← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101005.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 05 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101005.10 Rolnummer: 2008AR1184 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2013-10-09 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-07-01 13:45 Fiche Oud artikel 1209, eerste lid Ger. W. De rechtbank die de gerechtelijke verdeling beveelt kan meteen beslissen over alle geschillen die bij haar aanhagig zijn gemaakt, met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen Dit geldt ook vor een geschil op grond van artikel 792 BW inzake heling in he kader van de vereffening verdeling. Het bedrieglijk opzet is bijgevolg een wezenlijk element bij het verborgen houden van erfenisgoederen (art. 792 BW). UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Artikel 1209, eerste lid Ger. W. Vereffening-verdeling. Gelijktijdige eis inzake toepassing van de bepaling inzake heling/recel (art. 792 BW). Mogelijkheden voor de rechtbank die de gerechtelijke verdelig beveelt. Artikel 792 BW: toepassingsvoorwaarde voor de heling en vor het eventuele berouw van de heler. Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2008/AR/1184 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: V. E., wonende te vertegenwoordigd door Mr. DECRAEMERE Greet, advocaat te 3001 HEVERLEE, Philipssite 5/2 ; TEGEN:

  1. V. A., wonende te
  2. V. M., wonende te geïntimeerden, die verschijnen, bijgestaan door Mr. KINDERMANS Gerald, advocaat te 3870 HEERS, Steenweg 161 ; Oud artikel 1209, eerste lid Ger. W. - Artikel 792 BW inzake heling Oud artikel 1209, eerste lid Ger. W. De rechtbank die de gerechtelijke verdeling beveelt kan meteen beslissen over alle geschillen die bij haar aanhagig zijn gemaakt, met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen Dit geldt ook vor een geschil op grond van artikel 792 BW inzake heling in he kader van de vereffening verdeling. Het bedrieglijk opzet is bijgevolg een wezenlijk element bij het verborgen houden van erfenisgoederen (art. 792 BW).. _____________________________________________ Gelet op de procedurestukken: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 26 februari 2008, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 29 april 2008; - de conclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 7 oktober 2008; - de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 6 februari
  3. Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 22 juni 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden. Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
  4. De oorspronkelijke eis van geïntimeerden strekte ertoe

(1)de aanstelling van een notaris te horen bekomen om over te gaan tot de vereffening en verdeling van de nalatenschap van wijlen Maria B.,
(2)een tweede notaris te horen aanstellen teneinde de afwezige of weerspannige partij te vertegenwoordigen,
(3)te horen zeggen voor recht dat appellante vervallen is van haar rechten op enig goed uit de nalatenschap en
(4)hen een provisie toe te kennen van 2.500 euro ter dekking van hun advocatenkosten. Appellante vroeg
(1)tevens de aanstelling van een notaris om over te gaan tot de vereffening en verdeling van de opengevallen nalatenschap,
(2)de afgifte van een bijzonder legaat,
(3)geïntimeerden te veroordelen tot een provisie van 10.000 euro ten titel van onderhoudsgeld,
(4)te zeggen voor recht dat geïntimeerden een bedrag van 28.803,81 euro dienden in te brengen en
(5)geïntimeerden te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding t.b.v. 1.500 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding. 1.2. De eerste rechter heeft
(1)de vordering van geïntimeerden ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard,
(2)notaris M. Honorez met standplaats te Tienen aangesteld als boedelnotaris,
(3)Notaris B. Valkeniers met standplaats te Tienen aangesteld als tweede notaris,
(3)gezegd voor recht dat de 52 effecten (Europees obligatiedepot) aangekocht op 19 juli 2004, de twee waardepapieren aangekocht op 18 januari 2005 of de waarde ervan op de datum van de verdeling alsmede een bedrag van 39.495 euro , plus de intresten vanaf de datum van de afhaling of overschrijving toekomen aan de nalatenschap,
(4)gezegd voor recht dat appellante geen aanspraak meer kon maken op enig aandeel in het actief van de nalatenschap wat deze terug gebrachte goederen betreft,
(5)de overige geschillen verwezen naar de boedelnotaris voor verdere opmerkingen en adviezen en
(6)de gerechtskosten ten laste gelegd van de massa. 1.
  1. Het hoger beroep van appellante beoogt de vordering van geïntimeerden tot vervallenverklaring van haar rechten op enig tegoed uit de nalatenschap ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren minstens te zien beperken. 1.
  2. Bij incidenteel beroep vorderen geïntimeerden
(1)te zeggen voor recht dat appellante vervallen wordt verklaard van haar rechten op enig tegoed uit de nalatenschap ingevolge het wegmaken van goederen (= kasbons en gelden) en
(2)hen voorbehoud te verlenen voor alle verdere vorderingen m.b.t. de opengevallen nalatenschap. II. De Feiten. 2.
  1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  2. Samengevat komt het hierop neer dat E., huidige appellante, en A., geïntimeerde sub 1, de dochters zijn van Maria B., overleden op 9 maart 2005, en M., geïntimeerde sub 2, de zoon is van een vooroverleden broer van E. en A.. Mevrouw B. liet op 9 januari 2003 een testament verlijden door notaris X. waarbij E. als legataris werd aangesteld voor twee bestaande rekeningen bij de KBC (spaarboekje en girorekening) onder last van met dat geld de begrafeniskosten te betalen. Indien die dochter zou vooroverlijden, legateerde mevrouw B. die sommen aan haar kleinkinderen, ieder voor eenzelfde aandeel. Mevrouw B. woonde de laatste jaren bij haar dochter E.. Volgens appellante hadden geïntimeerden een volmacht op de rekening van mevrouw B. tot en met 22 juni 2003 en vanaf 23 juni 2003 beschikte zij over een volmacht. Op 10 juni 2003 ontving mevrouw B. een bedrag van 50.306,66 euro van de verkoop van haar woning en E. en M. ontvingen elk een bedrag van 3.720 euro voor hun aandeel in de naakte eigendom. Op het ogenblik van het overlijden van mevrouw B. stond er op haar zichtrekening 1.689,20 euro en op haar spaarrekening een bedrag van 4.321,51 euro . Geïntimeerden beweren dat appellante het saldo van de verkoopprijs heeft weggemaakt mede gelet op het feit dat mevrouw B. maandelijks een pensioen genoot van 942,40 euro en een tegemoetkoming ontving voor gehandicapten van 294,32 euro . Appellante betwistte dit en hield aanvankelijk voor enkel de lopende zaken van haar moeder te hebben geregeld en dat voor het overige moeder alles zelf regelde met de bank. 2.
  3. Voor het eerst in haar syntheseconclusie van 16 november 2007 gaf appellante toe in het bezit te zijn van 52 Europese obligatiebons aangekocht op 19 juli 2004 en van 2 andere bons besteld te hebben op 18 januari
  4. Zij erkende alsdan dat die kasbons eigendom waren van haar moeder en ze verklaarde zich bereid om deze in te brengen in de massa. M.b.t. deze feiten legden geïntimeerden klacht neer en lieten zij bewarend beslag leggen op een onroerend goed. III. Bespreking. 3.
  5. De eerste rechter heeft terecht de vereffening en verdeling bevolen van de nalatenschap van Maria B., even terecht 2 notarissen aangesteld met hun onderscheiden bevoegdheden en ook terecht beslist onmiddellijk uitspraak te moeten doen over de toepassing van artikel 792 B.W. en de concrete gevolgen hiervan voor wat de kasbons betreft. 3.2.Wat de afhalingen en de geldtransactie betreft is het dossier uiterst onduidelijk. Het behoort dan ook dit geschilpunt eerst voor te leggen aan de boedelnotaris die aan de hand van de rekeningen een duidelijker overzicht kan geven van wat er is afgehaald en in welke omstandigheden. 3.
  6. Zoals de eerste rechter meent het hof dat alle overige door partijen opgeworpen betwistingen ook eerst dienen overgelegd te worden aan de instrumenterende notaris die eerst zal pogen een globaal akkoord tussen partijen te bereiken en dat slechts wanneer dit onmogelijk zou zijn, de (overblijvende) twistpunten, na advies van de notaris, voorgelegd moeten worden aan de rechtbank. Dit geldt dus ook voor de problematiek van de afhalingen/geldtransacties. Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd. Voornoemde beslissingen maken een toepassing uit van artikel 1209, eerste lid Ger.W. 3.4.
  7. Geïntimeerden beroepen zich op de toepassing van artikel 792 B.W. waarin gesteld wordt dat de erfgenamen die goederen van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden, de bevoegdheid verliezen om de nalatenschap te verwerpen en dat, zelfs ingeval van verwerping, zij toch zuivere erfgenaam blijven, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken. Het verborgen houden of het wegmaken van goederen van de nalatenschap, waarvan sprake in artikel 792 B.W., is elke te kwader trouw gestelde daad waardoor de erfgenaam, op de goederen van de nalatenschap, een ongeoorloofd voordeel ten nadele van zijn mededeelgenoten wil verwerven. Het bedrieglijk opzet is bijgevolg een wezenlijk element bij het verborgen houden van erfenisgoederen. De sanctie van artikel 792 B.W. treft ook de begiftigde gezien de gift in aanmerking genomen wordt voor de samenstelling van de nalatenschap om alzo het beschikbaar deel te kunnen berekenen. 3.4.
  8. De erfgenaam die goederen heeft weggemaakt of verzwegen, kan echter berouw tonen, op voorwaarde dat dit gebeurt vóór de afsluiting van de inventaris en de aflegging van de eed. De fraude is niet gerealiseerd vóór het vervullen van deze vormvereisten, die niet enkel een bewarend maar ook een bewijskrachtig karakter hebben, zelfs als de fraude kon worden vastgesteld vóór het openvallen van de nalatenschap. In deze werd echter geen notariële boedelbeschrijving opgemaakt wat niet betekent dat in een dergelijk geval artikel 792 B.W. niet van toepassing zou zijn. Anders oordelen zou immers een voorwaarde toevoegen aan voornoemde bepaling die er niet in is voorzien. Ook bij afwezigheid van een boedelbeschrijving dient de heler, om de sanctie van artikel 792 BW te ontlopen, tijdig en spontaan berouw te vertonen. 3.4.
  9. Zoals terecht uiteengezet werd door de eerste rechter zijn voornoemde twee voorwaarden voor een deugdelijk berouw in deze niet vervuld. E. V. leefde immers haar spreekplicht niet na toen ze, reeds vóór de dagvaarding, uitdrukkelijk en duidelijk ondervraagd werd door de deelgenoten, A. en M., over het lot van het aandeel van Mevrouw B. in de verkoopprijs van het huis toebehorende aan de erven van haar man en aan haarzelf en over enkele nog andere bepaalde goederen afhangende van haar nalatenschap. Ook de aanvankelijke ontwijkende antwoorden van E. - zie o.a. haar brief van 16 mei 2005 - bevestigen zowel het niet tijdig als het niet-spontane karakter van haar berouw. E. V. erkende het bestaan van de verdoken goederen niet vooraleer de andere deelgenoten het bestaan ervan hadden bewezen. Het is immers voor het eerst in haar syntheseconclusie neergelegd op 16 november 2007 dat zij toegaf in het bezit te zijn van waardepapieren die toebehoorden aan de decujus en dat zij verklaarde bereid te zijn om deze waardepapieren in te brengen in de massa van de nalatenschap. Slechts indien de erfgenaam, die goederen verborgen heeft, uit eigen beweging en zonder hiertoe gedwongen te zijn door de omstandigheden zich spontaan bedenkt, is de sanctie van heling niet van toepassing. 3.4.
  10. De eerste rechter heeft dan ook op grond van oordeelkundige motieven die het hof hierbij herneemt voor zover ze niet tegenstrijdig zijn met de in dit arrest uiteengezette motieven beslist dat de 52 effecten aangekocht op 19 juli 2004 en de 2 andere aangekocht op 18 januari 2005 in de nalatenschap kwamen en dat appellante geen aanspraak meer kon maken op enig aandeel in het actief van de nalatenschap voor wat deze ingebrachte goederen betreft. 3.
  11. Voor zoveel als nodig wijst het hof erop dat appellante haar vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding niet meer herneemt in hoger beroep. Op dit punt is het bestreden vonnis definitief geworden. Deze vordering behoort immers niet tot de saisine van het hof. 3.
  12. Geïntimeerden vragen aan het hof " de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis". Het is niet duidelijk wat geïntimeerden hiermede bedoelen. Een hoger beroep tegen een vonnis schorst in principe de tenuitvoerlegging en hierdoor wordt het geschil definitief onttrokken aan de rechter in eerste aanleg. Een vonnis dat door de eerste rechter niet uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard, kan niet langer ten uitvoer worden gelegd van zodra daartegen hoger beroep wordt aangetekend. Geïntimeerden hebben na het instellen van het hoger beroep nooit geen verzoekschrift ingediend overeenkomstig artikel 1401 e.v. Ger.W. Een arrest is steeds uitvoerbaar gezien cassatieberoep geen schorsende werking heeft - in tegenstelling tot het verzet en het hoger beroep - , behalve in de gevallen die de wet bepaalt waaronder huidig geding niet valt. 3.
  13. Beide partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.200 euro , wat het basisbedrag is voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn. Gelet op de aard van het geschil worden de rechtsplegingsvergoedingen omgeslagen. OM DEZE REDENEN HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat in huidige fase van het geding geen uitspraak wordt gedaan omtrent de rekeningtransacties die door de eerste rechter geraamd werden op 39.495 euro . Legt de kosten van hoger beroep ten laste van de massa, begroot op 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, alleenzzetelend Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. B. Heymans A. De Preester Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.