGEN werden gevonden. De deuren waren gesloten en niemand was aanwezig ter plaatse, zodat de gerechtsdeurwaarder deed overgaan tot de opening der deuren door de slotenmaker in aanwezigheid van de heer Van Ryckel, politieagent daartoe aangezocht. Kopie van het exploot van uitvoerend beslag werd ter plaatse achtergelaten en per aangetekende brief opgestuurd naar hetzelfde adres, bij toepassing van artikel 38 van het Gerechtelijk Wetboek. Hierbij werd meegedeeld dat, bij gebreke van betaling, zou worden overgegaan tot gerechtelijke verkoop van de in beslag genomen goederen op 2 september
- De weghaling van de goederen zou plaatsvinden de dag voor de verkoop. Op 27 augustus 1998 werd een proces-verbaal van plakbrieven opgesteld en werden de plakbrieven op de door de wet voorziene plaatsen aangebracht, met aankondiging van de verkoop van de inbeslaggenomen goederen op 2 september 1998 (stuk 4 AGF). Op 31 augustus 1998 raadpleegde gerechtsdeurwaarder V. het Rijksregister. Mevrouw G. bleek nog steeds te zijn ingeschreven in het Rijksregister op het adres V.-straat 211 te GRIMBERGEN. Op 1 september 1998 begaf de gerechtsdeurwaarder zich opnieuw ter plaatse teneinde de goederen mee te nemen, vergezeld door een slotenmaker en mevrouw V., politieagent te GRIMBERGEN. Niemand bleek aanwezig, en in het bijzijn van de politie werd overgegaan tot openen van de deuren. Een proces-verbaal van vergelijking en van weghaling werd opgesteld. Een afschrift van dit proces-verbaal werd achtergelaten onder gesloten omslag op de woonplaats (stuk 5 AGF). Dit afschrift bevindt zich in origineel in het dossier van eisers (stuk 1 eisers). Op 2 september 1998 werden de meegenomen goederen openbaar verkocht voor de prijs van 48.200 frank, te vermeerderen met 20 % kosten.
- Bij brief van 9 september 1998 stelde de verzekeraar van eisers gerechtsdeurwaarder V. en de gemeente GRIMBERGEN in gebreke tot vergoeding van de schade die het gevolg is van de weghaling van goederen uit de woning van eisers (stuk 2 eisers). Bij brief van 14 september 1998 deelde gerechtsdeurwaarder V. mee de opbrengst van de verkoop te zullen consigneren en zijn verzekeraar op de hoogte te brengen, onder uitdrukkelijke betwisting van zijn aansprakelijkheid. Bij brief van 14 september 1998 betwistte de gemeente GRIMBERGEN haar aansprakelijkheid. Bij brief van 21 oktober 1998 deelde de gemeente GRIMBERGEN mee nog geen beslissing te hebben genomen met betrekking tot de ambtshalve afschrijving van mevrouw G., nu de procedure tot ambtshalve schrapping nog niet was beëindigd, bij gebrek aan antwoord op het model 6 gericht aan de stad Brussel. Op 20 november 1998 ontving de gemeente GRIMBERGEN een antwoord van de stad Brussel op het model
- De politie Brussel deelde mee dat het gezin Gs.-G. tot eind augustus 1998 zou hebben verbleven op het adres J-straat, maar dit adres vervolgens verlaten had voor een onbekende bestemming (zie stuk 5 gemeente GRIMBERGEN). Op 30 november 1998 besloot het college van burgemeester en schepenen van de gemeente GRIMBERGEN de heer Gs. Chr. en zijn dochter Gs. C. en mevrouw G. van ambtswege af te voeren van het bevolkingsregister van deze gemeente nu zij de gemeente hebben verlaten zonder hiervan aangifte te doen en hun nieuwe verblijfplaats in België onbekend is. Partijen bereikten geen minnelijk akkoord, zodat werd overgegaan tot dagvaarding." AGF Belgium Insurance, later ALLIANZ BELGIUM, is de verzekeraar van de gerechtsdeurwaarder.
- Het onderwerp van de vordering 3.
- Voor de eerste rechter vorderden de heer VDV. en mevrouw D. de veroordeling van de gemeente GRIMBERGEN en ALLIANZ BELGIUM tot de betaling aan hen van 18.592,01 EUR, plus de vergoedende en gerechtelijke interesten en de kosten van het geding. De gemeente GRIMBERGEN concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering en stelde in ondergeschikte orde een vordering tot vrijwaring in tegen AGF. AGF concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vroeg zij te zeggen voor recht dat zij slechts moet tussenkomen voor maximum 573,53 EUR. 3.
- De eerste rechter verklaarde de vordering van de heer VDV. en mevrouw D. ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde hen tot betaling van de kosten. Hij verklaarde de vordering tot vrijwaring van GRIMBERGEN zonder voorwerp. 3.
- In hoger beroep hernemen de heer VDV. en mevrouw D. hun oorspronkelijke vordering. GRIMBERGEN concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en herneemt ondergeschikt haar vordering tot vrijwaring tegen ALLIANZ BELGIUM. Ook ALLIANZ BELGIUM concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep; ondergeschikt vraagt zij te zeggen dat GRIMBERGEN gehouden is tot 90% en zij zelf slechts tot 10% van de schade.
- De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen 4.1 De aansprakelijkheid van de gemeente GRIMBERGEN De heer VDV. en mevrouw D. duiden de gemeente GRIMBERGEN ten kwade dat zij pas op 30 november 1998 is overgegaan tot ambtshalve afvoering van mevrouw G. uit het bevolkingsregister, hoewel de politie van GRIMBERGEN reeds op 20 februari 1998 aan de gemeente had gemeld dat mevrouw G. de woning had verlaten, en de dienst bevolking had verzocht het nodige te doen voor een ambtshalve afvoering. Artikel 8, lid 1 van het Koninklijk Besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister bepaalt: "Het gemeentebestuur spoort de personen op die zonder aangifte te doen in de vorm en binnen de termijn die in artikel 7 voorgeschreven wordt, hun hoofdverblijfplaats in een andere gemeente van het Rijk of in het buitenland hebben gevestigd. Als het onmogelijk blijkt de nieuwe hoofdverblijfplaats op te sporen gelast het college van burgemeester en schepenen de afvoering van ambtswege uit de registers op basis van een verslag van het onderzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand, waarin hij vaststelt dat het onmogelijk is de nieuwe hoofdverblijfplaats te bepalen. Als bij het onderzoek blijkt dat de betrokken persoon zich in het buitenland gevestigd heeft voert het college van burgemeester en schepenen hem van ambtswege af van het bevolkingsregister, tenzij hij zich bevindt in één van de gevallen van tijdelijke afwezigheid bedoeld in artikel 18, eerste lid. De beslissingen tot afvoering van ambtswege bedoeld in het tweede en derde lid nemen aanvang op de datum van de beslissing van het college. Als uit het onderzoek blijkt dat de betrokken persoon zijn hoofdverblijf gevestigd heeft in een andere gemeente van het Rijk wordt het bestuur van deze gemeente ervan op de hoogte gebracht." In huidig geval was de hypothese bedoeld in het tweede lid van artikel 8 vervuld in februari
- Het was inderdaad onmogelijk de nieuwe hoofdverblijfplaats op te sporen, want dat had de politie al vastgesteld. Op 20 februari 1998 schreef de politie GRIMBERGEN immers aan de dienst bevolking dat de heer GS. en zijn dochter, en mevrouw G. "niet langer te treffen zijn op hun officieel adres (...) Dit gezin is sedert enkele weken vertrokken van dit laatst gekende adres zonder dat een buurtonderzoek sporen oplevert alwaar zij nu zouden kunnen zijn. Wij verzoeken uw diensten het nodige te doen opdat zij zouden verwijderd worden van ambtswege uit de bevolkingsregisters" (stuk 2 van GRIMBERGEN). Uit het onderzoek was derhalve niet gebleken dat mevrouw G. zich gevestigd had in een andere gemeente (5de lid van artikel 8) of in het buitenland (3de lid), zodat alleen de mogelijkheid van de ambtshalve schrapping overbleef (2de lid). Het is niet duidelijk wat voor onderzoek de ambtenaar van de burgerlijke stand zou kunnen voeren dan door een onderzoek te laten doen door de politie, en dat was hier al gebeurd in februari. GRIMBERGEN had dus einde februari 1998 de van ambtswege schrapping moeten uitvoeren. GRIMBERGEN beroept zich op artikel 87 van een Ministeriële Omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, en in het bijzonder op de volgende gedeelten daarvan: "Personen die zich tijdelijk of kortstondig buiten de gemeente van hun hoofdverblijfplaats ophouden, blijven ingeschreven in de registers van die gemeente. (...) Een niet aangegeven ononderbroken afwezigheid van meer dan 6 maanden kan aanleiding geven tot een afvoering van ambtswege door het college van burgemeester en schepenen, voor zover de huidige verblijfplaats van de betrokkene niet bekend is." GRIMBERGEN stelt dat zij door deze bepalingen verplicht is een wachttermijn van zes maanden te respecteren, wat zij heeft gedaan. Indien de omzendbrief de ambtenaar van de burgerlijke stand toelaat om zes maand te wachten in plaats van een onderzoek te voeren, houdt hij een wijziging in van artikel 8, en kan hij dus niet toegepast worden. Anders dan GRIMBERGEN aanneemt, legt de omzendbrief echter geen wachttermijn op: er staat alleen dat een niet aangegeven ononderbroken afwezigheid van meer dan zes maanden aanleiding kan geven tot een afvoering van ambtswege. Dat is niet het zelfde als dat slechts na zes maanden een afvoering van ambtswege mag gebeuren. In huidig geval is een niet-toepassing van de omzendbrief overigens niet eens aan de orde. Er was immers geen nood om zes maanden te wachten omdat vóór de afloop van die zes maanden reeds een onderzoek was gevoerd. Dat het onderzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand neerkomt op een onderzoek door de politie, was overigens ook de interpretatie van de minister, zoals blijkt uit artikel 86 van de omzendbrief: "De gemeentepolitie meldt aan de bevolkingsdienst welke personen van ambtswege ingeschreven of afgevoerd kunnen worden". Uit het bovenstaande volgt dat GRIMBERGEN reeds in februari voldoende gegevens had om te beslissen tot ambtshalve schrapping. Door niet de afvoering van ambtswege te gelasten uit de registers hoewel het onmogelijk bleek de nieuwe hoofdverblijfplaats op te sporen, maakte het college van burgemeester en schepenen inbreuk op artikel 8, 2de lid van het Koninklijk Besluit. Het is niet betwistbaar dat dit een fout uitmaakt in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Het lijkt evenmin voor ernstige betwisting vatbaar dat ingeval van gelasting tot schrapping in februari of maart mevrouw G. inderdaad zou geschrapt geweest zijn op het ogenblik van controle van het rijksregister door de gerechtsdeurwaarder bij het beslag, zodat die het beslag niet had kunnen leggen op het adres V.-straat 211 te GRIMBERGEN. In dat geval zou de schade niet ontstaan zijn. 4.2 De aansprakelijkheid van gerechtsdeurwaarder V. Het is niet betwistbaar dat de gerechtsdeurwaarder de wettelijke voorgeschreven kennisgevingen en het beslag zelf heeft gedaan op het adres waar de beslagen schuldenaar ingeschreven was. Het wordt ook niet betwist dat hij bij herhaling het rijksregister daartoe heeft geraadpleegd. Terecht overwoog de eerste rechter dat de gerechtsdeurwaarder er mag op vertrouwen dat de informatie in het rijksregister, op grond van de registers van de gemeente, correct is. Het kan van de gerechtsdeurwaarder niet verwacht worden dat hij een actief onderzoek voert naar mogelijke fouten in het rijksregister. In de omstandigheden van het geval waren er ook geen aanwijzingen op grond waarvan de gerechtsdeurwaarder had behoren te twijfelen aan de juistheid van de gegevens. De woning was klaarblijkelijk bewoond, en de brieven van de gerechtsdeurwaarder keerden niet terug naar afzender met een "woont niet meer op dit adres". In overeenstemming met artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek mag de beslagleggende schuldeiser, voor wie de gerechtsdeurwaarder optreedt, aannemen dat de goederen die zich bevinden op de plaats waar de schuldenaar in de gemeentelijke registers is ingeschreven, eigendom zijn van de schuldenaar, tot het bewijs van eigendom wordt geleverd door de revindicerende derde (artikel 1514 van het Gerechtelijk Wetboek). Het feit dat de woning van de beslagen schuldenaar nog andere bewoners zou hebben, volstaat niet als weerlegging van het vermoeden uit artikel
- De heer VDV. en mevrouw D. en GRIMBERGEN bewijzen niet het bestaan in hoofde van de gerechtsdeurwaarder van een onzorgvuldigheid of een inbreuk op een welbepaald gebod of verbod. De daarop gesteunde vorderingen tegen zijn verzekeraar, ALLIANZ BELGIUM, zijn dus ongegrond. 4.3 De aansprakelijkheid van de heer VDV. en mevrouw D. GRIMBERGEN houdt voor dat de heer VDV. en mevrouw D. een fout hebben begaan door niet te reageren op de aangetekende briefwisseling van de gerechtsdeurwaarder gericht aan de vorige bewoners van hun huis. Eisers erkennen briefwisseling te hebben ontvangen van de gerechtsdeurwaarder, gericht aan mevrouw G., maar stellen dat ze die ongeopend hebben overgemaakt aan de verhuurster van hun woning, in de veronderstelling dat die wist waar mevrouw G. naar toe was. Dit kan a posteriori onvoorzichtig lijken, maar dit gedrag is niet onverzoenbaar met dat van een normaal zorgvuldig persoon in dezelfde omstandigheden. De heer VDV. en mevrouw D. hoefden niet aan te nemen dat de brieven reeds wezen op een tenuitvoerlegging, en konden uiteraard niet de brieven openen. Anders dan GRIMBERGEN lijkt aan te nemen, kan niet aangenomen worden dat de heer VDV. en mevrouw D. ook aangetekende brieven voor mevrouw G. hebben ontvangen van de gerechtsdeurwaarder. Gelet op de afwezigheid van die laatste, kunnen de heer VDV. en mevrouw D. enkel berichten gevonden hebben van aangetekende zendingen zonder meer, en ook dat laat geen tenuitvoerlegging vermoeden. De afwezigheid van de heer VDV. en mevrouw D. in de periode tussen het beslag en de oplading kan op zich uiteraard ook niet als een fout beschouwd worden. 4.
- De schade De heer VDV. en mevrouw D. zijn bepaald beknopt over de schade, die zij in billijkheid ramen op 18.592,01 EUR. Dit bedrag is merkwaardig voor een raming in billijkheid, maar stemt overeen met 750.000 BEF. Uit de beschrijving van de in beslag genomen goederen (pv van 15 juli 1998, stuk 3 van ALLIANZ BELGIUM) en uit de opbrengst van de verkoop (48.200 BEF plus 30% kosten) mag afgeleid worden dat de inboedel van de heer VDV. en mevrouw D. geen belangrijke verkoopwaarde had. Anderzijds is de opbrengst van een openbare verkoop van roerende goederen vaak beperkt, en niet in verhouding tot de vervangwaarde voor de beslagen schuldenaar, of zoals hier, de derde eigenaar. De heer VDV. en mevrouw D. laten echter na ook maar enig gegeven te verstrekken over aankoopwaarde of financiering of herkomst van enerzijds de verloren goederen en anderzijds de vervangende goederen, en dit ondanks de uitdrukkelijke opmerkingen van GRIMBERGEN in die zin. Gelet op die beperkte gegevens kan het hof niet anders dan een raming in billijkheid maken die de verkoopwaarde overstijgt maar aansluit bij de klaarblijkelijke bescheidenheid van de inboedel. Het hof bepaalt de vergoeding op 5.000,00 EUR. Daaraan kan toegevoegd worden een vergoeding voor morele schade. Het moet worden aangenomen dat de verdwijning van de goederen de heer VDV. en mevrouw D. heeft geschokt; de vergoeding daarvoor, die los staat van materieel verlies, kan niet anders dan symbolisch zijn; het hof raamt ze op 1,00 EUR. (...)
- De kosten (...)
- Het beschikkend gedeelte Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing. Het hof verklaart het hoger beroep van de heer VDV. en mevrouw D. ontvankelijk en gegrond als volgt: Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vorderingen, en spreekt opnieuw recht als volgt: Verklaart de vordering van de heer VDV. en mevrouw D. tegen GRIMBERGEN gedeeltelijk gegrond en veroordeelt GRIMBERGEN tot de betaling aan de heer VDV. en mevrouw D. van 5.001,00 EUR, plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 2 september 1998 tot de datum van de dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan de zelfde rentevoet Verklaart de vordering van de heer VDV. en mevrouw D. tegen ALLIANZ BELGIUM en de vordering tot vrijwaring van GRIMBERGEN tegen ALLIANZ BELGIUM ongegrond. (...) Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 8 juni
- Waar aanwezig waren: Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div