id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 22 juni 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100622.6 Rolnummer: 2008AR1315 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-08-17 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-07-01 13:18 Fiche De vordering van een kredietverlener die gesteund is op een beweerde tekortkoming van de instrumenterende notaris aan zijn informatieverplichting in het kader van een voor zijn ambt verleden kredietovereenkomst, is een vordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 1382 e.v. B.W. inzake de buitencontractuele aansprakelijkheid en geen vordering tot vergoeding van schade op grond van een contractuele aansprakelijkheid van de notaris t.o.v. de partijen in de notariële akte. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - NOTARIAAT - Andere (notariaat) BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Algemeen (verbintenis uit onrechtmatige daad) Vrije woorden: Notaris - Kredietverlening. tekortkoming inzake verplichting tot informatie - Grondslag van de beroepsaansprakelijkheid van de notaris in dit verband - Buitencontractuele beroepsaansprakelijkheid van de notaris. Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2008/AR/1315 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: X. ., wonende te 1080 BRUSSEL appellant, vertegenwoordigd door Mr. DELVAUX loco Mr. GOEMAERE Jean, advocaat te 1060 BRUSSEL, Charleroisesteenweg 138/5 ; TEGEN: KBC BANK N.V., met maatschappelijke zetel te 1080 BRUSSEL, Havenlaan 2, ingeschreven met KBO-nummer 0462.920.226, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. MARNEF Patrick, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 137 Bus 1 ; NOTARIS - BEROEPSAANSPRAKELIJKHEID - TEKORTKOMING VAN DE NOTARIS AAN ZIJN INFORMATIEVERPLICHTING - ONDERSCHEID TUSSEN DE CONTRACTUELE EN BUITENCONTRACTUELE BEROEPSAANSPRAKELIJKHEID VAN DE NOTARIS De vordering van een kredietverlener die gesteund is op een beweerde tekortkoming van de instrumenterende notaris aan zijn informatieverplichting in het kader van een voor zijn ambt verleden kredietovereenkomst, is een vordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 1382 e.v. B.W. inzake de buitencontractuele aansprakelijkheid en geen vordering tot vergoeding van schade op grond van een contractuele aansprakelijkheid van de notaris t.o.v. de partijen in de notariële akte. Gelet op de procedurestukken: n het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 februari 2008, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 13 mei 2008; n de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 30 september 2008; n de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 1 december
- Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 17 mei 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
- De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellant te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 233.744,99 euro (153.269,21 euro : hoofdsom + 80.475,78 euro : intresten) plus de intresten aan 12,55% op de hoofdsom van 153.269,21 euro vanaf 8 juli 2006 tot de dag van de volledige betaling. 1.
- De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en dienvolgens appellant veroordeeld tot betaling van de som van 153.269,21 euro plus de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 28 augustus 2001 tot de datum van de uitspraak waarna vermeerderd met de moratoire intresten aan dezelfde intrestvoet. 1.
- Het hoger beroep van appellant beoogt de oorspronkelijke vordering integraal te horen afwijzen. 1.
- Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde haar de (conventionele) intresten toe te kennen zoals aanvankelijk door haar gevraagd. II. De Feiten. 2.
- De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
- Samengevat komt het hierop neer dat bij notariële akte van 28 augustus 2001, verleden voor appellant, KBC een krediet verleende van 8.500.000 BEF aan de BVBA Sedic. Tot zekerheid van terugbetaling werd bij diezelfde akte een hypotheek in tweede rang gevestigd op een onroerend goed gelegen te Sint - Genesius - Rode, eigendom van de BVBA Sedic, voor een bedrag van 5.000.000 BEF. De door de BVBA Sedic uitgebate handelszaak werd eveneens t.b.v. 5.000.000 BEF in pand gegeven (in eerste rang). Op 6 augustus 2003 werd het gehypothekeerd pand verkocht. Met de opbrengst werd niet KBC betaald maar wel een andere schuldeiser, met name AXA. Het saldo van de opbrengst werd aangewend voor de kosten van handlichting en de makelaarskosten. Hierop schreef KBC appellant aan omdat hij haar niet had ingelicht dat op het desbetreffend onroerend goed AXA ook een inschrijving had waardoor zij een krediet heeft verleend terwijl dat zij dat niet zou hebben gedaan indien zij over de juiste omstandigheden was ingelicht. III. Bespreking. 3.
- Uit een certificaat van de hypotheekbewaring van Brussel (vierde kantoor), gedateerd op 9 augustus 2001, blijkt dat op het desbetreffend onroerend goed een hypotheek was gevestigd in eerste rang ten voordele van Crédit Général te Brussel, ingeschreven op 13 maart 1998 en twee hypotheken in tweede rang ten voordele van AXA (voorheen Anhyp), ingeschreven op 17 november 2000, telkens voor 4.725.000 BEF. In tegenstelling met wat vermeld werd in de authentieke akte werd de hypotheek van KBC niet in tweede rang maar in derde rang gevestigd. In datzelfde certificaat werd ook nog gewag gemaakt van een overschrijving van een voorafgaand bevel tot beslag, daterend van 5 juni 2001, en van een uitvoerend beslag, daterend van 30 juli 2001, allen gelegd op datzelfde onroerend goed. In het attest van 28 augustus 2001, datum van het verlenen van de hypotheek aan KBC, verklaarde appellant dat hij de voorgaande titels en de hypothecaire en fiscale toestand van het onroerend goed had nagekeken en dat de geraadpleegde stukken niets bevatten dat de kredietgever zou kunnen schaden en hem niet zou zijn medegedeeld. 3.
- Aan appellant wordt een fout verweten n.a.v. het opstellen van de authentieke akte van 28 augustus 2001, meer bepaald het in gebreke blijven van zijn advies - en informatieplicht. De vordering van de kredietverlener die gesteund is op een beweerde tekortkoming van de instrumenterende notaris aan zijn informatieverplichting in het kader van een voor zijn ambt verleden kredietovereenkomst, is een vordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 1382 e.v. B.W. inzake de buitencontractuele aansprakelijkheid en geen vordering tot vergoeding van schade op grond van een contractuele aansprakelijkheid van de notaris t.o.v. de partijen in de notariële akte . Artikel 1 van de wet tot regeling van het notarisambt bepaalt immers dat de notaris daden mag stellen die aangezien worden als de uiting van het openbaar gezag. Hij kan authentieke akten opstellen en deze bekleden met een formule van tenuitvoerlegging. De notaris als openbaar ambtenaar verleent aldus een openbare dienst. Wanneer binnen een rechtsverhouding een openbare dienst wordt verleend, is deze rechtsverhouding van reglementaire en niet van contractuele aard. Een aansprakelijkheidsvordering die voortspruit uit het opstellen van authentieke akten moet dan ook haar grondslag vinden in de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid. 3.
- Het feit dat de instrumenterende notaris in zijn akte vermeldde dat KBC van een hypothecaire inschrijving genoot in de tweede rang terwijl dat in de derde rang bleek en van aan KBC een attest te hebben overgemaakt waarin vermeld stond dat hij bij nazicht van de nodige titels en de hypothecaire en fiscale toestand van het goed had vastgesteld dat deze stukken niets bevatten dat de kredietgever zou kunnen schaden terwijl volgens het hypothecair getuigschrift in zijn bezit op het desbetreffende goed een voorafgaande hypothecaire inschrijving bestond alsmede een uitvoerend beslag, maakt een fout uit in hoofde van appellant. Hij is immers duidelijk tekort geschoten aan zijn informatieplicht jegens KBC. 3.
- Appellant werpt hiertegen op dat het aan KBC behoorde te wachten op de ontvangst van het hypothecair certificaat vooraleer de fondsen te storten aan de ontleners. Hij is bijgevolg van oordeel dat de schade te wijten is aan een fout van KBC zelf gezien deze de fondsen reeds zou uitbetaald hebben vóór het verlijden van de authentieke akte. Uit de neergelegde stukken blijkt duidelijk dat de fondsen na het verlijden van de authentieke akte ter beschikking werden gesteld van de kredietnemer . Uit de stukken blijkt verder dat de notaris zich enkel verbond om de hypotheek ten laatste binnen de 15 dagen te laten inschrijven en om binnen de 3 maanden de grosse van de akte over te maken aan KBC. Hieruit kan niet afgeleid worden dat KBC de fondsen eerst ter beschikking mocht stellen vanaf de overschrijving van de hypotheek of vanaf de ontvangst van de grosse van de authentieke akte. Daarenboven heeft appellant in zijn hoedanigheid van notaris bij het verlijden van de authentieke akte zelf verklaard dat hij alle nodige hypothecaire stukken had nagekeken en niets gevonden had dat de kredietnemer kon schaden. KBC mocht er derhalve van uitgaan dat zij genoot van een hypothecaire inschrijving in tweede rang en het behoorde niet tot haar taak de hypothecaire staat zelf uit te pluizen en de notaris te wijzen op diens fouten. Een dergelijke taak behoort tot de essentie van de notariële praktijk. Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat de notaris niet eens overging tot het mededelen van de hypothecaire staat gezien KBC eerst kennis kreeg van dat stuk in de loop van 2004 -
- 3.
- Appellant houdt verder voor dat KBC niet bewijst dat indien er geen inschrijving had bestaan in tweede rang ten voordele van AXA zij de fondsen na beslag wel zou bekomen hebben. Axa beschikte over twee hypothecaire inschrijvingen van telkens 4.725.000 BEF en was in tweede rang ingeschreven. Gezien AXA wel terugbetaling kreeg van haar schuldvordering zou KBC, in dezelfde omstandigheden geplaatst, ook betaald zijn geweest des te meer dat haar hypothecaire inschrijving slechts 5.000.0000 BEF (= 123.946,76 euro ) bedroeg en het aan AXA uitgekeerde bedrag ingevolge gedwongen verkoop 241.817,07 euro bedroeg. 3.
- Verder staat afdoend vast dat KBC geen kredietverlening zou hebben toegestaan indien zij kennis had gehad van de reële staat van het onroerend goed (met name een reeds aangevangen beslag). 3.
- De schade die KBC geleden heeft, is het niet terugbetalen van het saldo van de totale kredietopening, zijnde 153.269,21 euro in hoofdsom. Door de fout van appellant heeft KBC immers een krediet verleend van 8.500.000 BEF (= 210.709,50 euro ) waartoe zij niet zou zijn overgegaan indien zij behoorlijk was ingelicht door de instrumenterende notaris. Opdat een fout tot aansprakelijkheid aanleiding zou geven, is het noodzakelijk dat deze fout een in concreto noodzakelijke voorwaarde uitmaakte voor het schadegebeuren. Zodra dit het geval is - zoals in deze zaak - is de fout steeds, onvermijdelijk, de oorzaak van het schadegebeuren, hoe onwaarschijnlijk, onrechtstreeks of uitzonderlijk de feitelijke gang van zaken die tot het schadegebeuren leidde, ook moge zijn. In het licht hiervan heeft KBC ook recht op de conventioneel overeengekomen intrestvoet ingeval van niet of laattijdige betaling. De buitencontractuele schade staat immers gelijk met het volledige nadeel dat volgt uit de overeenkomst die door de buitencontractuele fout is gesloten. Door de overeenkomst met Sedic te sluiten, heeft KBC een niet inbare schuldvordering bestaande uit kapitaal en contractuele rente. Enkel op dit ene punt wordt het bestreden vonnis hervormd. 3.
- Beide partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding terecht op 5.000 euro , wat het basistarief is gelet op de omvang van het gevorderde. Dit bedrag komt toe aan KBC als de in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat de door de eerste rechter toegekende hoofdsom dient vermeerderd te worden met de conventionele intresten vanaf 28 augustus 2001 tot de dag van de algehele betaling, zijnde een dagrente van 52 euro (= 12,55% per jaar). Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot op 5.186 euro (186 euro rolrechten + 5.000 euro rechtsplegingsvergoeding). Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 22 juni
- Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, Raadsheer dd. Voorzitter, Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer, Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. B. Heymans M. Debaere E. Janssens de Bisthoven A. De Preester Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div