← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100713.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 13 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20100713.5 Rolnummer: 2010AR1431 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-06-17 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 12:05 Fiche

  1. Het principe dat de beschikking van de kort gedingrechter geen nadeel aan de zaak mag toebrengen, is een richtlijn bestemd voor de bodemrechter die, na de kort gedingprocedure, een uitspraak ten gronde moet wijzen. Krachtens dit principe is de bodemrechter immers niet gebonden door het oordeel van de kort gedingrechter
  2. Het gezag van gewijsde geldt niet enkel voor hetgeen uitdrukkelijk werd beslist over een geschilpunt, maar ook voor alles waarop m.b.t. de betwisting voor de rechter, diens beslissing, zij het impliciet, berust.
  3. Samenlezing van de artikelen 20 en 26 Ger. W. noopt tot het besluit dat noch het bestaan van de rechtsmiddelen noch de aanwending ervan op zich enige weerslag kunnen hebben op het gezag van gewijsde
  4. Overeenkomstig artikel 24 Ger. W. heeft een eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf haar uitspraak. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde - Gezag van gewijsde - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Aard maatregel GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Gevolgen Vrije woorden: ARTIKEL 1039 Ger. W. BESCHIKKING IN KORTGEDING. DRAAGWIJDTE EN RECHTSGEVOLGEN ARTIKEL 23 Ger. W. GEZAG VAN HET RECHTERLIJK GEWIJSDE: OMVANG. ARTIKEL 24 Ger. W. Gezag van gewijsde:vanaf wanneer Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Vakantiekamer - 2de sectie Nr. van de zaak : 2010/AR/1431 Openbare terechtzitting van 13 juli 2010 IN ZAKE VAN : De N.V. CITY MOTORS GROEP, met maatschappelijke zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 89, appellante, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Alex TALLON, advocaat, met kantoor gevestigd te 1050 Brussel, Louizalaan 283, bus
  5. TEGEN :
  6. De N.V. CITROEN BELUX, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, IJzerplein 7, eerste geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Johan VERBIST, advocaat bij het Hof van cassatie, met kantoor gevestigd te 1000 Brussel, Brederostraat
  7. De N.V. PSA FINANCE BELUX, met maatschappelijke zetel te 1180 Brussel, Sterstraat 99, tweede geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Mehdi MELLAH, advocaat, met kantoor gevestigd te 1170 Brussel, Vorstlaan
  8. *** SAMENVATTING
  9. Het principe dat de beschikking van de kort gedingrechter geen nadeel aan de zaak mag toebrengen, is een richtlijn bestemd voor de bodemrechter die, na de kort gedingprocedure, een uitspraak ten gronde moet wijzen. Krachtens dit principe is de bodemrechter immers niet gebonden door het oordeel van de kort gedingrechter
  10. Het gezag van gewijsde geldt niet enkel voor hetgeen uitdrukkelijk werd beslist over een geschilpunt, maar ook voor alles waarop m.b.t. de betwisting voor de rechter, diens beslissing, zij het impliciet, berust.
  11. Samenlezing van de artikelen 20 en 26 Ger. W. noopt tot het besluit dat noch het bestaan van de rechtsmiddelen noch de aanwending ervan op zich enige weerslag kunnen hebben op het gezag van gewijsde
  12. Overeenkomstig artikel 24 Ger. W. heeft een eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf haar uitspraak. R. EINDARREST - niet gegrond 2010/AR/1431 2 vakantiekamer 2de sectie In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit. PROCEDURE Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de beslagkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 mei 2010, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 25 mei
  13. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
  14. Het hof geeft hieronder de oordeelkundige samenvatting van de feiten en procedurevoorgaanden gegeven door de eerste rechter weer en vervolledigt ze op een aantal punten. Tussen eerste geïntimeerde en appellante en hun rechtsvoorgangers bestaan sedert de jaren 1930 contractuele relaties en werden sedert 7 mei 1992 opeenvolgende concessieovereenkomsten gesloten, met als laatste een concessieovereenkomst gesloten op 13 mei
  15. Tussen tweede geïntimeerde, zijnde de financieringsmaatschappij van de groep PEUGEOT en appellante, werd een overeenkomst gesloten m.b.t. de consignatie van voertuigen op 23 december 2003 en naderhand op 30 januari 2006 een kaderfinancieringsovereenkomst. Ingevolge de opzegging van eerste geïntimeerde op 1 juni 2004 van de concessieovereenkomst wegens wanprestatie op grond van het uitdrukkelijk ontbindend beding ingeschreven in artikel 18 van haar overeenkomst, werden eerste en tweede geïntimeerden door 2010/AR/1431 3 vakantiekamer 2de sectie appellante gedagvaard in kort geding op 4 juni 2004 met het oog op de eerbiediging van de bestaande contractuele relaties. Bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel zetelend in kort geding van 24 juni 2004 werden eerste en tweede geïntimeerden hiertoe veroordeeld tot uitspraak door de rechter ten gronde onder verbeurte van een dwangsom van 100.000,00 EUR per dag vertraging. Hiertegen werd hoger beroep aangetekend door eerste geïntimeerde, doch bij arrest van 7 februari 2005 werd dit hoger beroep verworpen en werd gezegd dat de in eerste aanleg bevolen maatregel zou gelden tot een beslissing ten gronde voorhanden is die met geen enkel rechtsmiddel meer kan worden bestreden. Tegen het arrest van 7 februari 2005 werd door eerste en tweede geïntimeerden cassatieberoep aangetekend, dat werd verworpen bij arrest van het Hof van cassatie van 6 oktober
  16. Intussen werd eerste geïntimeerde door appellante gedagvaard ten gronde op 20 augustus 2004 met het oog op de ontbinding van de concessieovereenkomst en het bekomen van een schadevergoeding. In het kader van deze procedure werd bij tussenvonnis van 21 november 2005 beslist om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen omtrent de toelaatbaarheid van het ontbindend beding vervat in artikel 18 van de concessieovereenkomst in het licht van artikel 3.6 van de verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli
  17. Het Hof van Justitie wees een arrest op 18 januari 2007, waarin het besliste dat "artikel 3, lid 6 van verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3 van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, moet aldus worden uitgelegd dat de enkele omstandigheid dat een binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende overeenkomst een uitdrukkelijk ontbindend beding zoals dat aan de orde in het hoofdgeding bevat, op grond waarvan een dergelijke 2010/AR/1431 4 vakantiekamer 2de sectie overeenkomst door de leverancier zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opzegtermijn kan worden opgezegd wanneer de distributeur een van de in dit beding genoemde contractuele verplichtingen niet nakomt, er niet toe leidt dat de in artikel 2, lid 1, van deze verordening opgenomen groepsvrijstelling op deze overeenkomst niet van toepassing is". Het hoger beroep dat tegen voormeld tussenvonnis werd aangetekend werd bij arrest van het hof van beroep te Brussel onontvankelijk verklaard op 11 maart
  18. Eerder op 7 december 2005 werd eerste geïntimeerde opnieuw gedagvaard in kort geding door appellante, tot het bekomen van provisionele vergoedingen, waarop de kort gedingrechter inging en die werden geraamd op basis van berekeningen die werden gedaan door een door hem aangestelde deskundige. Uiteindelijk kwam er op 24 februari 2010 een beslissing ten gronde tussen van de rechtbank van koophandel te Brussel waarbij de vordering van appellante in ontbinding van de concessieovereenkomst en het bekomen van een schadevergoeding ongegrond werd verklaard. De rechtbank van koophandel besliste dat de concessieovereenkomst rechtmatig werd ontbonden ten laste van appellante, en aldus niet langer dient te worden verder gezet door eerste geïntimeerde. Dit vonnis werd op 6 april 2010 betekend aan appellante, die hiertegen hoger beroep aantekende eerder op 17 maart
  19. Eerste en tweede geïntimeerden staakten de uitvoering van de contractuele relaties met appellante. Op datum van 18 maart 2010 werd op verzoek van appellante aan eerste en tweede geïntimeerden een bevel tot betalen betekend voor een hoofdsom van 800.000,00 EUR ten titel van verbeurde dwangsommen voor de periode van 11 maart 2010 t.e.m. 18 maart 2010/AR/1431 5 vakantiekamer 2de sectie 2010, waartegen verzet werd aangetekend door eerste en tweede geïntimeerden bij dagvaardingsexploot betekend op 22 maart
  20. Op datum van 24 maart 2010 werd op verzoek van appellante aan eerste en tweede geïntimeerden een bevel tot betalen betekend voor een hoofdsom van 600.000,00 EUR ten titel van verbeurde dwangsommen voor de periode van 19 maart 2010 t.e.m. 24 maart 2010, waartegen verzet werd aangetekend door eerste en tweede geïntimeerden bij dagvaardingsexploot betekend op 26 maart
  21. Op datum van 1 april 2010 werd op verzoek van appellante aan eerste en tweede geïntimeerden een bevel tot betalen betekend voor een hoofdsom van 2.100.000,00 EUR ten titel van verbeurde dwangsommen voor de periode van 11 maart 2010 t.e.m. 31 maart
  22. Op datum van 12 april 2010 werd op verzoek van appellante aan eerste en tweede geïntimeerden een bevel tot betalen betekend voor een hoofdsom van 1.200.000,00 EUR ten titel van verbeurde dwangsommen voor de periode van 1 april 2010 t.e.m. 12 april
  23. Tegen de bevelen tot betalen van 1 april 2010 en 12 april 2010 werd door eerste en tweede geïntimeerden verzet aangetekend bij proces-verbaal van vrijwillige verschijning van 21 april
  24. Na de zaken te hebben gevoegd wegens samenhang, oordeelde de eerste rechter dat, gelet op de andersluidende beslissing van de bodemrechter van 24 februari 2010, de beslissingen van de kort gedingrechter van 24 juni 2004 en 7 februari 2005 niet langer actueel of doeltreffend zijn wat betreft de invordering van de dwangsom, nu de hierin opgenomen hoofdveroordeling tot het verderzetten van de contractuele relaties, niet werd gehandhaafd door de bodemrechter. Hij verklaarde dienvolgens de tenuitvoerlegging aangevat door appellante ten laste van eerste en tweede geïntimeerden bij de 2010/AR/1431 6 vakantiekamer 2de sectie bestreden bevelen tot betalen onrechtmatig en zegde dat op basis hiervan de gedwongen uitvoering niet kan worden verder gezet. Appellante werd in de kosten verwezen. GRIEVEN Appellante streeft de vernietiging van het bestreden vonnis in al zijn onderdelen na, behalve wat betreft de voeging van de zaken. Zij vordert de oorspronkelijke vordering dienvolgens ongegrond te verklaren en geïntimeerden te veroordelen tot de kosten. Zij meent in ondergeschikte orde dat de dwangsommen minstens verschuldigd zijn tot aan de betekening op 6 april 2010 van het vonnis van de bodemrechter. Eerste geïntimeerde nodigt het hof in hoofdorde uit het bestreden vonnis te bevestigen. In ondergeschikte orde vordert eerste geïntimeerde te zeggen voor recht dat geen dwangsommen zijn verbeurd voor de periode tussen 11 maart 2010 en 18 maart 2010 en dat appellante de kosten van betekening van de bestreden bevelen tot betalen dient te dragen. Zij tekent incidenteel beroep aan wat betreft de rechtsplegingvergoeding, die zij vraagt te bepalen op het basisbedrag van 15.000,00 EUR i.p.v. 1.200,00 EUR toegekend door de eerste rechter. Zij vraagt in ieder geval appellante te veroordelen tot de gedingkosten. Tweede geïntimeerde vraagt aan het hof het bestreden vonnis integraal te bevestigen, behalve wat betreft de 2010/AR/1431 7 vakantiekamer 2de sectie rechtsplegingvergoeding, waarvoor zij incidenteel beroep aantekent met hetzelfde voorwerp als eerste geïntimeerde. Zij vraagt appellante te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. BEOORDELING
  25. Uit het vorenstaande blijkt dat waar de kort gedingrechters ervan uitgingen dat het uitdrukkelijk ontbindend beding niet in overeenstemming was met de verordening (EG) nr. 1400/2002, de bodemrechter overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van 18 januari 2007 besliste dat eerste geïntimeerde op rechtmatige wijze toepassing maakte van het uitdrukkelijk ontbindend beding. Waar naar het oordeel van de kort gedingrechters partijen de concessieovereenkomst dienden verder te zetten tot uitspraak door de bodemrechter, besliste deze dat eerste geïntimeerde sedert 1 juni 2004 de overeenkomst niet langer diende verder te zetten. De bodemrechter had bijgevolg een afwijkend oordeel over de rechtsverhouding die respectievelijk aan de rechtspleging in kort geding en de bij hem aanhangig gemaakte vordering ten grondslag ligt. Appellante betwist niettemin, in weerwil van het afwijkend oordeel van de bodemrechter over de rechtsverhouding van partijen, dat de in kortgeding bevolen voorlopige maatregel ophield uitwerking te hebben vanaf 24 februari 2010, datum van het vonnis van de bodemrechter, en houdt niettemin staande dat de titel voor de tenuitvoerlegging van de dwangsom nog altijd actueel is. Appellante steunt op de "timing", "tijdsbepaling", "tijdsduur" of "tijdslimiet" (conclusie, blz. 10, 11, 12 en 14) van de voorlopige maatregel, naar luid waarvan de maatregel geldt "totdat een 2010/AR/1431 8 vakantiekamer 2de sectie beslissing ten gronde voorhanden is die met geen enkel rechtsmiddel meer kan worden bestreden" (arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 februari 2005). Te dezen is volgens appellante nog geen beslissing ten gronde voorhanden, die met geen rechtsmiddel kan worden bestreden, gelet op het hoger beroep dat zij op 17 maart 2010 tegen het vonnis ten gronde aantekende, terwijl dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. Eerste geïntimeerde werpt hiertegen terecht op dat de beschikking van de kort gedingrechter, overeenkomstig artikel 1039 Ger. W. geen nadeel toebrengt aan de zaak zelf. Het principe dat de beschikking van de kort gedingrechter geen nadeel aan de zaak mag toebrengen, is een richtlijn bestemd voor de bodemrechter die, na de kort gedingprocedure, een uitspraak ten gronde moet wijzen. Krachtens dit principe is de bodemrechter immers niet gebonden door het oordeel van de kort gedingrechter (M. STORME en P. TAELMAN, Het kort geding: ontwikkelingen en perspectieven, in M. STORME en A. BEIRLAEN (eds.), Procederen in nieuw België en komend Europa, Antwerpen, Kluwer, 1991, 30, nr. 23¸ en verwijzingen aldaar: Ch. VAN REEPINGHEN, Verslag van de Gerechtelijke Hervorming, Dl. I, Brussel, Belgisch Staatsblad, 1964, 236: "de rechter die over de zaak zelf uitspraak doet zal niet gehouden zijn door de vormen en de gevolgen van het bevelschrift"; M. CASTERMANS, Gerechtelijk Privaatrecht, Gent, Story, 2009, nr. 257). Te dezen luiden de dispositieven van de uitspraken van de kort gedingrechters en van de bodemrechter als volgt. Bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel zetelend in kort geding van 24 juni 2004 werd beslist als volgt: "Verklaren de hoofdvordering toelaatbaar en gegrond als volgt: Veroordelen (eerste en tweede geïntimeerden) tot de voortzetting van de bestaande contractuele relaties met (appellante) tot 2010/AR/1431 9 vakantiekamer 2de sectie uitspraak door de rechter ten gronde, en dit vanaf de betekening van huidige beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van 100.000,00 EUR per dag vertraging". Bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 februari 2005 werd het hoger beroep van eerste geïntimeerde tegen voormelde beschikking verworpen in volgende termen: "Ontvangt het hoger beroep maar verwerpt het. Zegt verder dat de in eerste aanleg op hoofdvordering besliste maatregel geldt totdat een beslissing ten gronde voorhanden is die met geen enkel rechtsmiddel meer kan worden bestreden" (het hof onderlijnt). Het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 24 februari 2010 in het bodemgeschil tussen appellante en eerste geïntimeerde werd o.m. beslist: "zegt voor recht dat de concessieovereenkomst van 13 mei 2003 rechtmatig op 1 juni 2004 werd ontbonden ten laste van (appellante), en aldus sedert 1 juni 2004 is beëindigd, zodat deze niet langer dient te worden verder gezet door (eerste geïntimeerde)" (het hof onderlijnt). Tegen dit vonnis tekende appellante hoger beroep aan op 17 maart
  26. Uit bovenstaande dispositieven blijkt dat de bodemrechter niet alleen wat betreft de verderzetting van de contractuele relatie, maar ook wat betreft de zgn. timing van mening verschilde met de kort gedingrechter. Inderdaad, waar de kort gedingrechter besliste dat de bevolen maatregel geldt totdat een beslissing ten gronde voorhanden is die met geen enkel rechtsmiddel meer kan worden bestreden, anders gezegd, dat partijen hun contractuele relatie tot dan moeten verderzetten, besliste de bodemrechter dat partijen hun contractuele relatie niet langer dan tot 1 juni 2004 dienden te handhaven. 2010/AR/1431 10 vakantiekamer 2de sectie Appellante doet een verkeerde lezing van het vonnis van de bodemrechter, als zou deze, zoals de kort gedingrechter, hebben bevestigd dat de maatregel tot voortzetting van de concessieovereenkomst geldt totdat een beslissing ten gronde voorhanden is die met geen enkel rechtsmiddel meer kan worden bestreden. De door appellante aangehaalde passage van het vonnis van de bodemrechter betreft slechts het door deze weergegeven feitenrelaas, zonder dat hij desbetreffend een standpunt innam, zoals de eerste rechter terecht vaststelde. Het verwijt dat appellante aan de eerste rechter maakt, nl. als appel- of cassatierechter te hebben geoordeeld door zich af te vragen "of de kort gedingrechter voorafgaandelijk geen afbreuk heeft gedaan aan het gezag van gewijsde van een later bodemvonnis door te bepalen dat, voor het geval het andersluidend is, de maatregel toch blijft gelden in geval van beroep" (conclusie, blz. 12), is onterecht. I.t.t. wat appellante beweert, stelde de eerste rechter de door de kort gedingrechter voorziene tijdsduur van de bevolen maatregel geenszins in vraag, en trad hij geenszins uit zijn "zeer specifieke en gelimiteerde rol" (conclusie, blz. 13) noch schond hij de "bevoegdheidsverdeling" (ibid.) tussen bodem-, appel- en cassatierechter. De eerste rechter beperkte zich integendeel strikt tot het beoordelen van het voorwerp van het executiegeschil, d.i. de vraag of dwangsommen al dan niet verbeurd zijn, concreet de vraag of de stopzetting van de contractuele relatie door eerste en tweede geïntimeerden een inbreuk oplevert op de hoofdveroordeling in uitvoering van de beslissingen in kort geding, nu er sedert 24 februari 2010 een andersluidende beslissing tussenkwam, die niet voorlopig uitvoerbaar werd verklaard en waartegen hoger beroep werd aangetekend. 2010/AR/1431 11 vakantiekamer 2de sectie De eerste rechter bekritiseerde hierbij geenszins de beslissing van de kort gedingrechter, naar luid waarvan de bevolen maatregel geldt totdat een beslissing ten gronde voorhanden is die met geen enkel rechtsmiddel meer kan worden bestreden. Hij oordeelde wel, en terecht, dat voormelde beslissing van de kort gedingrechter geen afbreuk doet aan het gezag van gewijsde dat kleeft aan het vonnis van "de bodemrechter (die) immers op geen enkele wijze gebonden (is) door de beslissing van de rechter in kort geding".
  27. Bij de beoordeling van het executiegeschil eerbiedigde de eerste rechter het gezag van gewijsde van zowel de beschikking in kortgeding als van het vonnis van de bodemrechter. Het gezag van gewijsde geldt niet enkel voor hetgeen uitdrukkelijk werd beslist over een geschilpunt, maar ook voor alles waarop m.b.t. de betwisting voor de rechter, diens beslissing, zij het impliciet, berust (Cass. 5 februari 1995, R.W. 1995-96, 43; Cass. 15 maart 1991, Arr. Cass. 1990-91, 739; Cass. 9 november 1990, R.W. 1990-91, 1431; Cass. 2 april 1990, Arr. Cass. 1989-90, 1913; Cass. 24 april 1981, R.W. 1081-82, 1677; Cass. 23 oktober 1979, Arr. Cass. 1979-80, 236; Cass. 4 oktober 1978, Arr. Cass. 1978-79, 148). Appellante beweert verkeerdelijk dat "de bodemrechter niet uitdrukkelijk heeft gesteld in een uitvoerbaar vonnis dat de maatregel in kort geding niet meer geldt, spijts de beslissing ten gronde nog met een rechtsmiddel kan worden bestreden" (conclusie, blz. 11). De bodemrechter besliste uitdrukkelijk dat partijen hun contractuele relatie vanaf 1 juni 2004 niet dienen verder te zetten. Aldus besliste de bodemrechter eveneens uitdrukkelijk, minstens impliciet maar zeker, dat partijen hun contractuele relatie niet 2010/AR/1431 12 vakantiekamer 2de sectie verder dienen te zetten totdat een beslissing ten gronde voorhanden is die met geen enkel rechtsmiddel meer kan worden bestreden. Zoals hierboven vastgesteld, had de bodemrechter een afwijkend oordeel van de kort gedingrechter, ook wat betreft de zgn. timing van de voorlopige maatregel. De bevolen maatregel houdt derhalve op uitwerking te hebben vanaf de uitspraak van de bodemrechter (P. TAELMAN, Het gezag van gewijsde. Een begrippenstudie, Diegem, Kluwer, 2001, nr. 536). De verwerping van het cassatieberoep tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 7 februari 2005 doet hieraan geen afbreuk. De in kort geding bevolen maatregel blijft er niet minder een voorlopige maatregel om, d.i. een maatregel waardoor de rechten van partijen niet op een definitieve en onherroepelijke wijze mogen worden aangetast (Cass. 31 januari 1997, Arr. Cass. 1997, 140).
  28. De niet-uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van de bodemrechter van 24 februari 2010 doet hieraan evenmin afbreuk. Weliswaar is ten gevolge van het aangetekende hoger beroep de tenuitvoerlegging van het vonnis van de bodemrechter krachtens artikel 1397 Ger. W. geschorst, nu de bodemrechter zijn vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde. Het vonnis van de bodemrechter heeft er niet minder gezag van gewijsde om, welk gezag van gewijsde immers krachtens artikel 24 Ger. W. toekomt aan een eindbeslissing van de rechter vanaf de uitspraak ervan. Vanaf datzelfde ogenblik kan op dit gezag door partijen een beroep worden gedaan (P. TAELMAN, o.c., nr. 447). Krachtens artikel 26 Ger. W. blijft dit gezag van gewijsde bestaan zolang die beslissing niet ongedaan is gemaakt. Naar luid van 2010/AR/1431 13 vakantiekamer 2de sectie artikel 20 Ger. W. kunnen gerechtelijke beslissingen alleen ongedaan worden gemaakt, als gevolg van het succesvol aanwenden van een bij de wet bepaald rechtsmiddel. Samenlezing van deze bepalingen noopt tot het besluit dat noch het bestaan van de rechtsmiddelen noch de aanwending ervan op zich enige weerslag kunnen hebben op het gezag van gewijsde (P. TAELMAN, o.c., nr. 462). Appellante kan dan ook niet worden gevolgd in haar standpunt naar luid waarvan, wilde de bodemrechter afbreuk doen aan de timing van de in kort geding bevolen maatregel, hij een uitvoerbaar vonnis had dienen te wijzen. Eerste en tweede geïntimeerden hoefden helemaal niet, i.t.t. wat appellante voorhoudt, aan deze het vonnis van de bodemrechter te betekenen, teneinde de gedwongen uitvoering te bekomen dat de maatregel in kort geding ophoudt te bestaan, wat, nog volgens appellante, evenwel veronderstelt dat eerste en tweede geïntimeerden ten gronde over een uitvoerbare titel beschikken, omdat anders de executierechter verplicht is de beschikking in kort geding verder uit te voeren, gelet op de timing van de kort gedingmaatregel. Eerste en tweede geïntimeerden beroepen zich eenvoudig op het gezag van gewijsde van het vonnis van de bodemrechter, die besliste dat partijen hun contractuele relatie niet verder dienen te zetten totdat een beslissing ten gronde voorhanden is die met geen enkel rechtsmiddel meer kan worden bestreden, welk gezag zij kunnen inroepen vanaf de uitspraak van het vonnis. Zij steunen enkel op het gezag van gewijsde van dit vonnis, teneinde te betwisten dat de bij de bestreden bevelen tot betalen ingevorderde dwangsommen verbeurd zijn.
  29. Appellante meent in ondergeschikte orde dat de dwangsommen minstens verschuldigd zijn tot aan de betekening op 6 april 2010 van het vonnis van de bodemrechter, nu het pas op dat ogenblik is 2010/AR/1431 14 vakantiekamer 2de sectie dat zij officieel in kennis werd gesteld van het vonnis van de bodemrechter. Appellante verwijst nog naar het autonoom karakter van de kort gedingprocedure. Dit standpunt van appellante miskent dat overeenkomstig artikel 24 Ger. W. een eindbeslissing vanaf haar uitspraak gezag van gewijsde heeft. Meteen bestaat de verplichting tot nakoming van het rechterlijk bevel, gebod of verbod (P. TAELMAN, o.c., nr. 487, en verwijzingen aldaar: Cass. 7 juli 1941, Arr. Cass. 1942, 166 en E. KRINGS, concl. voor Benelux-Gerechtshof, 14 april 1983, R.W. 1983-84, 227). Zo ook verliest de beschikking van de kort gedingrechter zijn werking door de uitspraak van de bodemrechter op het moment waarop die uitspraak wordt gedaan (P. TAELMAN, o.c., nr. 537 en voetnoot 1766). De subsidiaire vraag van appellante wordt derhalve afgewezen.
  30. De eerste rechter oordeelde dat ook t.a.v. tweede geïntimeerde de ingevorderde dwangsommen niet zijn verbeurd, nu de financieringsovereenkomst parallel loopt met de concessieovereenkomst. Tweede geïntimeerde merkte voor de eerste rechter, en merkt nog op voor het hof, dat de overeenkomst tot consignatie van 23 december 2003 werd vervangen door de kaderfinancieringsovereenkomst van 30 oktober 2006 die derhalve niet werd geviseerd door de uitspraken in kort geding van 24 juni 2004 en 7 februari
  31. Dit is correct maar doet niet terzake nu, zoals tweede geïntimeerde in conclusie bevestigt, de kaderfinancieringsovereenkomst de overeenkomst tot consignatie verving. De bevolen maatregel liep verder wat betreft de kaderfinancieringsovereenkomst. 2010/AR/1431 15 vakantiekamer 2de sectie
  32. De eerste rechter oordeelde verkeerdelijk dat het geschil een niet in geld waardeerbare vordering betreft. De vordering strekt weliswaar tot het vernietigen en van onwaarde verklaren van bevelen tot betalen. Dit laat nog niet toe te gewagen van een niet in geld waardeerbare vordering. Als waarde van de vordering dient de concreet betwiste dwangsom in aanmerking te worden genomen, waarvan het bedrag ruim het bedrag van 1.000.000,00 EUR te boven gaat. Het incidenteel beroep van eerste en tweede geïntimeerden is gegrond. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoofd- en incidenteel beroep, alsmede de subsidiaire vordering van appellante, alle ontvankelijk, doch enkel het incidenteel beroep gegrond, Hervormt het bestreden vonnis enkel wat betreft de rechtsplegingvergoeding, en bepaalt deze op het basisbedrag van 15.000,00 EUR, Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, aan haar zijde begroot op het rolrecht van 186,00 EUR en de rechtsplegingvergoeding van 15.000,00 EUR, en aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerden ieder op de rechtsplegingvergoeding van 15.000,00 EUR. 2010/AR/1431 16 vakantiekamer 2de sectie Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vakantiekamer - 2de sectie van het hof van beroep te Brussel, op 13 juli
  33. waar aanwezig waren : de heer P. Vandermotten, alleenzetelend raadsheer, de heer C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. P. Vandermotten. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.