← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101012.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 12 oktober 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101012.3 Rolnummer: 2008AR1238 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-10-12 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-01 13:50 Fiche Brokstukken van een schouw vallen op en wagen waarvan de carrosserie licht beschadigd werd. Artikel 1384, lid 1 dan wel artikel 1386 BW: onderscheid. Het naar beneden vallen van een aantal brokstukken afkomstig van een schouw kan niet gelijkgesteld worden met de 'gedeeltelijke instorting' van een gebouw in de zin van artikel 1386 B.W. Voor de toepassing van artikel 1386 B.W. moet de instorting enig belang vertonen wat in deze niet het geval is. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Gebouwen Vrije woorden: Schouw. Afrokkelen ervan. Stenen vallen op een auto. Carrosserie licht beschadigd. Toepassing van artikel 1384, eerste lid BW dan wel van artikel 1386 BW? Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artikel 1384BW oud Burgerlijk Wetboek - Artikel 1386BW Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2008/AR/1238 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: De N.V. FORTIS INSURANCE BELGIUM, thans de N.V. AG INSURANCE, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, E. Jacqmainlaan 53, ingeschreven met KBO-nummer 0404.494.849, appellante, vertegenwoordigd door Mr. COVERS Jean loco Mr. VAN HEMELRYCK Marc, advocaat te 1652 ALSEMBERG, Brusselsesteenweg 92 ; TEGEN: D. J., wonende te , geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. VAN BUYTEN Patrick, advocaat te 2140 BORGERHOUT (ANTWERPEN), Arthur Matthyslaan 50-52 ; Brokstukken van een schouw vallen op en wagen waarvan de carrosserie licht beschadigd werd. Artikel 1384, lid 1 dan wel artikel 1386 BW: onderscheid. Het naar beneden vallen van een aantal brokstukken afkomstig van een schouw kan niet gelijkgesteld worden met de "gedeeltelijke instorting" van een gebouw in de zin van artikel 1386 B.W. Voor de toepassing van artikel 1386 B.W. moet de instorting enig belang vertonen wat in deze niet het geval is. II. De Feiten. 2.

  1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis. 2.
  2. Samengevat komt het hierop neer dat volgens geïntimeerde haar geparkeerd voertuig op 20 oktober 2004 beschadigd werd door brokstukken afkomstig van de schouw gelegen op een gebouw waarvan appellante de brandverzekeraar is en die ook de B.A. gebouw dekt. Appellante weigert elke tussenkomst omdat zij van oordeel is dat geïntimeerde het bewijs niet levert van datgene wat ze voorhoudt. Zij werpt verder op dat hoe dan ook de mogelijke instorting van de schouw veroorzaakt werd door een blikseminslag wat een geval van overmacht zou uitmaken. III. Discussie. 3.
  3. Geïntimeerde steunt haar vordering op de artikelen 1382 - 1383 en 1384, lid 1 B.W. (= gebrek in de zaak). 3.
  4. Zowel in de aangifte van het schadegeval alsmede in de uitvoerige briefwisseling tussen partijen is er sprake van dezelfde versie die nooit door appellante betwist werd. Gezien er ten tijde van de besprekingen tussen partijen deze versie van de feiten niet betwist werd, kan geïntimeerde niet ten kwade worden genomen dat zij desbetreffend geen verdere bewijsstukken kan neerleggen. Op het ogenblik dat appellante de materialiteit van de feiten begon te betwisten , was het voor geïntimeerde praktisch onmogelijk om nog bijkomende bewijsstukken te verzamelen gelet op de aard van de feiten. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter stelde dat het aan appellante toebehoorde om vanaf de aangifte de versie van geïntimeerde te betwisten en dat bij gebreke hiervan het huidig verweer van appellante als weinig geloofwaardig voorkomt. 3.
  5. Het komt verder aan appellante toe te bewijzen dat ingevolge een blikseminslag de schouw afbrokkelde en dat deze brokken zodoende op de wagen van geïntimeerde terecht kwamen. Het feit dat op 20 oktober 2004 de regio van Melsbroek geteisterd werd door een onweer met bliksem bewijst niet dat zich ook een blikseminslag zou hebben voorgedaan te Vorst. Ook de overige door appellante neergelegde stukken overtuigen het hof niet. De eerste rechter heeft derhalve terecht beslist dat appellante geen afdoend bewijs levert dat de brokstukken die op de wagen van geïntimeerde terecht kwamen het zekere gevolg waren van een blikseminslag. 3.
  6. Appellante werpt voor het eerst in hoger beroep op dat in deze enkel toepassing kan gemaakt worden van artikel 1386 B.W. en niet van artikel 1384, lid 1 B.W. Het naar beneden vallen van een aantal brokstukken afkomstig van een schouw kan niet gelijkgesteld worden met de "gedeeltelijke instorting" van een gebouw in de zin van artikel 1386 B.W. Voor de toepassing van artikel 1386 B.W. moet de instorting enig belang vertonen wat in deze niet het geval is. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter oordeelde dat uit het geheel van de feiten blijkt dat het afvallen van brokstukken van de schouw in kwestie redelijkerwijze veroorzaakt werd door een gebrek in die schouw gezien het afvallen van brokstukken bij een windsterkte van amper 50km/u een abnormale gesteldheid van een schouw uitmaakt en dus niet behoort tot het normaal gebruik van de zaak. 3.
  7. De omvang van de schade wordt door appellante niet betwist en wordt naar behoren gestaafd. Ook op dat punt dient het bestreden vonnis bevestigd te worden. 3.
  8. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat. 3.
  9. Beide partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 650 euro wat het basisbedrag is gelet om de omvang van het gevorderde. Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij. OM DEZE REDENEN HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot op 836 euro (186 euro rolrechten + 650 euro rechtsplegingsvergoeding). Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 12 oktober
  10. Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, alleenzetelend Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. B. Heymans A. De Preester Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.