id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 05 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101005.1 Rolnummer: 2008AR1184 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-10-07 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-07-01 13:46 Fiche Het feit dat geen notariële boedelbeschrijving van een opengevallen erfenis werd opgemaakt betekent niet dat in een dergelijk geval artikel 792 B.W. inzake de heling niet van toepassing zou zijn. Anders oordelen zou immers een voorwaarde toevoegen aan deze bepaling die er niet in is voorzien. Ook bij afwezigheid van een boedelbeschrijving dient de heler, om de sanctie van artikel 792 BW te ontlopen, tijdig en spontaan berouw te vertonen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Erfenissen. Heling (artikel 792 BW) Positieve en negatieve toepassingsvoorwaardeN; Voorwaarden voor het berouw van de heler, opdat artikel 792 BW niet van toepassing zou zijn. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - artikel 792 Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2008/AR/1184 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: V. E., wonende te appellante, vertegenwoordigd door Mr. DECRAEMERE Greet, advocaat te 3001 HEVERLEE, Philipssite 5/2 ; TEGEN: 1. V. A. 2. V. M. geïntimeerden, die verschijnen, bijgestaan door Mr. KINDERMANS Gerald, advocaat te 3870 HEERS, Steenweg 161 ; Artikel 792 BW. Erfenissen. Heling Het feit dat geen notariële boedelbeschrijving van een opengevallen erfenis werd opgemaakt betekent niet dat in een dergelijk geval artikel 792 B.W. inzake de heling niet van toepassing zou zijn. Anders oordelen zou immers een voorwaarde toevoegen aan deze bepaling die er niet in is voorzien. Ook bij afwezigheid van een boedelbeschrijving dient de heler, om de sanctie van artikel 792 BW te ontlopen, tijdig en spontaan berouw te vertonen. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerden strekte ertoe
(1)de aanstelling van een notaris te horen bekomen om over te gaan tot de vereffening en verdeling van de nalatenschap van wijlen M. B.,
(2)een tweede notaris te horen aanstellen teneinde de afwezige of weerspannige partij te vertegenwoordigen,
(3)te horen zeggen voor recht dat appellante vervallen is van haar rechten op enig goed uit de nalatenschap en
(4)hen een provisie toe te kennen van 2.500 euro ter dekking van hun advocatenkosten. Appellante vroeg
(1)tevens de aanstelling van een notaris om over te gaan tot de vereffening en verdeling van de opengevallen nalatenschap,
(2)de afgifte van een bijzonder legaat,
(3)geïntimeerden te veroordelen tot een provisie van 10.000 euro ten titel van onderhoudsgeld,
(4)te zeggen voor recht dat geïntimeerden een bedrag van 28.803,81 euro dienden in te brengen en
(5)geïntimeerden te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding t.b.v. 1.500 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding. 1.2. De eerste rechter heeft
(1)de vordering van geïntimeerden ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard,
(2)notaris X met standplaats te Z. aangesteld als boedelnotaris,
(3)Notaris Y met standplaats te Z. aangesteld als tweede notaris,
(3)gezegd voor recht dat de 52 effecten (Europees obligatiedepot) aangekocht op 19 juli 2004, de twee waardepapieren aangekocht op 18 januari 2005 of de waarde ervan op de datum van de verdeling alsmede een bedrag van 39.495 euro , plus de intresten vanaf de datum van de afhaling of overschrijving toekomen aan de nalatenschap,
(4)gezegd voor recht dat appellante geen aanspraak meer kon maken op enig aandeel in het actief van de nalatenschap wat deze terug gebrachte goederen betreft,
(5)de overige geschillen verwezen naar de boedelnotaris voor verdere opmerkingen en adviezen en
(6)de gerechtskosten ten laste gelegd van de massa. 1.
- Het hoger beroep van appellante beoogt de vordering van geïntimeerden tot vervallenverklaring van haar rechten op enig tegoed uit de nalatenschap ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren minstens te zien beperken. 1.
- Bij incidenteel beroep vorderen geïntimeerden
(1)te zeggen voor recht dat appellante vervallen wordt verklaard van haar rechten op enig tegoed uit de nalatenschap ingevolge het wegmaken van goederen (= kasbons en gelden) en
(2)hen voorbehoud te verlenen voor alle verdere vorderingen m.b.t. de opengevallen nalatenschap. II. De Feiten. ... III. Bespreking. ... 3.4.
- Geïntimeerden beroepen zich op de toepassing van artikel 792 B.W. waarin gesteld wordt dat de erfgenamen die goederen van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden, de bevoegdheid verliezen om de nalatenschap te verwerpen en dat, zelfs ingeval van verwerping, zij toch zuivere erfgenaam blijven, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken. Het verborgen houden of het wegmaken van goederen van de nalatenschap, waarvan sprake in artikel 792 B.W., is elke te kwader trouw gestelde daad waardoor de erfgenaam, op de goederen van de nalatenschap, een ongeoorloofd voordeel ten nadele van zijn mededeelgenoten wil verwerven. Het bedrieglijk opzet is bijgevolg een wezenlijk element bij het verborgen houden van erfenisgoederen. De sanctie van artikel 792 B.W. treft ook de begiftigde gezien de gift in aanmerking genomen wordt voor de samenstelling van de nalatenschap om alzo het beschikbaar deel te kunnen berekenen. 3.4.
- De erfgenaam die goederen heeft weggemaakt of verzwegen, kan echter berouw tonen, op voorwaarde dat dit gebeurt vóór de afsluiting van de inventaris en de aflegging van de eed. De fraude is niet gerealiseerd vóór het vervullen van deze vormvereisten, die niet enkel een bewarend maar ook een bewijskrachtig karakter hebben, zelfs als de fraude kon worden vastgesteld vóór het openvallen van de nalatenschap. In deze werd echter geen notariële boedelbeschrijving opgemaakt wat niet betekent dat in een dergelijk geval artikel 792 B.W. niet van toepassing zou zijn. Anders oordelen zou immers een voorwaarde toevoegen aan voornoemde bepaling die er niet in is voorzien. Ook bij afwezigheid van een boedelbeschrijving dient de heler, om de sanctie van artikel 792 BW te ontlopen, tijdig en spontaan berouw te vertonen. 3.4.
- Zoals terecht uiteengezet werd door de eerste rechter zijn voornoemde twee voorwaarden voor een deugdelijk berouw in deze niet vervuld. E. V. leefde immers haar spreekplicht niet na toen ze, reeds vóór de dagvaarding, uitdrukkelijk en duidelijk ondervraagd werd door de deelgenoten, A. en M., over het lot van het aandeel van Mevrouw B. in de verkoopprijs van het huis toebehorende aan de erven van haar man en aan haarzelf en over enkele nog andere bepaalde goederen afhangende van haar nalatenschap. Ook de aanvankelijke ontwijkende antwoorden van E. - zie o.a. haar brief van 16 mei 2005 - bevestigen zowel het niet tijdig als het niet-spontane karakter van haar berouw. E. V. erkende het bestaan van de verdoken goederen niet vooraleer de andere deelgenoten het bestaan ervan hadden bewezen. Het is immers voor het eerst in haar syntheseconclusie neergelegd op 16 november 2007 dat zij toegaf in het bezit te zijn van waardepapieren die toebehoorden aan de decujus en dat zij verklaarde bereid te zijn om deze waardepapieren in te brengen in de massa van de nalatenschap. Slechts indien de erfgenaam, die goederen verborgen heeft, uit eigen beweging en zonder hiertoe gedwongen te zijn door de omstandigheden zich spontaan bedenkt, is de sanctie van heling niet van toepassing. 3.4.
- De eerste rechter heeft dan ook op grond van oordeelkundige motieven die het hof hierbij herneemt voor zover ze niet tegenstrijdig zijn met de in dit arrest uiteengezette motieven beslist dat de 52 effecten aangekocht op 19 juli 2004 en de 2 andere aangekocht op 18 januari 2005 in de nalatenschap kwamen en dat appellante geen aanspraak meer kon maken op enig aandeel in het actief van de nalatenschap voor wat deze ingebrachte goederen betreft. .... OM DEZE REDENEN HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat in huidige fase van het geding geen uitspraak wordt gedaan omtrent de rekeningtransacties die door de eerste rechter geraamd werden op 39.495 euro . Legt de kosten van hoger beroep ten laste van de massa, begroot op 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 5 oktober
- Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, alleenzetelend Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div