id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 25 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101125.11 Rolnummer: 1989/FR/408 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2012-06-04 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-01 14:09 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Aanslag - Aanslagtermijnen Vrije woorden: artikel 356, al.1 WIB/92 zoals gewijzigd door W.22/12/2009 - akkoord partijen over invorderbaarheid voorgelegde subsidiare aanslag - verzoek administratie beoordeling subsidiaire aanslag - vóór rechterlijke beslissing die nietigverklaring oplegt - voorbarig en onontvankelijk Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 1989/FR/408 Openbare terechtzitting van IN ZAKE VAN : 1.De heer X, 2.Mevrouw Y, samen wonende te, , verzoekers, vertegenwoordigd door Meester Vandendriessche loco Christine De Ridder , advocaat te 3090 Overijse, Waversesteenweg, 62 A. TEGEN : DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, in de persoon van de heer Gewestelijk Directeur van de Directe Belastingen te Leuven, wiens burelen gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite, 3A, bus 1,, vertegenwoordigd door Meester Luc Van Helshoecht, advocaat te 1070 Brussel, G. Stassartlaan,
- ***** Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit : R. EINDARREST (art 356 WIB/92) - gegrond DE PROCEDURE De zaak werd ter zitting van 4 november 2010 hernomen voor de anders samengestelde zetel. De voorziening van verzoekers werd, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 augustus
- De voorziening is gericht tegen de directeursbeslissing van 19 juli 1989 van de gewestelijke directeur der directe belastingen te Leuven (ref. nr. 812230) waarbij het bezwaarschrift van verzoekers werd afgewezen tegen de volgende aanslag in de personenbelasting, gemeente Meise : - artikel nr. 8708537, supplement aan artikel 7709273, aanslagjaar 1987, inkomsten 1986, dd. 16.6.1988, voor een bedrag van 816.869 BEF (20.249,65 euro ). Eerste verzoeker was in het betrokken aanslagjaar bestuurder in een N.V. Radiological and imaging diagnostic center. Tussen partijen is betwisting gerezen over het ogenblik van belastbaarheid van eerste verzoeker op een bezoldiging ten bedrage van 893.706 BEF, in de vennootschap ten laste genomen in 1986 en op het passief van de balans geboekt in de rekening "te betalen bezoldigingen", die in 1987 effectief ter beschikking werd gesteld van eerste verzoeker. De Belgische Staat hield aanvankelijk voor dat deze bezoldiging in hoofde van eerste verzoeker belastbaar was voor het inkomstenjaar
- Een verbeterende fiche nr. "281.20" werd opgemaakt, waarbij voormelde bezoldiging erin opgenomen werd als "niet periodieke bezoldigingen, andere dan tantièmes" belastbaar voor het inkomstenjaar
- Partijen zetten verder uiteen dat lastens de reeds genoemde naamloze vennootschap een aanslag in de bedrijfsvoorheffing werd ingekohierd voor de reeds genoemde bezoldiging en dit voor het aanslagjaar
- Bij arrest van dit hof van 8 juni 1995 aangaande een op grond hiervan ontstaan geschil tussen deze vennootschap en de Belgische Staat werd het akkoord tussen deze vennootschap en de Belgische Staat vastgesteld, dat inhield dat het door de Belgische Staat weerhouden bijkomend belastbaar gedeelte voor eerste verzoeker voor aanslagjaar 1987 en de verrekende bedrijfsvoorheffing, moeten toegerekend worden voor aanslagjaar
- In huidige zaak werd een bezwaarschrift ingediend tegen voormelde aanslag, dat bij voornoemde directorale beslissing werd afgewezen. Verzoekers legden daarop het voormelde fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van het hof, dat huidige zaak aanhangig maakte. Op 27 januari 1995 werd ter griffie van dit hof een verzoekschrift en dossier neergelegd door de Belgische Staat, waarin aan dit hof een verzoek tot beoordeling en goedkeuring van een subsidiaire aanslag inzake het aanslagjaar 1988 krachtens art. 261 W.I.B.1964 (art. 356 W.I.B.1992) wordt voorgelegd. IN RECHTE a. Aangaande de fiscale voorziening van verzoekers ONTVANKELIJKHEID De fiscale voorziening, regelmatig ingesteld door verzoekers, binnen de wettelijke termijn, is ontvankelijk. TEN GRONDE Bij besluiten neergelegd ter zitting van 6 januari 2010 verzoekt de Belgische Staat, verwijzend naar het hoger genoemd arrest van dit hof van 8 juni 1995, om het gegrond verklaren van het door verzoekers ingediend fiscaal verzoekschrift. Uit de besluiten neergelegd door verzoekers op 28 september 2010 kan worden afgeleid dat zij instemmen met dit verzoek tot gegrondverklaring van hun fiscaal verzoekschrift. In die zin komt het voor als hebben partijen een akkoord bereikt over de vordering in het eigenlijk fiscaal verzoekschrift, zodat daarvan akte verleend kan worden en de vernietiging zoals hierna bepaald gedaan kan worden. b. Aangaande het verzoek tot geldig en invorderbaar verklaren van de subsidiaire aanslag ONTVANKELIJKHEID Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 januari 1995 vordert de Belgische Staat de door hem voorgelegde subsidiaire aanslag in de personenbelasting gevestigd voor de gemeente Meise in hoofde van verzoekers, artikel 478201, aanslagjaar 1988, inkomsten 1987, voor een bedrag van 249.584 BEF (6.187,02 euro ), door hem voorgelegd als stuk nr. 66 van het bundel betreffende het verzoek tot invorderbaar verklaren van de subsidiaire aanslag, geldig en invorderbaar te verklaren. Ter zitting van het hof van 6 januari 2010 werden partijen uitgenodigd om een standpunt in te nemen aangaande dit verzoek gezien de inmiddels tussen gekomen wetswijziging van 22 december 2009 waarbij door artikel 2 van deze wet, artikel 356 W.I.B. 1992 werd vervangen. Partijen stellen beiden in hun besluiten akkoord te zijn omtrent de geldigheid van voormelde subsidiaire aanslag voorgelegd aan het hof. Artikel 3 van deze wet bepaalt : "Artikel 2 is onmiddellijk van toepassing ongeacht het aanslagjaar. ..." Evenwel is artikel 356 W.I.B.1992 inmiddels gewijzigd, wijziging die, gezien het hiervoor genoemde, onmiddellijk van toepassing is ongeacht het aanslagjaar. Artikel 356 W.I.B.1992, in zijn nieuwe versie, laat de Belgische Staat de mogelijkheid een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van het hof te onderwerpen binnen de voorwaarden zoals gesteld door deze bepaling, qua termijn bepaald als zijnde voor te leggen "gedurende die termijn van zes maanden". Immers stelt artikel 356 W.I.B.1992 dat wanneer tegen een beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven blijft op de rol. Het belastingrecht en dus ook artikel 356 W.I.B.1992 zijn van openbare orde. Niettegenstaande het akkoord tussen partijen over de invorderbaarheid van de door de Belgische Staat voorgelegde subsidiaire aanslag, moet gezien voormelde wijziging van artikel 356 W.I.B.1992 en gezien de inwerkingtreding van die wijziging, thans worden vastgesteld dat de thans door artikel 356 W.I.B.1992 voorziene termijn nog niet is beginnen lopen zodat niet op ontvankelijke wijze thans reeds kennis genomen kan worden van de vordering van de Belgische Staat tot het invorderbaar verklaren van de door hem voorgelegde subsidiaire aanslag. Geen akkoord kan tussen partijen afgesloten worden aangaande een afwijking van artikel 356 W.I.B.1992 zoals thans van toepassing, gezien het openbare orde-karakter ervan. Bovendien zou anders redeneren in het algemeen het gevaar van het ontstaan van tegenstrijdige gerechtelijke beslissingen in de hand werken (J. VANDEN BRANDEN, "De subsidiaire aanslag (art. 356 W.I.B.92) na de wet van 22 december 2009", A.F.T., 2010, nr. 5, 3, in het bijzonder 9, randnr. 12), nu gedurende de termijn van zes maanden zoals na de wetswijziging voornoemd voorzien in artikel 356 W.I.B.1992, de termijn om een voorziening in cassatie in te dienen tegen het arrest dat overgaat tot nietigverklaring van een initiële aanslag, is geschorst. Derhalve moet worden vastgesteld dat het reeds door de Belgische Staat ingestelde verzoek tot het invorderbaar verklaren van de door hem voorgelegde subsidiaire aanslag, thans voorbarig en dus onontvankelijk is. c. Aangaande de kosten Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. De Belgische Staat stelde ter zitting bij monde van zijn raadsman dat geen rechtsplegingvergoeding verschuldigd is, terwijl verzoekers verklaarden zich naar de wijsheid van het hof te gedragen. Krachtens art. 392 § 2 W.I.B. 1992 (art. 293 W.I.B. 1964) worden de kosten in huidige procedure geregeld als in strafzaken (bepaling W.I.B. zoals van kracht voor de opheffing door art. 34 Wet 15 maart 1999, cfr. art. 97, lid 9 Wet 15 maart 1999, B.S. 27.3.1999). Krachtens artikel 162, lid 1 Sv. verwijst ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen in de kosten, zelfs jegens de openbare partij. Derhalve worden de kosten vereffend zoals aangehaald in het beschikkend gedeelte. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart de voorziening van verzoekers ontvankelijk en gegrond, Vernietigt de aanslag in de personenbelasting, gevestigd in hoofde van verzoekers, gemeente Meise, artikel nr. 8708537, supplement aan artikel 7709273, aanslagjaar 1987, inkomsten 1986, dd. 16.6.1988 Veroordeelt de Belgische Staat tot de terugbetaling van alle ten onrechte ontvangen bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten van art. 418 W.I.B.1992 (art. 308 W.I.B.1964), Verklaart het verzoekschrift van de Belgische Staat tot het geldig en uitvoerbaar verklaren van de subsidiaire aanslag onder artikel nr. 478.201 over aanslagjaar 1988 in hoofde van verzoekers, thans onontvankelijk, Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van de voorziening, vereffend zoals in strafzaken op 11,82 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, raadsheer dd voorzitter, - P. Vandermotten, raadsheer, - C. Vanderkerken, raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. C. Vanderkerken. P. Vandermotten. J. Verstappen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div