id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Brussel Vonnis/arrest van 30 november 2010 ECLI nr: ECLI:BE:CABRL:2010:ARR.20101130.1 Rolnummer: 2006AR1162 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-12-01 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-01 14:12 Fiche I. Artikel 1448 B.W. maakt deel uit van de wettelijke rubriek 'verdeling' en maakt geen deel uit van de wetsbepalingen inzake de vereffening (en dus niet van de wetsbepalingen inzake de vergoedingen). Hieruit kan besloten worden dat artikel 1436 BW inzake intresten op de vergoedingen in de zin van de artikelen 1432 tot en met 1435 B.W. niet van toepassing zijn op de gevolgen van de heling geregeld in artikel 1448 B.W. II. Niet alleen de verduisterde goederen komen in aanmerking voor de sanctie van artikel 1448 B.W. maar de heler is ook aansprakelijk voor de vruchten en intresten die de ontfutselde gelden hadden kunnen opbrengen en dit vanaf de datum van het wegmaken van deze goederen zonder dat een ingebrekestelling nodig is. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJKSVERMOGENSRECHT - Wettelijk stelsel - Ontbinding/ Vereffening Vrije woorden: Wettelijk huwelijksvermogensstelsel. Ontbinding. Sanctie. Heling. Vruchten en intresten van geheelde goederen. Artikel 1436 BW inzake vergoedingen niet toepasselijk Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 1436 oud Burgerlijk Wetboek - 1448 Tekst van de beslissing HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL 1e kamer, A.R. Nr.: 2006/AR/1162 zetelend in burgerlijke zaken, Rep. nr.: 2010/ na beraad, wijst volgend arrest: INZAKE VAN: M. A., appellante, vertegenwoordigd door Mr. MAES K. loco Mr. NELISSEN GRADE Yves, advocaat te 3001 LEUVEN, Ubicenter, Philipssite 5 ; TEGEN: G. G., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. JACKERS Patrick, advocaat te 3300 TIENEN, Goossensvest 36 ; I. Artikel 1436 BW. Intresten op vergoedingen. Niet-toepasselijkheid van artikel 1436 is op de gevolgen van de heling in de zin van artikel 1448 BW II. Artikel 1448 BW. Heling. Sanctie. Vruchten en intresten van de geheelde goederen. I. Artikel 1448 B.W. maakt deel uit van de wettelijke rubriek "verdeling" en maakt geen deel uit van de wetsbepalingen inzake de vereffening (en dus niet van de wetsbepalingen inzake de vergoedingen). Hieruit kan besloten worden dat artikel 1436 BW inzake intresten op de vergoedingen in de zin van de artikelen 1432 tot en met 1435 B.W. niet van toepassing zijn op de gevolgen van de heling geregeld in artikel 1448 B.W. II. Niet alleen de verduisterde goederen komen in aanmerking voor de sanctie van artikel 1448 B.W. maar de heler is ook aansprakelijk voor de vruchten en intresten die de ontfutselde gelden hadden kunnen opbrengen en dit vanaf de datum van het wegmaken van deze goederen zonder dat een ingebrekestelling nodig is. (...) 3.
- Wat de toepassing van artikel 1448 B.W. betreft inzake heling op appellante wegens de door haar afgehaalde gemeenschappelijke gelden ten beloop van 1.411.355 BEF of 34.986,57 euro : 3.3.
- Geïntimeerde stelt dat de overschrijvingen - van een gemene rekening naar een eigen rekening - door zijn echtgenote buiten zijn medeweten zijn gebeurd en dat zijn echtgenote ten onrechte deze overschrijvingen zou verzwegen hebben naar aanleiding van de boedelbeschrijving opgesteld op 18 juli 1991 in het kader van een kort geding procedure . 3.3.
- Appellante werpt hiertegen op dat haar echtgenoot wel op de hoogte moest zijn geweest van al die overschrijvingen gelet op hun aantal en de concrete context waarin ze gebeurden. Zij merkt bovendien op dat de beide echtgenoten de reeds vermelde ALSK - rekening beheerden en geïntimeerde derhalve stilzwijgend zou ingestemd hebben met de betwiste afhalingen in 62 schijven. Appellante wijst op het gezamenlijk bestuur van een gemene bankrekening (artikel 1418 B.W.) en stelt dat haar echtgenoot niet tijdig - binnen het jaar - de nietigverklaring van de betwiste rechtshandelingen gevorderd heeft (artikel 1422, 3° B.W.). Zij onderlijnt hierbij dat geïntimeerde in het verleden nooit procedurestappen heeft gezet om de toepassing van artikel 1448 B.W. inzake de heling te bekomen en dat gezien geïntimeerde gedurende zeven jaar niet reageerde er aangenomen mag worden dat hij stilzwijgend heeft ingestemd met de gedane bankverrichtingen met de gemene rekening. Zij voert tenslotte aan dat geïntimeerde haar bedrieglijk opzet niet bewijst gezien de verrichtingen op de gemeenschappelijke bankrekeningen transparant waren, dat de strafklacht tegen haar zonder gevolg werd geklasseerd en dat ze geen persoonlijk voordeel nastreefde, vermits ze haar moeder wou terugbetalen voor haar hulp op financieel vlak . In ondergeschikte orde vraagt zij - voor zover de door haar aangevoerde feiten door de voorgelegde stukken niet voldoende bewezen zouden zijn - haar toe te laten te mogen bewijzen met alle middelen van recht, getuigenissen inbegrepen, dat de betreffende gelden een terugbetaling aan moeder waren. 3.3.
- Uit niets blijkt dat er (renteloze) leningen zouden hebben bestaan tussen moeder en dochter en of schoonzoon. Het aangaan van een lening vereist overigens de toestemming van beide echtgenoten (artikel 1418 B.W.). Bovendien blijkt nergens uit dat moeder zelf de terugbetalingen van de door haar ter beschikking gestelde gelden eiste. Integendeel appellante stelt in haar eigen conclusie dat ze zelf het initiatief nam om moeder terug te betalen. Indien het om schenkingen zou gaan vanwege moeder, zou het terug eisen ervan niet mogelijk zijn gezien de wettelijke gronden tot ontbinding van een schenking limitatief zijn bepaald in de artikelen 953-959 B.W. Wat het argument van appellante betreft inzake het verval van de schenking wegens het verdwijnen van haar oorzaak, blijft zij in gebreke om dit argument rechtens voldoende uit te werken en te bewijzen. Appellante geeft immers geen antwoord op de vraag of de schenking door de moeder aan haar alleen, dan wel aan de beide echtgenoten werd gedaan en elk sluitend bewijs desbetreffend ontbreekt. 3.3.
- Artikel 1448 B.W. bepaalt: "De echtgenoot die enig goed uit het gemeenschappelijk vermogen heeft weggemaakt of verborgen gehouden, verliest zijn aandeel in dat goed." De wetgever zelf geeft geen definitie van de termen ‘wegmaken' of ‘verborgen houden' noch van het begrip ‘heling' . Om van heling van goederen van de gemeenschap in de zin van artikel 1448 B.W. te kunnen spreken, moeten, volgens de geldende rechtsleer en rechtspraak, volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn: - het wegmaken of verborgen houden van goederen, die tot de gemeenschap behoren, met bedrieglijk inzicht , door een echtgenoot; - het bedrieglijke inzicht betreft een bedrog dat erop gericht is de gelijkheid tussen de echtgenoten te verstoren ; - de heler kan de sanctie van artikel 1448 BW vermijden door berouw te tonen, doch het berouw van de heler dient tijdig en spontaan te zijn. Het bedrog, waardoor goederen van de gemeenschap worden weggemaakt of verborgen gehouden kan reeds vóór de ontbinding van de gemeenschap zijn gepleegd, maar zolang het gemeenschappelijk vermogen niet is ontbonden, kan er geen sprake zijn van heling . Artikel 1448 B.W. maakt trouwens deel uit van de bepalingen inzake de verdeling van een ontbonden gemeenschap (artikelen 1445 tot en met 1449 B.W.). 3.3.
- Het feit dat appellante de betwiste gelden teruggaf aan moeder en het feit van het seponeren van de strafklacht in deze schakelen de toepassing van artikel 1448 B.W. niet uit, nu haar handelwijze de samenstelling van de gemeenschap, ten nadele van haar echtgenoot, ten gevolge had, en meer bepaald de gelijkheid tussen de echtgenoten verstoorde. Het kwaad opzet of het bedrieglijk inzicht van appellante is precies daarin gelegen en blijkt daaruit. Heling veronderstelt evenmin dat de heler uitsluitend in zijn eigen belang handelde . 3.3.
- Er kan ook niet voorbijgegaan worden aan de motieven van het echtscheidingsvonnis dat in hoger beroep werd bevestigd. De eerste rechter oordeelde immers dat appellante zonder medeweten van haar echtgenoot, tussen 28 april 1980 en 29 augustus 1985, een bedrag van 770.000 frank van de gemeenschappelijke bankrekening bij de ALSK naar haar eigen rekening bij de ALSK overschreef, waarna deze sommen - tevens buiten medeweten van geïntimeerde - aan haar moeder werden overgemaakt. Zulks was eveneens het geval op 22 juni 1982 met een som van 641.355 BEF. Appellante maakte dus in totaal 1.411.355 frank aan haar moeder over. Het argument dat appellante deze verrichtingen uitvoerde in het kader van een terugbetaling van een lening wegens een geplande aankoop voor bouwgrond en het opstarten van een fietsenwinkel werd verworpen bij gebreke aan afdoend bewijs. In hoger beroep overwoog het hof "dat voldoende bewezen is dat appellante gedurende verscheidene jaren sommen voor een totaal bedrag van minstens 1.411.355 frank ten nadele van de huwgemeenschap heeft verduisterd om zichzelf via haar moeder te bevoordelen...". 3.3.
- Artikel 1448 B.W. is derhalve wel degelijk van toepassing voor wat het bedrag van 1.411.355 BEF of 34.986,57 euro betreft. Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd. 3.
- Wat de intresten betreft: (...) De wetsbepaling inzake de heling, namelijk artikel 1448 B.W., maakt deel uit van de wettelijke rubriek "verdeling" en maakt geen deel uit van de wetsbepalingen inzake de vereffening (en dus niet van de wetsbepalingen inzake de vergoedingen). Hieruit kan besloten worden dat artikel 1436 BW inzake intresten op de vergoedingen in de zin van de artikelen 1432 tot en met 1435 B.W. niet van toepassing zijn op de gevolgen van de heling geregeld in artikel 1448 B.W. Niet alleen de verduisterde goederen komen in aanmerking voor de sanctie van artikel 1448 B.W. maar de heler is ook aansprakelijk voor de vruchten en intresten die de ontfutselde gelden hadden kunnen opbrengen en dit vanaf de datum van het wegmaken van deze goederen zonder dat een ingebrekestelling nodig is. (...) OM DEZE REDENEN, HET HOF, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. (...) Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 30 november
- Waar aanwezig waren: Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter, Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer, Dhr. M. Debaere, Raadsheer, Mevr. B. Heymans, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div