← België

ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101125.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 25 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101125.12 Rolnummer: 2005/AR/1547 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2012-06-04 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-01 14:09 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Bewijsmiddelen administratie belastingen Vrije woorden: indiciaire taxatie - hogere gegoedheid - raming kosten van levensonderhoud - willekeur - geen enkel verband tussen bedragen van het bestaansminimum en die waaronder geen terugvordering van ocmw-steun mogelijk is aanpassing op basis van informatie door belastingplichtige verstrekt - gebruik deze informatie niet aanvaard - bewijslast indiciaire aanslag integraal bij administratie - niet toegestaan om belastingplichtige die men indiciair wil belasten te betrekken bij de bewijslast Tekst van de beslissing HOF van BEROEP te BRUSSEL Zesde fiscale kamer Nr. van de zaak : 2005/AR/1547 Openbare terechtzitting van IN ZAKE VAN :

  1. De heer X,
  2. Mevrouw Y, samenwonende te, appellanten, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester VANBELLEN loco meester Els VAN ERUM, advocaat, wiens kantoor gevestigd is te 3290 Diest, Engelandstraat
  3. TEGEN: De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector directe belastingen, in de persoon van de gewestelijke directeur te Leuven, wiens burelen gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 1, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester Ann HERREMAN loco meester Philippe DECLERCQ, advocaat, wiens kantoor gevestigd is te 1050 Brussel, Louizalaan
  4. ***** R. EINDARREST - gegrond In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit. PROCEDURE Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 18 februari 2005, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 8 juni
  5. FEITEN EN BESTREDEN VONNIS Appellanten werden voor de aanslagjaren 1997 en 1998 het voorwerp van indiciaire taxaties, na toepassing van de wijzigingsprocedure. De taxatieambtenaar leidde de hogere gegoedheid dan blijkt uit de aangegeven inkomsten hoofdzakelijk af uit de kosten van levensonderhoud. Hij bepaalde de indiciaire tekorten op het bedrag van 363.233 BEF (aanslagjaar 1997) en 1.048.432 BEF (aanslagjaar 1998), die hij vervolgens herleidde tot 91.905 BEF (aanslagjaar 1997) en 771.670 BEF (aanslagjaar 1998), teneinde rekening te houden met de door appellanten in hun antwoord op het bericht van wijziging vermelde kosten van levensonderhoud. Voormelde indiciaire tekorten werden aan de gezamenlijk belastbare inkomsten toegevoegd als inkomsten van onbepaalde oorsprong. Aanvullende aanslagen in de personenbelasting werden aldus op naam van appellanten gevestigd onder artikel nr. 798307377 (aanslagjaar 1997) en artikel nr. 798324944 (aanslagjaar 1998). Nadat de gewestelijke directeur bij beslissing van 5 april 2001 het bezwaarschrift tegen voormelde aanslagen had afgewezen, stelden appellanten voor de eerste rechter een vordering in rechte in, waarbij zij vorderden hen van de bestreden aanslagen te ontslaan. De eerste rechter wees de door appellanten ingeroepen willekeur van de aanslagen af en oordeelde dat het tegenbewijs uit artikel 341 WIB

(1992)niet werd geleverd. Hij verklaarde de vordering dienvolgens ontvankelijk doch ongegrond, en veroordeelde appellanten tot de gedingkosten. GRIEVEN Appellanten roepen de willekeur van de bestreden aanslagen in en menen dat zij het tegenbewijs uit artikel 341 WIB
(1992)leveren. Zij streven de hervorming van het bestreden vonnis en de vernietiging van de directeursbeslissing na. Zij vorderen de bestreden aanslagen nietig en van generlei waarde te verklaren. Zij vragen te zeggen voor recht dat de eventueel ingehouden bedragen dienen te worden terugbetaald, vermeerderd met de wettelijke interest vanaf datum der inhouding tot op datum van volledige terugbetaling. Zij vragen de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen. Geïntimeerde vraagt de wering uit de debatten van de op 2 mei 2007 overgelegde stukken, en, mochten deze toch worden aanvaard, alvorens recht te doen appellanten bij toepassing van artikel 871 en/of artikel 877 Ger. W. te bevelen voor de periode van 31 december 1995 t.e.m. 31 december 1997 alle uittreksels van de rekeningen 734-3160537-92 en 744-3160628-70 voor te leggen of, in elk geval, de stand van beide rekeningen op 31 december 1995, 31 december 1996 en 31 december 1997 aan te tonen met bewijskrachtige gegevens. Mochten deze stukken niet worden voorgelegd, vraagt geïntimeerde het bestreden vonnis te bevestigen en appellanten te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. BEOORDELING
  1. Appellanten roepen de willekeur van de bestreden aanslagen in, die enkel steunen op een raming van de kosten van levensonderhoud. In de indiciaire balans werden de kosten van levensonderhoud bepaald op 684.828 BEF (aanslagjaar 1997) en 698.544 BEF (aanslagjaar 1998). Naar luid van het bericht van wijziging "(is) het bedrag dat in aanmerking werd genomen als levensonderhoud een raming voor een gezin bestaande uit drie personen. Deze raming gebeurde op basis van de wettelijk vastgestelde en geïndexeerde bedragen waarop het OCMW geen beslag kan leggen om terugbetaling te bekomen van een onderhoudsbijdrage, voor wat het verhaal van de kosten voor opname en huisvesting betreft. Deze berekening vindt steun in de rechtspraak (o.m. Brussel 28.11.97, gepubliceerd in FJF 98/139, waarbij het Hof zelfs van mening was dat de wetgever deze som als een bestaansminimum beschouwt)" (stukken 75-79 van het administratief dossier). Uiteindelijk hield de taxatieambtenaar rekening met de kosten van levensonderhoud van 413.500 BEF (aanslagjaar 1997) en 421.782 BEF (aanslagjaar 1998), die appellanten in hun antwoord op het bericht van wijziging op basis van stukken vooropstelden. Hij herleidde dienovereenkomstig de indiciaire tekorten. Appellanten bekritiseren de handelwijze van de taxatieambtenaar, die volgens hen uitgaat van een oncontroleerbare raming om daarna de aanslag te vestigen op basis van inlichtingen verstrekt door appellanten zelf, terwijl de administratie zelf als eerste de vaststaande en concrete elementen dient aan te tonen. Zij verwijten de eerste rechter die handelwijze van de administratie te hebben goedgekeurd. Nadat de eerste rechter overwoog dat de administratie de bewijslast van de tekenen en indiciën draagt, en de belastingplichtige niet mag betrekken bij deze bewijsvoering, oordeelde hij dat appellanten op het bericht van wijziging hebben geantwoord en de administratie bij de vestiging van de aanslag rekening mag houden met de gegevens die de belastingplichtige in zijn antwoord vermeldde.
  2. De eerste rechter verliest aldus uit het oog dat de indiciaire afrekening initieel willekeurig is. Nog afgezien van het feit dat de taxatieambtenaar naliet de wet te vermelden die de door hem bedoelde geïndexeerde bedragen vaststelt, waaronder geen terugvordering door het OCMW mogelijk is, miskende hij dat het koninklijke besluit, dat de geïndexeerde bedragen vaststelt, niet het bedrag bepaalt dat overeenstemt met het levensminimum in hoofde van de onderhoudsgerechtigde, te dezen de belastingplichtige, maar enkel het bedrag vaststelt waaronder geen terugvordering door het OCMW mogelijk is lastens de schuldenaar van onderhoudsgelden. Door (impliciet) te verwijzen naar het koninklijke besluit van 9 mei 1984 "tot uitvoering van artikel 13, tweede lid, 1°, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en artikel 100bis, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn", raamt de administratie verkeerdelijk het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen om het bestaansminimum te berekenen, nu dit koninklijke besluit enkel de inkomsten van de schuldenaar van onderhoudsuitkeringen betreft, in wiens plaats het OCMW tussenkwam, zonder dat er enige verwijzing is naar het werkelijk door het OCMW betaalde bedrag aan de genieter van het bestaansminimum (vgl. Brussel 12 januari 2001, F.J.F. nr. 2001/107; Cass. 11 maart 2002, ). Er bestaat in het geheel geen verband tussen de bedragen waaronder geen terugvordering door het OCMW mogelijk is en het bestaansminimum. Aldus bedroeg het jaarlijkse bestaansminimum voor samenwonenden 334.656 BEF (geïndexeerd bedrag, geldend op 1 september 1998, artikel 2 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum), en bedroegen de bedragen waaronder geen terugvordering door het OCMW mogelijk is lastens de schuldenaar van onderhoudsgelden 659.750 BEF verhoogd met 92.365 BEF per persoon ten laste (geïndexeerde bedragen, geldend op 1 september 1998, artikel 14, § 1 van het voormelde koninklijke besluit). De indiciaire vermogensbalans is derhalve willekeurig. Die willekeur blijft onverkort voortbestaan, en wordt m.n. niet ongedaan gemaakt doordat de taxatieambtenaar afstapte van de willekeurige raming om de taxatie te steunen op de gegevens verstrekt door appellanten zelf in hun antwoord op het bericht van wijziging. Anders oordelen zou in de gegeven omstandigheden erop neerkomen de belastingplichtigen te betrekken bij het aanbrengen van tekenen en indiciën, terwijl de administratie de bewijslast hiervan draagt. Het hoger beroep is gegrond.
  3. Op de zitting waarop de zaak werd gepleit, waren partijen het eens over het basisbedrag van 2.000,00 EUR van de rechtsplegingvergoeding. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak, Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Hervormt het bestreden vonnis, Vernietigt de bestreden aanslagen in de personenbelasting artikel nr. 798307377 (aanslagjaar 1997) en artikel nr. 798324944 (aanslagjaar 1998), Beveelt de terugbetaling van de op basis van de aldus vernietigde aanslagen geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 WIB
(1992), Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellanten begroot op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van 349,54 EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van 2.000,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerde begroot op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van 0,00 EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van 2.000,00 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op alwaar aanwezig waren en zitting namen : - J. Verstappen, raadsheer dd voorzitter, - G. De Coninck, raadsheer, - P. Vandermotten, raadsheer, - C. De Nollin, griffier. C. De Nollin. P. Vandermotten. G. De Coninck. J. Verstappen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.