← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101123.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 23 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101123.2 Rolnummer: 2008AR2010 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-11-29 Raadplegingen: 144 - laatst gezien 2026-07-01 14:08 Fiche

  1. Verjaring. Rechtsverwerking: begrip
  2. Schenking aan een minderjarige begiftigde. Aanvaarding door een grootouder (artikel 935, derde lid BW).
  3. Rechtsverwerking veronderstelt dat de titularis van een recht of een bevoegdheid de mogelijkheid ontnomen wordt om dat recht of die bevoegdheid uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid en indien de wederpartij, bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan. Louter stilzitten, d.i. niets ondernemen in het uitoefenen van een recht of bevoegdheid, doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring.
  4. Een grootouder kan geen schenking doen aan zijn minderjarig kleinkind en tezelfdertijd bij deze schenking optreden namens en voor rekening van de begiftigde minderjarige ter aanvaarding van de schenking (= toepassing van artikel 935, lid 3 B.W.). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Giften - Bekwaamheid BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: I. Artikel 935, derde lid BW. Schenking door een grootouder aan zijn mindejarig kleinkind. Aanvaarding van de schenking door dezelfde grootvader namens en voor rekening van zijn kleinkind. II. Verjaring. Rechtsverwerking: begrip. Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2008/AR/2010 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: V. S., wonende appellante, vertegenwoordigd door Mr. VAN DEN BERGHEN Ann loco Mr. VAN DEN BERGHEN Herman, advocaat te 2800 MECHELEN, Korte Maagdenstraat 7 ; TEGEN: B. R., gepensioneerde, wonende te 3090 OVERIJSE, Poelweg 8 bus 2, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. DE WILDER Luc, advocaat te 1830 MACHELEN (BT), C. Françoisstraat 9 ;
  5. Verjaring. Rechtsverwerking: begrip
  6. Schenking aan een minderjarige begiftigde. Aanvaarding door een grootouder (artikel 935, derde lid BW).
  7. Rechtsverwerking veronderstelt dat de titularis van een recht of een bevoegdheid de mogelijkheid ontnomen wordt om dat recht of die bevoegdheid uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid en indien de wederpartij, bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan. Louter stilzitten, d.i. niets ondernemen in het uitoefenen van een recht of bevoegdheid, doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring.
  8. Een grootouder kan geen schenking doen aan zijn minderjarig kleinkind en tezelfdertijd bij deze schenking optreden namens en voor rekening van de begiftigde minderjarige ter aanvaarding van de schenking (= toepassing van artikel 935, lid 3 B.W.). (...) I. Voorwerp van de vorderingen. 1.
  9. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe te horen zeggen voor recht dat het door wijlen A. B. op 25 maart 1992 bij de NV De Generale Bank geopend renteboekje nr. 293-7313810-65 en geopend effectendossier nr. 293-0533191-37 op naam van de destijds nog minderjarige huidige appellante zonder uitwerking moesten blijven ten voordele van voornoemde minderjarige en als schenking aangetast waren door nietigheid en volkomen ongeldigheid. Geïntimeerde vroeg vervolgens te zeggen voor recht dat deze fondsen en waarden rechtens aan haar toekwamen en alleen aan haar rechtsgeldig konden overhandigd en uitgekeerd worden en haar akte te verlenen dat zij haar vordering schatte op 100.000 BEF. Zij vroeg tevens het tussen te komen vonnis gemeen te verklaren aan de Generale Bank. 1.
  10. De eerste rechter heeft

(1)de vordering gericht tegen appellante ontvankelijk en gegrond verklaard,
(2)het tussengekomen vonnis gemeen verklaard aan de Generale Bank en
(3)de kosten ten laste gelegd van de massa. 1.
  1. Het hoger beroep van appellante - die inmiddels meerderjarig is geworden en het geding in eigen naam verder zet - beoogt de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren en te horen zeggen voor recht dat de heer A. B. een geldige schenking deed ten voordele van zijn toenmalige minderjarige kleindochter en dat de betreffende fondsen en waarden aan haar rechtens toekomen en alleen aan haar rechtsgeldig kunnen overhandigd en uitgekeerd worden. Dienvolgens vraagt zij de veroordeling van geïntimeerde om haar een bedrag te betalen van 23.654,84 euro plus de wettelijke nalatigheidsintresten vanaf 21 juni 1990 en de gerechtelijke intresten. 1.
  2. Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te willen bevestigen. II. De Feiten. 2.
  3. De feiten relevant voor de beoordeling van huidig geschil zijn de volgende: - 22 mei 1973: geboortedatum van S. V., huidige appellante. Zij is de dochter van de heer X. V. en zijn echtgenote R. B., huidige geïntimeerde. - 10 oktober 1974: overlijden van E. V. M. die gehuwd was met A. B.. Zij waren de ouders van voormelde R. B.. - 25 maart 1982: A. B., vader van R. B. en grootvader van S. V. opent een renteboekje nr. 293-731381-65 en een open bewaargeving nr. 293-0533191-37 op naam van zijn kleindochter die toen nog minderjarig was ten titel van schenking. - 14 mei 1988: datum van het testamentloos overlijden van A. B. die als enige wettige erfgename zijn dochter R. B. nalaat. - 21 juni 1990: storting door de Generale Bank aan Mevrouw R. B. van de som van 954.234 BEF (= 23.654,84 euro ) in uitvoering van het inmiddels tussengekomen bestreden vonnis. 2.
  4. De moeder van de begiftigde was niet op de hoogte van deze schenking tijdens het leven van de schenker. Het is slechts na het overlijden van haar vader dat R. B. het bestaan verneemt van de hoger geciteerde rekeningen. Op het ogenblik van het overlijden van grootvader was kleindochter S. V. nog minderjarig. Zij was toen 15 jaar. Vandaar dat de initiële dagvaarding gericht werd tegen M. D. in zijn hoedanigheid van voogd ad hoc van S. V.. In eerste aanleg werd ook de toenmalige Generale Bank betrokken in de zaak doch deze bankinstelling is geen partij meer in hoger beroep. III. Bespreking: 3.
  5. Het instellen van hoger beroep meer dan 18 jaar na de datum van het bestreden vonnis maakt geen rechtsverwerking uit. Rechtsverwerking veronderstelt dat de titularis van een recht of een bevoegdheid de mogelijkheid ontnomen wordt om dat recht of die bevoegdheid uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid en indien de wederpartij, bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan. Louter stilzitten, d.i. niets ondernemen in het uitoefenen van een recht of bevoegdheid, doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring. Komt hierbij dat appellante nog minderjarig was tijdens de procedure in eerste aanleg en dus zelf niet kon beslissen al dan niet hoger beroep in te stellen. 3.
  6. Het feit dat appellante hoger beroep aantekende terwijl de voogd ad hoc zich in eerste aanleg gedroeg naar de wijsheid van de rechtbank maakt geen rechtsmisbruik uit. Zelfs indien een partij zich enkel schikt naar de wijsheid dient de bodemrechter nog steeds de grond van de zaak te onderzoeken. Een dergelijke proceshouding houdt immers niet in dat deze partij principieel de gegrondheid van de vordering niet zou betwisten. 3.
  7. Het zich gedragen naar de wijsheid van de rechtbank houdt evenmin een aanvaarding of berusting in t.a.v. de ingestelde vordering. Stilzwijgende berusting kan enkel afgeleid worden uit precieze en overeenkomstige handelingen of feiten die de zekere en ondubbelzinnige wil aantonen van een partij om haar instemming te betuigen met de gewezen beslissing. Geïntimeerde bewijst niet dat een dergelijke berusting plaatsvond. Vooreerst is een dergelijke berusting niet mogelijk voor een minderjarige partij zolang de minderjarigheid duurt en vervolgens zijn er geen overeenstemmende vermoedens voorhanden in de zin van artikel 1353 B.W. voor ogen houdend dat moeder en dochter in onmin leefden en de dochter het ouderlijk huis reeds verliet in
  8. 3.
  9. Ook is er in deze geen sprake zijn van enige inbreuk door appellante op de beginselen inzake de goede trouw en het vertrouwensbeginsel. Er zijn immers geen duidelijke aanwijzingen dat appellante ooit afstand zou gedaan hebben, in de zin van artikel 822 Ger.W., van haar recht om hoger beroep aan te tekenen. Het vertrouwen van de geïntimeerde kon dus niet verschalkt worden door huidige procedure in hoger beroep gelet op de concrete omstandigheden eigen aan deze zaak. Geïntimeerde liet bovendien het tussengekomen vonnis niet betekenen waardoor ze de mogelijkheid verschafte aan appellante ten allen tijde hoger beroep aan te tekenen. 3.
  10. Appellante steunt haar argumentatie in rechte op een onjuiste wetgeving. Appellante werd geboren op 22 mei
  11. Artikel 388 B.W., zoals gewijzigd bij de wet van 19 januari 1990 (BS 30 januari 1990), stelt de meerderjarigheidsgrens vast op 18 jaar. Appellante werd dus meerderjarig op 22 mei
  12. De nieuwe voogdijwet dateert van 29 april 2001 (B.S. van 31 mei 2001). Vermits appellante geboren is op 22 mei 1973 was zij 28 jaar op het ogenblik van het inwerkingtreden van de nieuwe voogdijwet waaronder het nieuwe artikel 410 B.W. Het nieuwe artikel 410 B.W. is dus in deze zaak niet van toepassing. Ook de laatste zinsnede van artikel 935, eerste lid B.W. betreffende de aanvaarding van de schenking door een minderjarige, dat thans in fine verwijst naar het nieuwe artikel 410 B.W., is in deze evenmin van toepassing. Appellante verwijst derhalve ten onrechte naar de nieuwe voogdijwet en naar de laatste zinsnede van artikel 935, eerste lid B.W., gewijzigd bij de voormelde nieuwe voogdijwet van 29 april
  13. Huidig artikel 410 BW is in deze dus irrelevant. 3.
  14. Volgens appellante is de door grootvader gedane schenking aan generlei vormvereisten onderworpen en heeft de eerste rechter derhalve ten onrechte geoordeeld dat de schenking zonder waarde diende te blijven en dat de fondsen aan haar moeder als enige wettige erfgenaam dienden uitgekeerd te worden. Appellante stelt terecht dat artikel 931 B.W. - dat een notariële akte voor een schenking vereist - niet van toepassing is op onrechtstreekse schenkingen en dat artikel 932 BW, in de mate dat het voor een schenking een aanvaarding in uitdrukkelijke bewoordingen vereist, evenmin geldt voor onrechtstreekse schenkingen. De vormvereisten vervat in de artikelen 931 en 932 B.W. zijn inderdaad niet van toepassing op onrechtstreekse schenkingen. 3.
  15. Onrechtstreekse schenkingen blijven echter in beginsel wel onderworpen aan de grondvereisten van schenkingen wat betekent dat ook de onrechtstreekse schenking moet aanvaard worden tijdens het leven van de schenker om geldig te zijn . 3.
  16. De bewijslast van een rechtsgeldige aanvaarding van de schenking - ook van onrechtstreekse schenkingen - tijdens het leven van de schenker rust op de begiftigde. In deze blijft appellante echter in gebreke om de rechtsgeldige aanvaarding van de aan haar gedane schenking aan te tonen, rekening er mee houdende dat zij nog minderjarig was op het ogenblik van het overlijden van haar grootouder/schenker en dat haar moeder niet eens op de hoogte was van de schenking gedaan door haar vader aan haar eigen dochter. Appellante bewijst meer bepaald niet dat haar vader of moeder of een andere grootouder (artikel 935, lid 3 BW) of een beheerder ad hoc (voogd ad hoc), tijdens het leven van haar grootvader/schenker, de schenking in kwestie rechtsgeldig heeft aanvaard vóór diens overlijden. 3.
  17. Een welbepaalde persoon kan bij een contract bovendien niet optreden in tegenovergestelde hoedanigheden. Wanneer een ouder (vader of moeder) van een minderjarige een schenking doet aan dit minderjarig kind, kan hijzelf of zijzelf niet tegelijkertijd optreden én als schenker én als ouder van zijn minderjarig door hem/haar begiftigd kind om de gift namens en voor rekening van zijn/haar minderjarig kind te aanvaarden. Evenmin kan een grootouder een schenking doen aan zijn kleinkind en tezelfdertijd bij deze schenking optreden namens en voor rekening van de begiftigde minderjarige ter aanvaarding van de schenking (= toepassing van artikel 935, lid 3 B.W.). In deze kon de grootvader als schenker dus niet tegelijkertijd in naam van de minderjarige aanvaarden. 3.
  18. Er is in deze dus geen geldige schenking gedaan door grootvader aan zijn kleindochter en de fondsen, voorwerp van deze schenking, komen derhalve enkel toe aan geïntimeerde in haar hoedanigheid van enige wettige erfgenaam van vader/grootvader. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd weliswaar op grond van andere motieven. 3.
  19. (...) OM DEZE REDENEN HET HOF, (...) Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis weliswaar op grond van andere motieven en binnen de perken van huidig beroep. (...) Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 23 november
  20. Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter, Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer, Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.